Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:101

Zaaknummer

250238

Inhoudsindicatie

Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klager heeft als bungaloweigenaar en voorzitter van de belangenvereniging van bungaloweigenaren een klacht ingediend tegen de advocaat van de v.o.f. die het bungalowpark exploiteert. Voor zover in hoger beroep van belang ziet deze klacht erop dat verweerster onvoldoende zorg ervoor heeft gedragen dat geen misverstand bestond over de hoedanigheid waarin zij handelde en dat zij tijdens een bespreking met de belangenvereniging niet duidelijk heeft gemaakt dat zij advocaat was. Verder verwijt klager verweerster dat zij onbetamelijk heeft gehandeld door klager onder druk te zetten met dreigementen, waaronder het in rekening brengen van kosten aan klager als hij e-mails aan een bepaald e-mailadres zou blijven sturen. Het hof oordeelt in dit hoger beroep dat de klachten van klager gegrond zijn. De tuchtrechtelijke verwijtbare gedragingen in combinatie met de wijze waarop verweerster in de onderhavige klachtprocedure heeft gereageerd, rechtvaardigen de zware maatregel van schrapping van het tableau die de raad heeft opgelegd.  

Uitspraak

Beslissing van 10 april 2026 in de zaak 250238

naar aanleiding van het  hoger beroep van:

verweerster

gemachtigde: mr. R. Eekhof, 

tegen:

klager

 

 

1    INLEIDING

1.1    Klager heeft als bungaloweigenaar en voorzitter van de belangenvereniging van bungaloweigenaren een klacht ingediend tegen de advocaat van de v.o.f. die het bungalowpark exploiteert. Voor zover in hoger beroep van belang ziet deze klacht erop dat verweerster onvoldoende zorg ervoor heeft gedragen dat geen misverstand bestond over de hoedanigheid waarin zij handelde en dat zij tijdens een bespreking met de belangenvereniging niet duidelijk heeft gemaakt dat zij advocaat was. Verder verwijt klager verweerster dat zij onbetamelijk heeft gehandeld door klager onder druk te zetten met dreigementen, waaronder het in rekening brengen van kosten aan klager als hij e-mails aan een bepaald e-mailadres zou blijven sturen.

1.2    Het hof oordeelt in dit hoger beroep dat de klachten van klager gegrond zijn. De tuchtrechtelijke verwijtbare gedragingen in combinatie met de wijze waarop verweerster in de onderhavige klachtprocedure heeft gereageerd, rechtvaardigen de zware maatregel van schrapping van het tableau die de raad heeft opgelegd.

1.3    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en zal het hof zijn oordeel toelichten.

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-131/DB/LI) een beslissing genomen op 10 juni 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van schrapping opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:94 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 8 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het aanvullend verzoek van verweerster van 9 juli 2025, -    de e-mail van verweerster van 6 oktober 2025,  -    het verweerschrift van klager, -    de e-mail van verweerster van 22 januari 2026, -    de e-mail van verweerster van 26 januari 2026 -    de e-mail van klager van 28 januari 2026 met bijlage, -    de e-mail van verweerster van 2 februari 2026 met bijlagen, -    de e-mail van klager van 7 februari 2026 met bijlage.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 13 februari 2026. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn echtgenote, en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Verweerster is voorheen advocaat-stagiaire en ondernemer geweest in het arrondissement Oost-Brabant. Haar kantoor heette ‘[E] Advocatuur’ en gebruikte het e mailadres ‘info@[e].nl’. Per 16 september 2023 is zij in loondienst als advocaat-stagiaire gaan werken bij het advocatenkantoor ‘Advocatenkantoor [C]’ in het arrondissement Limburg. Daar heeft zij het e-mailadres ‘[e]@[c].nl’ toegewezen gekregen.

3.3    [BS] V.O.F. (hierna: de v.o.f.) heeft een bungalowpark ontwikkeld met daarin veertien bungalows. Klager is eigenaar van één van deze bungalows. Er is een conflict ontstaan tussen de v.o.f. en de eigenaren van de bungalows over de verhuur en permanente bewoning van de bungalows. De eigenaren hebben zich in een belangenvereniging  gebundeld.

3.4    De belangenvereniging en de v.o.f. hebben besloten om op 3 november 2023 een overleg te voeren over het conflict. Voorafgaand aan het overleg, heeft klager als voorzitter van de belangenvereniging op 2 november 2023 e-mailcontact gehad met de v.o.f.:

“Via via vernamen wij, dat jouw vader [S] [hof: één van de vennoten van de v.o.f.] ook zal deelnemen aan het gesprek a.s. vrijdag. Dat lijkt ons een prima idee. We hebben hier immers steeds op aangedrongen. We hebben echter ook gehoord, dat er een advocaat van jullie aan de bespreking zou deelnemen. Dat lijkt ons een minder goed idee.

De bedoeling van het overleg was om te proberen in onderling informeel overleg tot oplossingen te komen voor bestaande problemen. Met een advocaat erbij wordt het meteen een juridische kwestie en is de kans om in onderling overleg eruit te komen aanzienlijk kleiner geworden. In dat geval zou de vereniging ook een advocaat moeten inhuren en staan we in no time voor de rechter. Dat wil de vereniging nu juist voorkomen.

Als het inderdaad jullie bedoeling is om een advocaat mee te nemen, vragen we je hierbij dringend om hiervan af te zien.

Mochten jullie beslist een advocaat mee willen nemen, dan is dat voor [de belangenvereniging] een reden om de uitnodiging voor het overleg in te trekken. Het overleg zal dan dus niet plaatsvinden en [de belangenvereniging] zal later aan jullie melden hoe we dan verder gaan.

Voor de duidelijkheid: Als jullie onverhoopt staan op aanwezigheid van een advocaat, dan gaat het geplande overleg niet door.

We horen graag per omgaande of we op jullie aanwezigheid (zonder advocaat) mogen blijven rekenen.”

3.5    Daarop heeft de dochter van een van de vennoten (hierna: de dochter) als volgt gereageerd:

“Ik weet niet waar je die informatie vandaan hebt maar dit is niet correct. Papa zal er niet bij aanwezig zijn met dezelfde reden zoals eerder genoemd. Aangezien papa uit is gevallen heb ik alleen een adviseuse bij die juridisch onderlegd is mochten er eventuele inhoudelijke vragen zijn. Verder is de insteek nog gewoon hetzelfde en zal ik het woord doen namens de V.O.F. (…)”

3.6    Het overleg heeft vervolgens op 3 november 2023 plaatsgevonden. Daaraan heeft verweerster deelgenomen.

3.7    Uit de urenadministratie van C blijkt dat verweerster die dag van 8:54 uur tot 17:50 uur gewerkt heeft. 

3.8    In een e-mail van 20 november 2023 heeft de voormalig patroon van verweerster aan verweerster geschreven:

“zie hieronder. Ook hier mail je weer met de afbeelding van [E] Advocatuur! Sterker nog, hieronder staat ook nog [C] Advocatuur, dus kennelijk heb je dit ook nog bewust zo aangepast?? Dit kan echt niet. Ik heb je hier nooit toestemming voor gegeven. Sterker nog, ik heb jou al vaker gezegd dat je [E] Advocatuur niet meer mag gebruiken.  (…) Ik heb net ook even op de site van [E] gekeken. Ook daar wordt overal nog gesproken over [E] Advocatuur en recht op vrije advocaatkeuze etc. Hiermee wek je dus nog steeds de indruk dat [E] advocatuur nog steeds bestaat. Dit is klachtwaardig. Dit dient per direct te stoppen. 

