Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:109

Zaaknummer

260106

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Het klachtrecht is er niet voor bedoeld om te klagen over de procedurele beslissingen die de deken heeft genomen in het kader van het onderzoek (zoals het hanteren van termijnen en het al dan niet toelaten van stukken). Ook die bezwaren kunnen in de procedure bij de raad van discipline onder de aandacht worden gebracht en bij de raad kunnen ook nog stukken worden ingediend. Klager kan tegenover de raad van discipline toelichten waarom verweerder volgens klager niet juist heeft gehandeld en wat er volgens klager in het klachtonderzoek niet goed is gegaan. Indien beroep openstaat voor klager bij het hof kan klager dat ook (alsnog) bij het hof doen. Gelet hierop is van een zelfstandige klacht over verweerder waarvoor het tuchtklachtrecht is bedoeld geen sprake. Om die reden zal de ingestelde klacht over verweerder niet worden doorverwezen naar een andere deken.  Ook overigens heeft het hof geen wettelijke bevoegdheid om zelfstandig klachten over dekens te onderzoeken en daarop te beslissen.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

van 16 april 2026

in de zaak 260106

naar aanleiding van het verzoek van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerder

 

1 HET VERZOEK

1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht met bijlagen van 27 maart 2026 van klager waarin klager een klacht indient over verweerder. Klager verzoekt het hof de klacht over verweerder als een zelfstandige klacht te beschouwen omdat klager zijn bezwaren die raken aan het dekenaal vooronderzoek in de klachtprocedures bij de raad van discipline onder de aandacht heeft gebracht.

1.2 Klager is van mening dat verweerder de klachtbehandeling zodanig heeft ingericht dat een open, evenwichtige en toetsbare beoordeling van zijn klachten niet langer was gewaarborgd. Klager verzoekt het hof zijn klacht in behandeling te nemen en op de in deze klacht opgenomen verzoeken te beslissen.

 

2 DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 De klacht van klager over verweerder hangt samen met in 2025 door klager over twee advocaten bij verweerder ingediende klachten die (zo begrijpt de voorzitter) na het dekenaal onderzoek aan de raad van discipline ter beslissing zijn voorgelegd. Over de wijze waarop de stafjurist van verweerder de klachten over vorenbedoelde twee advocaten (mrs. B en B) heeft onderzocht, heeft klager ook geklaagd. Die klacht heeft de voorzitter bij beslissing van 16 oktober 2025 niet doorverwezen (zie ECLI:NL:TAHVD:2025:199). Daarbij heeft de voorzitter overwogen dat het klachtrecht niet bedoeld is om de werkwijze van de Amsterdamse Orde van Advocaten aan de orde te stellen.

2.3 In tegenstelling tot wat klager opmerkt heeft de klacht die klager thans over verweerder heeft ingediend bij het hof – mede gelet op de toelichting die klager daarop geeft en de door klager meegestuurde bijlagen – de strekking om de werkwijze van de Amsterdamse deken aan de orde te stellen in zijn onderzoek naar de door klager ingediende klachten over de advocaten B en B. Ook in dit geval geldt dat het klachtrecht er niet voor is bedoeld om te klagen over de procedurele beslissingen die de deken heeft genomen in het kader van het onderzoek ( zoals het hanteren van termijnen en het al dan niet toelaten van stukken).

2.4 Ook die bezwaren kunnen in de procedure bij de raad van discipline onder de aandacht worden gebracht en bij de raad kunnen ook nog stukken worden ingediend. Klager kan tegenover de raad van discipline toelichten waarom verweerder volgens klager niet juist heeft gehandeld en wat er volgens klager in het klachtonderzoek niet goed is gegaan. Indien beroep openstaat voor klager bij het hof kan klager dat ook (alsnog) bij het hof doen. Gelet hierop is van een zelfstandige klacht over verweerder waarvoor het tuchtklachtrecht is bedoeld geen sprake. Om die reden zal de ingestelde klacht over verweerder niet worden doorverwezen naar een andere deken.  

2.5 Overigens heeft het hof geen wettelijke bevoegdheid om zelfstandig klachten over dekens te onderzoeken en daarop te beslissen. Artikel 46c lid 5 Advocatenwet regelt alleen het doorverwijzen van een klacht over een deken naar een deken in een ander arrondissement voor onderzoek en afhandeling van de klacht. Het hof kan ook daarom niet zelf op de verzoeken van klager beslissen.  

2.6 De conclusie is dat de voorzitter van het hof de klacht van klager over verweerder niet zal verwijzen.

 

3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

- wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 16 april 2026 door mr. J. Blokland, voorzitter.

Voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 16 april 2026.