Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:79
Zaaknummer
26-123/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 8 april 2026 in de zaak 26-123/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager 1
en
klaagster 2
en
klaagster 3
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 13 februari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K011 2026 en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager 1 is (indirect) bestuurder en aandeelhouder van klaagsters 2 en 3. 1.2 Verweerder treedt op als advocaat voor een onderneming die een zakelijk geschil heeft met klaagsters 2 en 3 over een ‘earn-out’ regeling. 1.3 Op 2 mei 2025 heeft verweerder een e-mail geschreven aan klaagsters 2 en 3. 1.4 Op 28 juli 2025 hebben klagers bij de deken eerder een klacht ingediend over de inhoud van deze e-mail. 1.5 Op 7 januari 2026 hebben klagers deze klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder door de uitlatingen in zijn e-mail van 2 mei 2025 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
3 BEOORDELING 3.1 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. 3.2 De voorzitter stelt vast dat klagers al eerder hebben geklaagd over de uitlatingen van verweerder in zijn e-mail van 2 mei 2025. Op die klacht wordt per heden beslist (zaaknummer 26-122/DH/DH), zodat er nog niet onherroepelijk op deze klacht is beslist. Klachten over het optreden van een advocaat dienen echter zoveel mogelijk te worden gebundeld. Voorkomen moet immers worden dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde (zie Hof van Discipline 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111). De voorzitter is van oordeel dat daarvan sprake is. De klacht wordt daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 april 2026