Ik wil geen problemen met de Orde van Advocaten. Je bent in loondienst van [C] en zo dien je je ook te presenteren en te gedragen. Ik ga hier vanaf nu streng op controleren. Mocht dit in de toekomst toch weer gebeuren zal dit verdere consequenties hebben.” 

3.9    Op 15 januari 2024 heeft verweerster vanaf ‘[e]@[c].nl’ een e-mail geschreven aan klager. Uit de e-mail volgt:

“Tot mij wendde zich de heer en mevrouw [S] van [BS] v.o.f. Namens de vennootschap zal ik de belangen behartigen inzake het bungalowpark [BS]. U heeft naar aanleiding van onze bespreking vorig jaar november 2023 zoals afgesproken uw geschilpunten overgelegd aan de vennootschap. Ik verzoek u per kerende email aan mij toe te zenden:

1.    de schriftelijke openstaande punten inzake uw woning [adres]

2.    de schriftelijke openstaande punten inzake de VvE waarvoor u als voorzitter optreedt.

Graag ontvang ik de openstaande punten onderbouwd met de grondslag waarop de openstaande punten stoelt, zodat ik bekend ben met de grondslag. Ik verzoek u aandachtig kennis te nemen van de koopovereenkomst, de anterieure overeenkomst en de openbare stukken zoals die bij de gemeente bekend zijn en zijn gepubliceerd.

Wilt u mij het e-mail adres van de VvE doorgeven?

U kunt zich niet tot de heer en mevrouw [S] wenden in verband met persoonlijke omstandigheden. U en de leden van de VvE dienen deze omstandigheden te respecteren. Uiteraard zullen onnodige (juridische) kosten terzake bij u of de VvE in rekening worden gebracht. Graag vernemend voor vrijdag 19 januari 2024.

Met vriendelijke groet,

Mw. mr. [verweerster] LL.M.

Advocaat.”

3.10     Klager en verweerster hebben elkaar vervolgens diezelfde dag tweemaal telefonisch gesproken. Daarna heeft klager per e-mail aan ‘[e]@[c].nl’ geschreven:

“Onderstaande e-mail wisseling stuur ik u alvast ter kennisname. Hieruit blijkt, dat wij wederom misleid zijn en dat u in werkelijkheid dus geïnfiltreerd bent in onze vergadering onder valse voorwendselen. De problemen telefonisch oplossen lukt kennelijk niet, omdat ik er (hoewel niet om een woordje verlegen) niet in slaag om door uw tirades heen te komen. Ik heb voor de tweede maal moeten besluiten het telefoongesprek te beëindigen. Dit is mijns inziens niet de goede manier om problemen op te lossen. Zoals gemeld, zal ik met [de belangenvereniging] overleggen hoe we hiermee omgaan.”

3.11    Daarop heeft verweerster gereageerd vanaf ‘[e]@[c].nl’:

“Tijdens ons telefonisch onderhoud was er geen sprake van 'een tirade' mijnerzijds. Ook ben ik tijdens de bespreking vorig jaar, niet 'geïnfiltreerd onder valse voorwendselen'. Ik ben ruim voor de bespreking in november 2023 aangekondigd terzake juridische ondersteuning, ook om u en de leden te informeren over de juridische merites. In het vervolg zal ik mij beperken tot realistische zaken en niet ingaan op uw aantijgingen.

Ik zal steeds juridisch advies verlenen.

Inmiddels is de persoonlijke situatie van de vennoten gewijzigd waardoor de vennoten mij hebben gemachtigd om eventuele openstaande punten op te lossen. Refererend aan de inhoud van het e-mailbericht van de vennoten aan u op 2 november 2023 en uw brieven van 18 december 2023, zal ik me beperken tot het behartigen van de zakelijke belangen van de VvE en Bungalowpark [BS]. Ik verzoek u - als voorzitter van de VvE - een professionele houding aan te nemen.

Met vriendelijke groet,

Mw. mr. [verweerster] LL.M.

Advocaat.”

En eveneens vanaf ‘[e]@[c].nl’:

“Louter om de belangen van de VvE en u te behartigen is het van belang dat eventuele openstaande punten opgelost worden. Omdat u tot twee maal toe de telefoonlijn verbreekt zal alle communicatie voortaan via e-mail verlopen om een oplossing te kunnen bereiken. Ik vraag u om elkaar te respecteren. (…)

Met vriendelijke groet,

Mw. mr. [verweerster] LL.M.

Advocaat.”

3.12     Op 8 februari 2024 heeft klager een e-mail ontvangen van de v.o.f. over de verhuurbemiddelingsovereenkomsten. Diezelfde dag heeft klager verweerster gevraagd om te bewerkstellingen dat de v.o.f. uitsluitend via haar correspondeert met de belangenvereniging.

3.13     Op 9 februari 2024 heeft verweerster, in reactie op het verzoek van klager van 8 februari 2024, gereageerd alleen ‘terzake het park’ te communiceren met de belangenvereniging en niet over de verhuurbemiddelingsovereenkomsten. Daarop heeft klager diezelfde dag gereageerd:

“Per e-mail van 15 januari 2024 hebt u zich bij de leden van [de belangenvereniging] gemeld als advocaat van de heer en mevrouw [S]. Hierbij hebt u tevens gemeld, dat het niet mogelijk was om contact te hebben met de heer en mevrouw [S]. Onze leden hebben dat zo begrepen, dat zaken betreffende de relatie met de v.o.f. in het vervolg door u worden behartigd en dat dat zowel voor de vereniging als voor de individuele leden gold. Zoals gebruikelijk indien zich een advocaat meldt, verwachten de leden dan in deze kwestie vanaf dat moment uitsluitend via u te moeten communiceren.

Moeten wij onderstaande tekst zo begrijpen, dat u de v.o.f. niet langer vertegenwoordigt in zaken betreffende de individuele relatie van de leden/eigenaren met de v.o.f. en dat zij zich in het vervolg weer dienen te wenden tot de v.o.f.? (…)”

3.14     Diezelfde dag heeft verweerster een inhoudelijke brief geschreven aan de leden van de belangenvereniging, op briefpapier van Advocatenkantoor [C], over de vergadering van 3 november 2023, een koop-/aannemingsovereenkomst en de verhuurbemiddelingsovereenkomsten. De brief wordt afgesloten met de vermelding ‘Advocaat.’.

3.15     Op 12 februari 2024 heeft verweerster vanaf ‘[e]@[c].nl’ klager en de belangenvereniging aangeschreven, waarin zij aangeeft alle belangen ten behoeve van de vennoten te behartigen. De e-mail wordt afgesloten met de vermelding ‘Advocaat.’.

