Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:72
Zaaknummer
26-078/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht grotendeels kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Klacht over het versturen van brieven door verweerders kantoorgenoot kan hem niet worden aangerekend. Klacht in zoverre kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 1 april 2026 in de zaak 26-078/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder gemachtigde: [kantoorgenoot]
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 29 januari 2026 met kenmerk R 2026/006 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 34.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Verweerder treedt sinds 2010 op als advocaat voor [SH] B.V. en [BI] N.V. Klager hield tot 2020 (indirect) aandelen in deze bedrijven, waarna hij deze aan zijn echtgenote heeft overgedragen. De huidige aandeelhouders van deze bedrijven zijn klagers echtgenote en zijn twee zussen, die ieder een derde deel van de aandelen houden. 1.2 Klager is op enig moment persoonlijk failliet verklaard. Op 22 maart 2024 en 26 juli 2024 heeft een kantoorgenoot van verweerder brieven verstuurd aan klagers curator in [land], waarin de curator wordt verzocht om een rechtszaak tegen een van klagers zussen te staken. 1.3 Op 19 mei 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. a) Verweerder heeft zich niet gericht op de belangen van alle drie de aandeelhouders, maar uitsluitend op de belangen van klagers twee zussen. Hierdoor is sprake van een schending van de kernwaarde partijdigheid en gedragsregel 15; b) Er zijn twee brieven verstuurd naar de [land] curator van klagers persoonlijke faillissementsboedel met als doel om boedelclaims tegen de twee zussen te ontmoedigen of de blokkeren. Hierdoor is sprake van belangenverstrengeling en van een schending van gedragsregels 7 en 8; c) Verweerder heeft de belangen van klagers echtgenote structureel niet op gelijke wijze behandeld als de belangen van de twee zussen. Hierdoor is sprake van een schending van gedragsregel 15 lid 2 en de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid; d) Verweerder heeft een agressieve processtrategie van klagers zussen ondersteund wat heeft geleid tot aanzienlijke inkomsten voor verweerders advocatenkantoor. Hierdoor is sprake van een schending van de kernwaarden integriteit en onafhankelijkheid.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Klachtonderdelen a), c) en d) 4.1 De voorzitter stelt voorop dat de klachten van klager geen betrekking hebben op het handelen van verweerder toen klager nog aandeelhouder was van de vennootschappen. De verweten gedragingen van verweerder hebben immers alle betrekking op diens optreden voor de zussen van klager als (twee van de drie) opvolgende aandeelhouders. Klager is tot en met 2020 (indirect) aandeelhouder is geweest van de bedrijven en de klachten tegen verweerder zien niet op díe periode. Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dat eigen, rechtstreeks betrokken belang had klager echter niet meer na de overdracht van zijn aandelen. Dat klager fiscaal verbonden is aan zijn echtgenote, levert hem slechts een afgeleid belang op wat niet voldoende is om ontvankelijk te zijn in deze klachtonderdelen. Deze klachtonderdelen zijn om deze reden kennelijk niet ontvankelijk. Klachtonderdeel b) 4.2 De voorzitter stelt vast dat de betreffende brieven niet door verweerder, maar door zijn kantoorgenoot zijn verstuurd. Dat betekent dat, voor zover met het versturen van de brieven al sprake zou zijn van tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag, deze gedraging in elk geval niet aan verweerder kan worden toegerekend. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond. BESLISSING De voorzitter: - verklaart klachtonderdelen a), c) en d), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk; - verklaart klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 april 2026
