Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:81
Zaaknummer
25-483/DH/RO
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 april 2026 in de zaak 25-483/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 24 september 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 27 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 21 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/072 van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 24 september 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen. 1.4 Op 22 oktober 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 2 maart 2026. Daarbij waren klager (vergezeld van een begeleider) en verweerster (vergezeld van haar patroon) aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 11 februari 2026 en de e-mail met bijlagen van verweerster van 18 februari 2026.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen. Klager heeft concreet onder meer aangevoerd dat de voorzitter in de beslissing verwijst naar een maatstaf, maar die niet concreet toepast op de “beladen passages”. Daardoor is niet toetsbaar waarom de kwalificaties noodzakelijk waren voor het beslagdoel. De beslissing van de voorzitter stelt dat klager de juistheid van aangehaalde vonnissen/publicaties niet betwistte. Klager heeft de relevantie en proportionaliteit echter wel betwist. De subsidiariteitsafweging ontbreekt. Bovendien ontbreekt de dagvaarding, terwijl de voorzitter toch overweegt dat als dezelfde uitlatingen daar zijn herhaald dat geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen zou opleveren. Dat is prematuur en innerlijk tegenstrijdig. Klager stelt dat een verhoogde terughoudendheid geldt bij een niet-procespartij. De gekozen kwalificaties gaan verder dan noodzakelijk voor het processuele doel en zijn daarom onnodig grievend. 2.2 Klager heeft in zijn verzet verder een aanvulling naar aanleiding van de dagvaarding van 28 mei 2025 gedaan. Klager stelt dat de dagvaarding de kwalificaties over klager als derde herhaalt en intensiveert, zonder concrete koppeling aan het beslagdoel. Dit bevestigt dat de kennelijke ongegrondverklaring prematuur en onvoldoende gemotiveerd was. 2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De raad is met de voorzitter van oordeel dat verweerster heeft gehandeld binnen de ruime mate van vrijheid om het standpunt van haar cliënt te verwoorden. Het is niet aan de tuchtrechter om te toetsen of een uitlating van een advocaat noodzakelijk is, maar of een uitlating wel of niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dat klager de relevantie en proportionaliteit van aangehaalde vonnissen/publicaties heeft betwist, maakt niet dat de voorzitter er niet van mocht uitgaan dat hetgeen in die vonnissen/publicaties stond vermeld publiekelijk bekende en feitelijk juiste informatie betrof. De raad is dan ook met de voorzitter van oordeel dat de uitlatingen in het beslagrekest niet tuchtrechtelijk laakbaar zijn. De bestreden uitlatingen zijn in hun context evenmin onnodig grievend of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar, ook voor zover die uitlatingen zouden zijn herhaald in de dagvaarding. De raad kan dat laatste overigens nog steeds niet vaststellen, omdat ook nu die dagvaarding in het dossier nog ontbreekt. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.3 Klager komt voor het eerst in verzet met een aanvulling naar aanleiding van de dagvaarding van 28 mei 2025. De klacht kan echter niet in verzet worden aangevuld. Ook daarom hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. M.M. van Wijk en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026