3.16     Op enig moment heeft verweerster het debiteurenbeheer van de v.o.f. overgenomen wegens vakantie van een van de vennoten, die gedurende de ziekte van de vennoten het debiteurenbeheer waarnam.

3.17     Op 29 februari 2024 heeft klager aan het algemene e-mailadres van Advocatenkantoor [C] geschreven:

“Van één van onze leden vernam ik, dat de mail betreffende het bungalowpark [BS] in het vervolg gericht moet worden aan het mailadres van [S]. Betekent dit, dat u de v.o.f. niet langer vertegenwoordigt en dat de gezondheidstoestand van de vennoten weer direct mailcontact mogelijk maakt?

Eerder had u ons immers nadrukkelijk geïnstrueerd om geen contact met de vennoten te hebben en alle communicatie via u te laten verlopen. Overigens is de door u gebruikte adressering ook nogal wisselend. Mocht u de v.o.f. nog wel vertegenwoordigen, dan zouden wij graag een eenduidig correspondentie adres hebben voor deze kwestie. Dat voorkomt misverstanden.”

3.18     Daarop heeft verweerster gereageerd vanaf ‘info@[e].nl’:

“U/ de leden kunnen alle e-mailberichten sturen aan de emailadressen zoals vermeld in dit e-mailbericht c.c. De e-mailberichten zullen namens de vennoten worden gelezen. Vanwege de gezondheid van de vennoten kunt u hen niet rechtstreeks aanspreken, de e-mailberichten worden beperkt / niet gelezen door de vennoten zelf. Gelieve niet de e-mailadressen te gebruiken @[c].nl, anders zal de bestede tijd aan u / verzenders / VvE in rekening moeten worden gebracht. U gaf duidelijk aan dat dat niet u/ uw wensen zijn. Vertrouwende u hiermee goed te informeren.

Met vriendelijke groet, namens de vennoten,

[verweerster],”

In de cc bij de e-mail zijn twee e-mailadressen van de vennoten opgenomen en ‘info@[e].nl’.

3.19     Ook is door verweerster op diezelfde dag vanaf ‘info@[e].nl’ geschreven:

“In verband met de gezondheid van de vennoten is door de waarnemers gevraagd geen contacten met de vennoten te onderhouden. Begrijpelijk is, dat het erop lijkt dat vanwege de naamgeving van de emailadressen die worden gebruikt, deze door de vennoten worden gelezen. Dit is niet zo.

De vennoten hebben mij gevraagd om de juiste e-mailadressen door te geven, die u kunt gebruiken voor uw berichten en correspondentiestukken. De e-mailadressen @[c].nl gelieve niet te gebruiken, immers de vennoten hebben (nog) geen advocatenkantoor ingeschakeld voor de onderhavige discussies.

De e-mailadressen die u (samen) kunt gebruiken:

[twee e-mailadressen van de vennoten]

Deze worden door de waarnemers van de vennoten gelezen.

Vertrouwende u hiermee goed te informeren.

Met vriendelijke groet,

mr. [verweerster] LL.M.”

3.20     Op 1 maart 2024 heeft klager aan ‘info@[e].nl’ geschreven:

“Moeten wij uit onderstaande e-mail opmaken, dat uw e-mail 15 januari 2024 12:10 uur, waarin u zich als advocaat van het kantoor [C] (inclusief briefhoofd) stelt voor de vennootschap Bungalowpark [BS] v.o.f., een kennelijke fout was en hierbij wordt ingetrokken?

Indien dit zo is, verzoeken wij u ons mede te delen in welke hoedanigheid u de vennootschap thans vertegenwoordigt en zo nodig de juiste machtigingen te overleggen, voordat wij verder met u als gemachtigde kunnen corresponderen.”

3.21     Op 1 maart 2024 heeft klager aan het algemene e-mailadres van Advocatenkantoor [C] geschreven:

“Omdat onderstaande correspondentie uw kantoor betreft, leek het ons goed u hiervan in kennis te stellen. Laatstelijk op 9 februari 2024 om 5:33 ontvingen wij nog een e-mail van [verweerster], op briefpapier van [C] en door haar ondertekend als zijnde advocaat.”

3.22     Verweerster is diezelfde dag op non-actief gesteld door haar werkgeefster/patroon.

3.23     Op 7 maart 2024 is verweerster op staande voet ontslagen door haar werkgeefster/patroon. Diezelfde dag heeft de werkgeefster/patroon aan klager geschreven:

“Onder verwijzing naar uw mailbericht van 1 maart jl. bericht ik u als volgt. Allereerst dank voor uw informatie. Dit was mij inderdaad niet bekend. Hierbij deel ik u mede dat [verweerster] met ingang van heden niet meer bij ons kantoor werkzaam is. Ik vertrouw erop u hiermee – voor nu – voldoende te hebben geïnformeerd.”

3.24     De arbeidsovereenkomst van verweerster is uiteindelijk, in het hoger beroep in een procedure tussen verweerster en de werkgeefster/patroon, met wederzijds goedvinden beëindigd. 

3.25     Op 26 juli 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. Verweerster is hiervan op 14 augustus 2024 in kennis gesteld. 

3.26     Op 27 augustus 2024 heeft verweerster zich op eigen verzoek van het tableau laten schrappen.

3.27     Op 17 september 2024 heeft de dochter een verklaring opgesteld:

“Hierbij verklaar ik [naam] namens de vennoten dat [verweerster] zich niet heeft gepresenteerd als juridisch onderlegde vriendin. Ik wist dat [verweerster] advocaat was en voor [C] werkte en vanuit daar gefactureerd werd. Ik heb [verweerster] op advies van familie ingeschakeld voor juridisch advies. Ik kon [verweerster] voorheen niet en pas in ons kennismakingsgesprek heb ik haar leren kennen. Ik geef toestemming om inhoudelijk op de klacht in te gaan. [Klager] heeft voor de rechter verklaart gespreksopnames te hebben en deze niet overlegd.”

3.28     Op 30 oktober 2024 heeft de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten besloten tot schrapping van verweerster van het tableau op grond van artikel 8c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Advocatenwet met ingang van 31 december 2024.

3.29     Op 11 februari 2025 heeft de deken medegedeeld het griffierecht te hebben ontvangen binnen de gestelde termijn en dat het dossier zal worden verzonden aan de raad.

3.30     Op 12 februari 2025 heeft verweerster aan klager geschreven:

“U heeft een tuchtrechtelijke procedure tegen mij aanhangig gemaakt, zonder dat wij daarover gesproken hebben. Graag wil ik met u een gesprek inplannen. Wilt u een voorstel doen om op locatie [BS] een gesprek te voeren? Gaarne vernemend.”

3.31     Op 15 februari 2025 heeft verweerster aan klager geschreven:

“Graag verwijs ik u naar mijn e-mail van woensdag 12 februari jl. met het verzoek een van de volgende afspraken op mijn kantoor te [plaats] aanwezig te zijn:

[diverse data]

Gaarne vernemend welk tijdstip u schikt. (…)”

3.32     Op eveneens 15 februari 2025 heeft verweerster aan de deken geschreven:

“Uw berichtgeving heb ik ontvangen, waarvoor dank! Ik verzoek u mij een afschrift toe te zenden van de betaling van het griffierecht (…). Tevens verzoek ik [klager] om de gehele geluidsopname van de vergadering van de VvE op 03 november 2023 in deze procedure te overleggen, vanwege de ingenomen stelling dat [klager] er ‘niet’ van op de hoogte was dat ik tijdens de vergadering aanwezig zou zijn als advocaat-jurist en heden mij en de vennoten wordt verweten.

