Rechtspraak
Uitspraakdatum
16-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:108
Zaaknummer
260119
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In het geval verweerder in het kader van zijn toezichthoudende taak als deken op grond van artikel 24 lid 2 WWFT een onderzoek doet of heeft gedaan bij mr. P ontvangt klaagster daarover geen bericht. Klaagster kan derhalve niet vaststellen (en het hof evenmin) of er bij verweerder sprake is van plichtsverzuim op dit punt.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 16 april 2026
in de zaak 260119
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
tegen:
verweerder
1 HET VERZOEK
De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 30 maart 2026 van het bureau van de Orde van Advocaten Noord-Holland waarin wordt verzocht de klacht die klaagster op 24 maart 2026 over verweerder heeft ingediend te verwijzen naar een deken van een andere orde op basis van artikel 12 van het procesreglement van het hof. Op 8 april 2026 heeft klaagster nog een e-mail gestuurd aan het hof die aan het dossier is toegevoegd.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 De voorzitter begrijpt de klacht van klaagster aldus dat zij meent dat verweerder een melding over mr. P had behoren te doen bij de FIU (Financial Intelligence Unit). Namens verweerder is op 24 maart 2026 aan klaagster uitgelegd dat verweerder geen melding bij de FIU zal doen omdat het ordebureau geen meldingsplichtige instantie is. Verweerder heeft een eigen bevoegdheid om bij een advocaat onderzoek doen in het kader van de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT). Indien dat het geval is wordt dat evenwel niet met derden gedeeld.
2.3 Deze uitleg aan klaagster is juist. In het geval verweerder in het kader van zijn toezichthoudende taak als deken op grond van artikel 24 lid 2 WWFT een onderzoek doet of heeft gedaan bij mr. P ontvangt klaagster daarover geen bericht. Klaagster kan derhalve niet vaststellen (en het hof evenmin) of er bij verweerder sprake is van plichtsverzuim op dit punt.
2.4 Indien klaagster van mening blijft dat er ondanks het vorenstaande sprake is van plichtsverzuim aan de zijde van verweerder, had het op de weg van klaagster gelegen om dat nader toe te lichten. Nu klaagster dat heeft nagelaten, heeft zij haar klacht over verweerder onvoldoende onderbouwd waardoor het voor verweerder ook niet duidelijk is waartegen hij zich concreet dient te verweren. Daarom zal de voorzitter de klacht over verweerder niet verwijzen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
- wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 16 april 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 16 april 2026.
