Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:94
Zaaknummer
25-513/AL/OV
Inhoudsindicatie
Verzetbeslissing. Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 13 april 2026
in de zaak 25-513/AL/OV
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 22 september 2025 op de klacht van:
klager
over
verweerster
1 Verloop van de procedure
1.1 Op 4 april 2025 heeft klager bij verweerster, in haar hiervoor vermelde hoedanigheid van deken, een klacht ingediend over mr. H.
1.2 Op 7 april 2025 is klager door een stafmedewerker van het ordebureau Amsterdam namens verweerster erop gewezen dat een wettelijke verjaringstermijn geldt waarbinnen een klacht tegen een advocaat moet worden ingediend. Aan klager is namens verweerster gevraagd of hij zijn klacht wil handhaven, nu de klacht door de Raad van Discipline waarschijnlijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens verjaring van de klacht. Klager heeft diezelfde dag laten weten dat hij zijn klacht handhaaft.
1.3 Verweerster heeft de klacht van klager op 8 april 2025 in behandeling genomen en klager gevraagd om een nadere toelichting te geven. Klager heeft op 19 april 2025 gereageerd.
1.4 Op 1 mei 2025 heeft verweerster aan klager gevraagd of hij zijn klacht mogelijk zou moeten richten tegen mr. I - een collega van mr. H - in plaats van tegen mr. H, gelet op de nadere onderbouwing van de klacht door klager.
1.5 Klager heeft hier bij e-mail van 2 mei 2025 op gereageerd en verweerster te kennen gegeven dat hij haar vraag als ongewenste sturing en als klachtwaardig beschouwt.
1.6 In reactie hierop heeft een stafmedewerker namens verweerster op 6 mei 2025 het volgende aan klager bericht:
Ik leid daaruit af dat mijn vraag of de klacht zich zou moeten richten tot [mr. I] ontkennend beantwoord. Voor zover u die vraag sturend of beklagwaardig vindt spijt mij dat. Voordat een klacht in behandeling wordt genomen is het belangrijk dat duidelijk is wat de klacht precies inhoudt en tegen wie de klacht zich richt, met deze vraag trachtte ik daarover duidelijkheid te verkrijgen.
Klager heeft diezelfde dag aan verweerster bericht dat zijn klachten zijn gericht tegen mr. H.
1.7 Op 9 mei 2025 heeft klager bij het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerster. Bij beslissing van 15 mei 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline deze klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken).
1.8 Op 4 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2494347 van de deken ontvangen.
1.9 Bij beslissing van 22 september 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht van klager over verweerster kennelijk ongegrond verklaard. Op 22 oktober 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.10 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026 . Daarbij waren klager en verweerster aanwezig.
1.11 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift en de daarbij gevoegde bijlage.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I) klager is het niet eens met de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter;
II) dat verweerster hem schreef ‘Dat brengt mij tot de vraag of uw klacht zich dan niet zou moeten richten tot mr. (I)’ beschouwt klager nog steeds als ongewenste sturing en beïnvloeding inzake de klachtenprocedure tegen mr. H en dit toont volgens klager aan dat verweerster partijdig is.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 feiten en klacht
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen. De door hem aangevoerde grond(en) houden enkel in dat hij het niet eens is met de beslissing van de voorzitter en is feitelijk een herhaling van zijn klacht. Die klacht zal de raad niet inhoudelijk nogmaals beoordelen, omdat de voorzitter bij de beoordeling de juiste maatstaf heeft toegepast en rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg , voorzitter, mrs. J.J. Molenaar en M.M. Strengers, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026