Graag verzoek ik u op korte termijn een bemiddeling te entameren waarin ik en de (gemachtigde) vennoten van [BS] gehoord wensen te worden over deze klacht die ook de vennoten in hun rechtspositie hebben geraakt en nog zullen raken.”

3.33     Op 18 februari 2025 heeft klager aan verweerster geschreven:

“Nog altijd blijkt u weinig gevoel te hebben voor procedures, gezien de recente correspondentie. De enige valide reden voor u om zich in dit stadium tot mij te wenden lijkt mij, dat u tot inkeer gekomen zou kunnen zijn en uw welgemeende excuses wilt aanbieden. Daarvoor was dan overigens in de afgelopen maanden ruimschoots gelegenheid geweest. U had immers niet hoeven te wachten op het oordeel van de deken. Uit de toon van de bedoelde correspondentie en uw mail aan de Orde van Advocaten blijkt echter niet dat u tot inkeer gekomen bent.

In ieder geval staat in de procedures voor zover mij bekend nergens, dat u mij op uw kantoor kunt ontbieden. Zoals te verwachten was, ziet de deken voor hem geen rol meer in deze procedure nu het dossier wordt overgedragen aan de Raad van Discipline, zoals hij aan u heeft medegedeeld. De klacht betreffende uw functioneren als advocaat is een kwestie tussen u en mij. De vennootschap [BS] staat daar geheel buiten. De door u voorgestelde ‘bemiddeling’ zou in dat opzicht dus niets op kunnen lossen.

(…) De fase van overleg tussen de BEBS en de vof is destijds overigens door uw toedoen op brute wijze beëindigd.

Ik zal dan ook noch op uw mails, noch op het cc verzoek in de mail aan de Orde ingaan. Verdere correspondentie verloopt nu via de Raad van Discipline en rechtstreekse correspondentie van uw zijde zal ik onbeantwoord ter zijde leggen.”

3.34     Op 18 februari 2025 heeft verweerster aan klager geschreven:

“(…) Op 3 november 2023 heb ik 1,5 uur een vergadering bijgewoond van de BEBS, u welbekend. Daarvan is een beperkt inhoudelijk verslag door u/ BEBS opgemaakt, dat in gerechtelijke procedures wordt betwist. Tijdens die vergadering had ik nagenoeg geen rol. Nadien heb ik u nimmer meer ontmoet.

Vanwege de betwisting van de inhoud van die vergadering, verzoek ik u de geluidsopname te overleggen aan mij (en aan betrokken partijen) waaruit zal blijken wat mijn betekenis was en welke afspraken tussen partijen zijn gemaakt.

Op 11 februari 2025 ontvang ik een bericht dat u € 50,- griffierecht aan de orde van Advocaten tijdig heeft betaald. Ik betwist de tijdige betaling van het griffierecht. Ik verzoek u ter zake om vóór een gerechtelijke procedure tot overlegging van het bankafschrift van de betaling van de griffierechten over te gaan door toezending aan bovenvermeld e-mailadres of per aangetekende postzending naar het kantooradres.

U bent ermee bekend dat ik mijzelf op het tableau van de Orde van advocaten heb uitgeschreven en geen advocaat meer ben.

U neemt in diverse procedures diverse stellingen in, zonder deze te onderbouwen met concreet bewijs. U heeft een substantiëringsplicht. Op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ligt de bewijsopdracht bij u. Op grond van artikel 21 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bent u verplicht voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze verplichting wordt tot op heden niet door u/ BEBS nageleefd, de rechter kan daaruit een gevolgtrekking maken.

In uw dossier(s) heb ik veel werkzaamheden moeten verrichten. Indien ik deze tijd aan andere werkzaamheden had kunnen besteden, zouden hier inkomsten tegenover hebben gestaan. Hierdoor is een niet te voorziene hoge kostenpost ontstaan wat tot schade lijdt en nog zal lijden, waarvoor ik u aansprakelijk houdt.

Met verwijzing naar artikel 238 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering kan een vergoeding van proceskosten conform het liquidatietarief worden toegewezen, nu ik een professionele partij ben en waarbij de door mij aan uw dossier(s) bestede tijd niet kan worden besteed aan andere vergelijkbare werkzaamheden en zodoende sprake is van verletkosten. Daarover wil ik een gesprek met u. (…)”

3.35     Op 19 februari 2025 heeft klager daarop gereageerd:

“Van de zijde van de deken van de Orde van Advocaten, hebt u reeds bericht ontvangen dat de deken voor zichzelf geen rol meer ziet in de procedure betreffende de klachtafhandeling van uw dossier, omdat het vervolg via de Raad van Discipline zal verlopen. Ik sluit mij daarbij aan. Zoals ik u al eerder meldde zou ik alleen open staan voor contact waarin u aangeeft tot het inzicht te zijn gekomen, dat uw handelen jegens mij en de BEBS niet toelaatbaar was.

Uw recente brief lijkt bij oppervlakkige lezing geen blijk te geven van een dergelijk inzicht bij u. Voor mij is de bedoelde brief daarom buiten de orde en ik leg hem terzijde. Ik wacht de berichten van de Raad van Discipline verder af.”

3.36     Op 19 februari 2025 heeft verweerster daarop gereageerd:

“Aangezien ik niet nu niet geheel op uw merites kan reageren verzoek ik u om mij de geluidsopname van de desbetreffende vergadering van de BEBS op 3 november 2023 toe te sturen, waaruit zal blijken dat mijn handelswijze ten overstaan van de BEBS ontoelaatbaar is bevonden door de BEBS. Hetgeen u stelt dient u immers juridisch juist met formeel bewijs te staven. Gaarne vernemend om vervolgens een gesprek met u te entameren.”

3.37     Op 20 februari 2025 heeft verweerster daarop aanvullend gereageerd:

“De deken heeft u geantwoord. Op uw verzoek heeft de deken uw klacht doorgestuurd naar de Raad van Discipline.

U weigert uw klachten met bewijs te onderbouwen. Op grond van artikel 21 Rv mag u geen onwaarheden spreken en ook geen relevante informatie achterhouden. Dit zal de rechter u aanrekenen. In de civiele zaak heeft u immers ten overstaan van de rechter verklaard de geluidopname van die vergadering (heimelijk) te hebben opgenomen. U dient naar waarheid te verklaren en het is de taak van de rechter tot waarheidsvinding. Waarom heeft u mij niet direct ná de vergadering of in die maanden daarna, mij op de door u gestelde foute handelswijze aangesproken en met mij daarover een gesprek aangegaan? Dat is de regel in de advocatuur! Daarna verbrak U alle communicatie en daagt u mij naar anderhalf jaar voor de rechter omdat u ontevreden bent? Ik adviseer u met klem om aan uwer zijde een advocaat in te schakelen, nu ik lees en merk dat u de juridische merites niet begrijpt.

