Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:95
Zaaknummer
25-515/AL/OV
Inhoudsindicatie
Verzetbeslissing. Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 13 april 2026
in de zaak 25-515/AL/OV
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 22 september 2025 op de klacht van:
klager
over
verweerster
gemachtigde:
1 Verloop van de procedure
1.1 Op 14 augustus 2023 is een klacht van klager tegen zijn voormalige advocaat mr. K door de Raad van Discipline Amsterdam gedeeltelijk gegrond verklaard met oplegging van de maatregel van berisping. Het door verweerster ingediende dekenbezwaar tegen mr. K is door die raad op dezelfde datum gegrond verklaard, met oplegging van een (voorwaardelijke) schorsing voor de duur van 26 weken.
1.2 Mr. K heeft zich op 23 oktober 2023 uit laten schrijven van het tableau.
1.3 Op 10 maart 2025 heeft klager verweerster via een e-mail gemeld dat de website van mr. K nog online staat en dat mr. K zich op haar LinkedIn-pagina nog steeds uitgeeft als advocaat. Klager heeft verweerster gevraagd om daarop actie te ondernemen.
1.4 Verweerster heeft klager op 20 maart 2025 via een e-mailbericht geïnformeerd dat zij mr. K zal verzoeken om haar LinkedIn-pagina en website te actualiseren. Verweerster heeft mr. K daarover diezelfde dag gemaild.
1.5 Op 24 maart 2025 heeft klager aan verweerster verzocht om mr. K te vragen haar website offline te halen. Dezelfde dag heeft verweerster aan klager laten weten dat zij dit al aan mr. K heeft gevraagd. Op 8 april 2025 heeft verweerster mr. K gerappelleerd.
1.6 Na uitblijven van een reactie van mr. K heeft verweerster deze kwestie overgedragen aan de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA).
1.7 Op 16 april 2025 heeft de NOvA aan verweerster bericht dat mr. K is aangeschreven en zij in afwachting is van een reactie.
1.8 Op 9 mei 2025 heeft klager bij het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerster. Bij beslissing van 15 mei 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline deze klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken).
1.9 Op 4 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2494340 van de deken ontvangen.
1.10 Bij beslissing van 22 september 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht tegen verweerster kennelijk ongegrond verklaard. Op 22 oktober 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.11 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026 . Daarbij waren klager en de gemachtigde van verweerster aanwezig. Verweerster was, met kennisgeving vooraf, niet aanwezig.
1.12 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift en de bijlage daarbij .
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I) klager is het niet eens met de beslissing van de voorzitter;
II) mr. K doet zich tot op heden nog steeds via haar LinkedIn-pagina voor als advocaat. Hieruit blijkt dat verweerster geen goede toezichthouder is.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 feiten en klacht
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen. De door hem aangevoerde grond(en) houden enkel in dat hij het niet eens is met de beslissing van de voorzitter en is feitelijk een herhaling van zijn klacht. Die klacht zal de raad niet inhoudelijk nogmaals beoordelen, omdat de voorzitter bij de beoordeling de juiste maatstaf heeft toegepast en rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. G.F van den Berg , voorzitter, mrs. J.J. Molenaar en M.M. Strengers, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026
