Rechtspraak
Uitspraakdatum
07-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:75
Zaaknummer
25-570/DH/RO
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 6 april 2026 in de zaak 25-570/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 15 oktober 2025 op de klacht van:
klager gemachtigde: J.P.E. Baakman
over:
mr. F.A. ten Berge deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 5 november 2024 heeft klager bij het Hof van Discipline (hierna: het Hof) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Bij beslissing van 21 november 2024 heeft de voorzitter van het Hof de klacht van klager voor onderzoek en afhandeling verwezen aan de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam. 1.3 Op 21 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk A 2024/241 kd/edl van de deken ontvangen. 1.4 Bij beslissing van 15 oktober 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. 1.5 Op 31 oktober 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op diezelfde datum ontvangen. 1.6 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2025. Klager heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar stafjurist [naam]. 1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd, van het verzetschrift en van de aanvullende stukken van verweerster van 10 februari 2026.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich niet kan vinden in de voorzittersbeslissing, waarbij hij zijn klachten heeft herhaald. Ook heeft de voorzitter ten onrechte in overweging 4.4. gesteld “… daarbij komt dat klager stelselmatig weigerde op het Bureau van de Orde te verschijnen.”, omdat klager dat niet heeft geweigerd. Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op. 2.2 Ter zitting is namens klager het verzoek gedaan om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad en/of het Hof van Justitie van de Europese Unie en/of het Gerecht van de Europese Unie.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 Strikt genomen heeft klager gelijk als hij zegt dat hij niet stelselmatig heeft geweigerd om op het Bureau van de Orde te verschijnen. Het is echter voldoende duidelijk dat het gaat om de structurele weigering van klager om op gesprek te komen bij de Orde. De deken is hier in reactie op de klacht ook uitgebreid op ingegaan, onder verwijzing naar het oordeel van de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden van 17 maart 2025 (ECLI:NL:TADRARL:2025:73) waaruit dat volgt. Dat is door klager niet betwist, anders dan met de blote stelling dat alles wat de deken in reactie op de klacht aanvoert door hem als bezijden de waarheid wordt aangemerkt. De raad is dan ook van oordeel dat deze zinssnede niet tot een gegrond verzet kan leiden. 4.3 Omdat de voorzitter bij de beoordeling ook verder de juiste maatstaf heeft toegepast en rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, is de raad van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen. In redelijkheid kan niet worden betwijfeld dat de beslissing van de voorzitter juist is. 4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. Evenmin ziet de raad aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Voor zover de raad al toepassing zou kunnen geven aan artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, doet zich geen omstandigheid uit het eerste lid, onder a of b, voor. Reeds daarom zal de raad hiertoe niet overgaan. Evenmin ziet de raad aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (dan wel het Gerecht van de Europese Unie), aangezien hier geen rechtsvraag voorligt die uitleg van het Unierecht vereist. Uit de uitleg die namens klager ter zitting is gegeven, kan de raad niet opmaken waarom het Unierecht in deze klachtzaak van toepassing zou zijn. Dat is de raad ook verder niet gebleken. De vragen die klager wenst te laten stellen, zien bovendien grotendeels op onderwerpen die buiten de hier voorliggende klacht vallen, zodat zij niet relevant zijn in de zin van HvJEU 24 maart 2026 (Remling), C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35. 4.5 De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en D. Rijpma, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 6 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 april 2026