Wat is uw doel van de procedure bij de tuchtrechter? Voor de goede orde: ‘ik sta niet meer op het tableau ingeschreven en ik ben geen advocaat meer”. Wat wilt u bereiken?”

3.38     Op 20 februari 2025, 21 februari 2025, 25 februari 2025, 9 maart 2025 hebben 8 bungaloweigenaren, waaronder klager zelf, een verklaring opgesteld waaruit volgt dat verweerster door de dochter tijdens de bespreking van 3 november 2023 is aangekondigd als een vriendin die juridisch onderlegd was en dat verweerster niet kenbaar heeft gemaakt dat zij advocaat is.

3.39     Op 24 februari 2025 heeft verweerster aan klager geschreven:

“Graag ontvang ik van u:

- De geluidsopname van de vergadering met de BEBS te [plaats], op 3 november 2023

- De geluidsopname van de telefoongesprekken tussen u en mij, op 15 januari 2024, waarin u verklaard niets met een advocaat te maken willen hebben.

- Het bankafschrift van het betaalde griffierecht aan de Orde van Advocaten.

U heeft het grondrecht van hoor en wederhoor miskent, waardoor ik schade lijdt en nog zal lijden. Voor die schade houd ik u aansprakelijk. Ik zal een nauwkeurige registratie bijhouden in (onder meer) opgemeld dossier!

U bent inmiddels in gebrek gesteld, u betaald wederom de Parkkosten van Bungalow [BS] over het jaar 2025 niet. Het bedrag dat u voor 25 februari a.s. moet betalen is [€ 1.791,25]. Wij sommeren u het openstaan bedrag van € 1.791,25 per ommegaande na ontvangst van deze brief te betalen (…). Indien u persisteert in uw standpunt dat u geen bespreking met mij wenst, de onderbouwing van uw stellingen met voornoemde bewijsmiddelen niet weet te staven en de Parkkosten van Bungalow [BS] niet voor morgen, zo uiterlijk op 25 februari a.s. betaald, zal een gerechtelijke procedure in gang worden gezet.”

3.40     Op 25 februari 2025 heeft verweerster aan klager geschreven:

“De advocatenwet ziet erop, dat voor een procedure partijen het geschil middels een minnelijke regeling beëindigen. Het is mij op heden niet duidelijk wat uw schade /nadeel is? Indien u een excuus wenst, dan geef ik u deze hierbij vanwege uw begrip voor de ontstane situatie. Indien u zich hiermee niet kunt verenigen, dan ben ik bereid de € 50,-- griffierechten aan u te voldoen, waarop de procedure teneinde is.”

3.41     Op 6 maart 2025 heeft verweerster aan klager een e-mail gestuurd met als onderwerp ‘Aangetekend, smaad laster en belediging, ID!’ waaruit volgt:

“Reeds meerdere malen word ik, cliënten en anderen geconfronteerd met uw negatieve stellingen en uitspraken ten overstaan van advocaten, juristen, rechters, leden van de VvE BEBS, cliënten en enkele eigenaren van een recreatiebungalows in Bungalowpark [BS] te [plaats]. U beledigd mij en anderen. Velen klagen over u.

Middels dit schrijven maak ik u een uitdrukkelijk verwijt vanwege uw beledigingen, smaad en laster die u rondbazuint over mij, cliënten, potentiële cliënten en enkele leden van de VvE BEBS en eigenaren van recreatiebungalow(s) in Bungalowpark [BS] te [plaats]. U roept van alles waar u de inhoud niet van kent. Het vergt aandacht dat uw emoties lijken losgeslagen, de door u verspreide negatieve aandacht is ook negatieve aandacht jegens u.

(…) Ik houd u aansprakelijk voor alle schade jegens mij, mijn onderneming en cliënten die inkomstenderving en schade lijden voor nu en in de toekomst.

Indien u uw beledigingen, smaad en laster niet onmiddellijk staakt zal aangifte bij de politie worden gedaan. Indien u dit bericht niet respecteert en doorgaat met uw negatieve uitlatingen en beledigingen, zal ik juridische stappen ondernemen tegen u. Op voorhand ontvang ik per kerende e-mail uw ID-bewijs zodat ik weet met wie ik te maken heb, zo niet, zal ik de politie opdracht geven om uw identiteit te bevestigen. Vertrouwende u hiermee goed te hebben gewaarschuwd. Sans prejudice!”

3.42     De voormalig patroon van verweerster heeft aan klager in een brief van 30 maart 2025 (onder andere) facturen overgelegd van C aan de v.o.f.. In een factuur van 7 november 2023 heeft verweerster aan de v.o.f. uren in rekening gebracht over de periode 1 oktober 2023 tot en met 31 oktober 2023. Uit de specificatie blijkt dat de werkzaamheden die verweerster in deze periode voor de v.o.f. heeft verricht onder andere betrekking hadden op de bepaling van de erfgrenzen. Verweerster heeft vervolgens in een factuur van 3 januari 2024 haar uren over de periode tot en met 3 januari 2024 in rekening gebracht bij de v.o.f.

3.43     In een beslissing op bezwaar van 15 mei 2025 heeft de Nederlandse Orde van Advocaten het bezwaar van verweerster tegen het besluit dat verweerster ambtshalve van het tableau wordt geschrapt met ingang van 31 december 2024 gegrond verklaard. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft daartoe overwogen dat verweerster bij haar uitschrijving van het tableau op 27 augustus 2024 het tijdvak van drie jaar, bedoeld in artikel 8c, lid 1 sub c, Advocatenwet heeft onderbroken, zodat er na de uitschrijving van verweerster nog zes weken en drie dagen resteerden. De ambtshalve schrapping is om die reden niet op goede gronden genomen. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft daarom het besluit van 30 oktober 2024 tot ambtshalve schrapping ingetrokken. 

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. 

a) Verweerster heeft onduidelijkheid laten bestaan over haar hoedanigheid van advocaat;

b) Verweerster heeft niet gehandeld zoals een advocaat betaamd, doordat zij (…) heeft getracht klager onder druk te zetten met dreigementen (…). 

5    BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel a) 5.1    De raad heeft klachtonderdeel a) gegrond verklaard. De raad heeft daartoe overwogen dat duidelijk was dat de bespreking van 3 november 2023 niet zou doorgaan als de v.o.f. een advocaat zou meenemen. Verweerster is daarop aangekondigd als ‘adviseuse die juridisch onderlegd is’. Niet gebleken is dat er discussie is ontstaan omdat aan de zijde van de v.o.f. tóch een advocaat was meegekomen. Daarbij hebben de mede-aanwezigen aan de zijde van de belangenvereniging verklaard dat verweerster tijdens de bespreking niet kenbaar heeft gemaakt dat zij advocaat was. De verklaring van de dochter doet daar geen afbreuk aan, omdat zij alleen maar heeft gesteld dat verweerster zich ‘niet heeft gepresenteerd als juridisch onderlegde vriendin’. Verweerster heeft vervolgens op 15 januari 2024 aan klager geschreven: ‘Tot mij wendde zich de heer en mevrouw [S] van [BS]. Namens de vennootschap zal ik de belangen behartigen inzake het bungalowpark [S]’. Dergelijke bewoordingen zijn in de advocatuur gebruikelijk als een advocaat voor het eerst de wederpartij aanschrijft en zich daarbij stelt als advocaat. Als verweerster tijdens de bespreking op 3 november 2024 al kenbaar had gemaakt dat zij advocaat van de v.o.f. was, lag het voor de hand dat zij deze bewoordingen niet had gebruikt. Daar komt bij dat klager direct daarop heeft gereageerd zich misleid te voelen en dat verweerster de bespreking onder valse voorwendselen heeft geïnfiltreerd. Bezien in het licht van de e-mailwisseling van 2 november 2023 kan dat niet anders worden uitgelegd dan dat het klager tot dat moment niet duidelijk was dat verweerster advocaat was. Ook de reactie daarop van verweerster, waarin zij verklaart te zijn ‘aangekondigd ter zake juridische ondersteuning’ wijst in de richting dat verweerster niet nadrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij advocaat was. 

5.2    Het voorgaande in samenhang bezien, heeft de raad tot de conclusie geleid dat verweerster tijdens de bespreking op 3 november 2023 niet kenbaar heeft gemaakt dat zij daar als advocaat aanwezig was. 

Klachtonderdeel b) 5.3    De raad heeft klachtonderdeel b) gegrond verklaard, voor zover verweerster is verweten dat zij klager onder druk heeft gezet. De raad heeft uit de toelichting van klager opgemaakt dat zijn verwijt dat verweerster hem met dreigementen onder druk heeft gezet, betrekking heeft op zowel verweersters opmerking dat hem kosten in rekening zullen worden gebracht als hij met het [C]e-mailadres zou blijven corresponderen, als haar aankondiging van schadevergoedingsprocedures na kort gedingen in oktober en november 2024 over het park. 

5.4    Verweerster heeft ter zitting van de raad toegelicht dat zij klager wilde waarschuwen geen nodeloze e-mails te sturen, maar heeft desgevraagd niet kunnen aangeven welke grondslag zij meende te hebben om kosten daarvoor in rekening te kunnen brengen bij klager - de wederpartij. Die is er wat de raad betreft ook niet. Verweerster heeft naar het oordeel van de raad op ontoelaatbare wijze gehandeld tegenover klager door te dreigen met het in rekening brengen van kosten omdat hij met haar wilde corresponderen. 

5.5    Wat betreft het aankondigen van schadevergoedingsprocedures na de kort gedingen in oktober en november 2024, stelt de raad vast dat dit heeft plaatsgevonden nadat verweerster zich als advocaat had laten uitschrijven. Zij was op dat moment dus niet meer aan het tuchtrecht onderworpen. 

De maatregel 5.6    Verweerster heeft er onvoldoende voor gezorgd dat er geen misverstand bestond over de hoedanigheid waarin zij handelde. Ook heeft zij onbetamelijk gehandeld richting klager door hem kosten in rekening te willen brengen als hij e-mails aan het niet gewenste e-mailadres zou sturen. 

5.7    Deze tuchtrechtelijk verwijtbare gedragingen leveren naar het oordeel van de raad op zichzelf niet een zodanige afbreuk aan het vertrouwen in de advocatuur op, dat dit zou moeten leiden tot een zware maatregel. Gelet op de wijze waarop verweerster heeft gereageerd in deze klachtprocedure, is bij de raad echter de vraag gerezen of verweerster geschikt is het beroep van advocaat uit te oefenen. De raad weegt daarbij de gedragingen van verweerster van na haar uitschrijving als advocaat mee in de beantwoording van die vraag. Deze gedragingen vonden namelijk plaats in het kader van een tuchtrechtelijke procedure over verweersters handelen toen zij nog wél advocaat was, zodat er voldoende verband is met de toenmalige beroepsuitoefening. 

5.8    De raad heeft overwogen dat verweerster in haar verweer heeft gesteld dat haar patroon op de hoogte was van de wijze waarop zij de v.o.f. bijstond en van het gebruik van het e-mailadres info@[e].nl. Uit de verklaring van de voormalig patroon blijkt dat dit niet juist is. De patroon was niet op de hoogte van de zaak en heeft verweerster juist gewaarschuwd dat zij info@[e].nl niet meer mocht gebruiken. Dit laatste heeft mede geleid tot het ontslag op staande voet van verweerster. Verweerster heeft dus herhaaldelijk gelogen tegen de deken en de tuchtrechter. Dat geeft er naar het oordeel van de raad blijk van dat verweerster onvoldoende integer is om het beroep van advocaat uit te oefenen. 

5.9    Verweerster heeft verder ook herhaald in twijfel getrokken of klager het griffierecht wel tijdig had betaald en heeft hem gesommeerd een betalingsbewijs te overleggen terwijl de deken al had bevestigd dat klager het griffierecht had voldaan. Verweerster had op die bevestiging van de deken moeten vertrouwen. 

5.10     Daarnaast heeft verweerster er volgens de raad voortdurend blijk van gegeven onvoldoende afhankelijk ten opzichte van haar cliënten te kunnen handelen. Uit de berichten van februari 2025 maakt de raad op dat verweerster geen onderscheid kan maken tussen deze tuchtklacht en de belangen die zij behartigt voor de v.o.f. Door beide zaken niet gescheiden te kunnen houden, heeft de raad grote vraagtekens of verweerster wel in staat is voldoende afstand en onafhankelijkheid ten opzichte van een cliënt te bewaren bij de behandeling van een zaak. 

5.11     Stuitend acht de raad het tot slot dat verweerster klager zelfs aansprakelijk heeft gesteld voor schade als gevolg van deze tuchtrechtelijke procedure en ongemotiveerd dreigt met het doen van aangifte tegen hem, waarbij zij zelfs zonder enige grondslag een kopie van zijn legitimatiebewijs vordert onder dreiging van inschakeling van de politie. Een advocaat dient zich te onthouden van het belemmeren van de laagdrempelige toegang tot de tuchtrechter. Het dreigen met aangifte of een aansprakelijkstelling jegens een klagende partij ondermijnt de werking van het tuchtrecht. 

5.12     De raad is tot de conclusie gekomen dat verweerster niet geschikt is om advocaat te zijn. Hoewel verweerster al op eigen verzoek en ook door de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten van het tableau is geschrapt, heeft de raad toch noodzaak gezien om gelet op deze omstandigheden de maatregel van schrapping op te leggen. 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerster

Klachtonderdeel a) 6.1    Verweerster acht de klacht van klager evident ongegrond. Verweerster stelt dat zij op vrijwillige basis, buiten werktijd en buiten dienstverband, heeft deelgenomen aan de bespreking op 3 november 2023. Dat levert volgens verweerster geen beroepsmatig handelen op in de zin van de Advocatenwet. De klacht valt volgens verweerster dan ook buiten de reikwijdte van het tuchtrecht en moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. 

6.2    Verweerster voert aan dat zij niet bekend was met de inhoud van de e-mail van klager van 2 november 2023, waarin hij schreef dat de bespreking geen doorgang zou vinden als de v.o.f. een advocaat zou meenemen. Verweerster is door de v.o.f. aangekondigd en was aanwezig op verzoek van [S]. Volgens verweerster was klager wel degelijk op de hoogte van de hoedanigheid van verweerster, aangezien klager vooraf door [S] is geïnformeerd over haar komst en klager daarbij wist dat zij advocaat was. Verweerster is daarbij alleen als toehoorder opgetreden. Op 3 november 2023 bestond nog geen opdrachtrelatie tussen het advocatenkantoor en de v.o.f.. Er was dus geen sprake van beroepsmatig optreden, zodat de gedragsregels en de Voda in zoverre niet van toepassing waren. Verweerster is pas vanaf 15 januari 2024 als advocaat voor de v.o.f. gaan optreden. Dat verweerster meerdere e-mailadressen heeft gebruikt in de correspondentie met klager is gebaseerd op praktische omstandigheden en de medische situatie van de vennoten van de v.o.f. Van onduidelijkheid of verwarring over de hoedanigheid van verweerster is als gevolg daarvan geen sprake geweest. Verweerster stelt zich steeds als advocaat te hebben gepositioneerd en te hebben gehandeld binnen de grenzen van de gedragsregels. Verweerster handelde transparant op verzoek van v.o.f. en haar gedragingen zijn volledig in lijn met de gedragsregels. Daartegenover heeft klager zijn stellingen niet onderbouwd met de geluidsopname van de vergadering op 3 november 2023.

Klachtonderdeel b) 6.3    Verweerster betwist dat zij klager onder druk heeft gezet en gedreigd heeft met kosten. Het oordeel van de raad over het onder druk zetten ziet volgens verweerster op de onderliggende civielrechtelijke kwestie tussen de belangenvereniging en de v.o.f. Het is niet aan de tuchtrechter daarover te oordelen. Klager heeft herhaaldelijk contact gezocht met verweerster via verschillende e-mailadressen. Deze berichten waren talrijk en onduidelijk, terwijl het verweerster niet bekend was of de berichten afkomstig waren van klager als privépersoon of als voorzitter van de belangenvereniging. Klager heeft daarom zelf verwarring veroorzaakt. Verweerster heeft klager op enig moment gewaarschuwd dat het aanhoudend versturen van berichten buiten een contractuele relatie om als onrechtmatig kan worden beschouwd en kan leiden tot schadevergoeding. Deze waarschuwing was geen dreigement maar een zakelijk en juridisch juiste constatering. Verweerster had als advocaat het recht zich te beschermen tegen stelselmatige en ongewenste communicatie. 

Schending procesorde 6.4    Verweerster stelt dat de raad buiten de grenzen van de klacht is getreden, door de arbeidsrechtelijke context in de overwegingen te betrekken. Verweerster heeft zich tegen deze arbeidsrechtelijke verwijten niet kunnen verweren. 

6.5    Verweerster bestrijdt verder dat zij tegenover de deken of de tuchtrechter heeft gelogen. Verweerster stelt dat juist klager in een civielrechtelijke procedure heeft gelogen. Volgens verweerster berusten de verklaringen en de klacht van klager op aantoonbaar onware beweringen waarmee sprake is van bewuste misleiding van de civiele rechter en de tuchtrechter. Verweerster acht in dat verband opmerkelijk dat klager weigert de geluidsopname van de bespreking van 3 november 2023 in het geding te brengen. Verweerster verzoekt het hof klager te bevelen deze opname alsnog te overleggen. 

6.6    Verweerster voert aan dat de deken de klacht van klager zonder verweerster te horen heeft doorgestuurd naar de raad. Volgens verweerster is dit in strijd met artikel 46c lid 4 Advocatenwet, artikel 6 EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en behoorlijke tuchtprocesvoering. 

6.7    Volgens verweerster hebben de deken en de raad geen eerlijk en onpartijdig proces gevoerd. De deken en de raad hebben geoordeeld op basis van een ondeugdelijk en onvolledig dossier. Verweerster wijst er daarbij op dat zij sinds 7 maart 2024 is uitgeschreven als advocaat, zodat de tuchtrechtelijke grondslag voor gedragingen na deze datum ontbreekt. Volgens verweerster is de deken op meerdere punten tekortgeschoten in de klachtbehandeling. In verband daarmee heeft verweerster inmiddels een klacht tegen de deken ingediend. 

6.8    Verweerster hecht er aan op te merken dat zij niet van het tableau is geschrapt vanwege enig verwijtbaar handelen. Zij heeft zich op eigen initiatief uitgeschreven. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft het bezwaar tegen de ambtshalve schrapping van verweerster gegrond verklaard. Het oordeel van de raad dat verweerster geschrapt is, is dus onjuist. 

De maatregel 6.9     Verweerster komt op tegen het oordeel van de raad dat zij niet geschikt zou zijn het beroep van advocaat uit te oefenen. De maatregel is volgens verweerster gebaseerd op gedrag dat plaatsvond buiten de hoedanigheid van advocaat en heeft betrekking op een periode waarin verweerster niet werkzaam was als advocaat. Verweerster heeft in haar vrije tijd met toestemming van haar patroon deelgenomen aan de bespreking op 3 november 2023. Er was geen sprake van opdracht of optreden namens een cliënt, zodat haar handelen niet onder artikel 46 Advocatenwet valt. Verweerster voert aan dat de geschiktheid om advocaat te zijn moet worden beoordeeld aan de hand van het naleven van de kernwaarden van de advocatuur. Volgens verweerster heeft zij de kernwaarden altijd nageleefd. 

6.10     Verweerster voert aan dat haar arbeidsovereenkomst en stageovereenkomst bij [C] op 7 maart 2024 zijn beëindigd zonder goedkeuring door de Raad van Orde. Daarmee is de beëindiging niet rechtsgeldig. De raad mocht deze onregelmatige beëindiging niet als grondslag gebruiken voor een oordeel over tekortschieten door verweerster. 

6.11     Verweerster stelt dat zij niet het vertrouwen van de deken heeft geschonden, maar dat het optreden van de deken heeft geleid tot een fundamentele schending van het beginsel van hoor en wederhoor. 

6.12     Verweerster betwist dat zij structureel onvoldoende afstand zou kunnen bewaren tot haar cliënten. Dat verweerster zich in juridische context solidair heeft getoond met de standpunten van haar cliënten, maakt niet dat zij haar professionele oordeelsvermogen heeft verloren. 

6.13     Voor zover de raad heeft meegewogen dat verweerster klager aansprakelijk heeft gesteld, aangifte tegen hem heeft gedaan en zijn legitimatiebewijs heeft gevorderd, voert verweerster aan dat deze gedragingen hebben plaatsgevonden op het moment dat zij geen advocaat meer was. Er is daarom geen grondslag voor tuchtrechtelijke toetsing. 

Proceskosten 6.14     Verweerster stelt dat zij zich in redelijkheid en naar beste vermogen heeft verzet tegen de klachten. De proceskosten zijn het gevolg van omstandigheden die buiten de invloedssfeer van verweerster lagen. De totale kostenveroordeling is bovendien niet in verhouding tot de ernst van de vermeende gedraging en de uiteindelijke uitkomst van de procedure. 

Verweer klager

6.15     Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Overwegingen hof

Schending van de procesorde

7.2    Verweerster heeft aangevoerd dat de raad buiten de grenzen van de klacht is getreden door de ‘arbeidsrechtelijke context’ in de overwegingen te betrekken. Het hof constateert dat de raad de verklaringen van de voormalig patroon van verweerster, met wie zij in een arbeidsrechtelijk conflict is beland, mede ten grondslag heeft gelegd aan de motivering van de maatregel, en niet aan de gegrondverklaring van de klacht. De beroepsgrond van verweerster dat de raad buiten de grenzen van de klacht is getreden slaagt dan ook niet. Bij het vaststellen van een maatregel die passend en geboden is dient de tuchtrechter (mede) uit te gaan van feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing en niet alleen van de feiten en omstandigheden ten tijde van het handelen of nalaten dat ten grondslag ligt aan de klacht. Het staat de tuchtrechter dus vrij feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen die niet ten grondslag liggen aan de gegrondverklaring van een klacht om te komen tot een passende maatregel. Of en in hoeverre het hof de arbeidsrechtelijke context van belang acht bij de oplegging van een maatregel komt hierna aan de orde. (HvD 12 januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:7.)

7.3    Verweerster heeft verder aangevoerd dat de deken de klacht van klager naar de raad heeft doorgestuurd zonder verweerster te horen. Het hof volgt verweerster hierin niet. De deken heeft verweerster op 14 augustus 2024 in de gelegenheid gesteld te reageren op de klacht van klager. Verweerster heeft op 25 september 2024 verweer gevoerd. Klager heeft vervolgens op 19 oktober 2024 in repliek gereageerd en verweerster heeft op 5 november 2024 in dupliek gereageerd. Van schending van hoor en wederhoor door de deken is dan ook geen sprake. Anders dan verweerster stelt, was de deken niet verplicht verweerster samen met klager uit te nodigen voor een gesprek.

7.4    Verweerster stelt zich op het standpunt dat de deken en de raad geen eerlijk en onpartijdig proces hebben gevoerd. Verweerster wijst er daarbij op dat de tuchtrechtelijke grondslag voor gedragingen na 7 maart 2024 ontbreekt, omdat zij vanaf die datum is uitgeschreven als advocaat. Het hof volgt verweerster hierin niet. Het hof stelt voorop dat verweerster weliswaar op 7 maart 2024 als advocaat bij C is gestopt, maar dat zij zich pas op 27 augustus 2024 als advocaat heeft laten uitschrijven. Bovendien vonden de gedragingen die verweerster worden verweten ten aanzien van zowel klachtonderdeel a) als het aan orde zijnde gedeelte van klachtonderdeel b) plaats vóór de uitschrijving van verweerster, namelijk in november 2023 (klachtonderdeel a) en februari 2024 (klachtonderdeel b). 

7.5    Verweerster heeft in het kader van haar betoog dat de raad de goede procesorde heeft geschonden tot slot aangevoerd dat de raad ten onrechte heeft overwogen dat verweerster door de Nederlandse Orde van Advocaten van het tableau is geschrapt op grond van artikel 8c lid 1, aanhef en onder c, Advocatenwet. Het hof overweegt dat het bezwaar van verweerster tegen het besluit van de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten van 30 oktober 2024 in een beslissing van 15 mei 2025 – na de zitting bij de raad – gegrond is verklaard en dat de ambtshalve schrapping is ingetrokken. Het hof heeft deze beslissing onder de feiten (in rechtsoverweging 3.43) vermeld, zodat verweerster in hoger beroep geen belang meer heeft bij deze beroepsgrond. 

Klachtonderdeel a): verwarring over hoedanigheid

7.6    Klachtonderdeel a) houdt in dat verweerster tijdens de bespreking van 3 november 2023 onduidelijkheid heeft laten bestaan over haar hoedanigheid van advocaat. Bij de beoordeling dient als uitgangspunt te gelden dat de advocaat in zijn contacten met derden misverstand dient te vermijden over de hoedanigheid waarin hij in de gegeven situatie optreedt (gedragsregel 9 lid 1). Het hof is met de raad van oordeel dat verweerster tijdens de bespreking van 3 november 2023 onduidelijkheid heeft laten bestaan over haar hoedanigheid als advocaat, zodat dit klachtonderdeel gegrond is. Het hof sluit zich in zoverre aan bij de overwegingen van de raad en neemt die overwegingen over. Het hof voegt daaraan toe dat verweerster gedurende deze gehele tuchtrechtelijke procedure, tot en met de zitting in hoger beroep, wisselende standpunten heeft ingenomen ten aanzien van de vraag of zij zich tijdens de bespreking op 3 november 2023 kenbaar heeft gemaakt als advocaat. Het hof komt daarop terug bij de motivering van de maatregel. 

Klachtonderdeel b): onder druk zetten met dreigementen

7.7    Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de opmerking van verweerster dat aan klager kosten in rekening zullen worden gebracht als hij met het [C]e-mailadres zou blijven corresponderen. Ten aanzien van dit klachtonderdeel ziet het hof op basis van de beroepsgronden, die een herhaling van de eerder door verweerster ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van het klachtonderdeel te komen dan die van de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad dat verweerster op ontoelaatbare wijze heeft gehandeld tegenover klager door te dreigen met het in rekening brengen van kosten omdat hij met haar wilde corresponderen. Het hof neemt die beslissing over. 

Slotsom

7.8    Het hof concludeert dat de klachtonderdelen a) en b), voor wat betreft het in hoger beroep aan de orde zijnde gedeelte met betrekking tot het onder druk zetten met dreigementen, gegrond zijn. 

8    MAATREGEL

8.1    Ook in hoger beroep komt het hof tot het oordeel dat verweerster er onvoldoende voor heeft gezorgd dat er geen misverstand bestond over de hoedanigheid waarin zij handelde. Ook heeft verweerster onbetamelijk gehandeld richting klager door hem kosten in rekening te willen brengen als hij e-mails aan het door verweerster niet gewenste e-mailadres zou sturen. 

8.2    Met de raad is het hof van oordeel dat deze tuchtrechtelijke gedragingen op zichzelf niet zodanige afbreuk aan het vertrouwen in de advocatuur opleveren dat dit zou moeten leiden tot een zware maatregel. Gelet op de wijze waarop verweerster heeft gereageerd in deze klachtprocedure, is echter ook bij het hof de vraag gerezen of verweerster geschikt is om het beroep van advocaat uit te oefenen. Net als de raad is het hof van oordeel dat bij het bepalen van de hoogte van de maatregel de gedragingen van verweerster van na haar uitschrijving als advocaat dienen te worden betrokken, omdat er voldoende verband bestaat tussen deze gedragingen, de onderhavige klachten en de toenmalige beroepsuitoefening door verweerster. 

8.3    Verweerster heeft vanaf de start van de klachtprocedure tot en met de zitting in hoger beroep wisselend verklaard over de vraag of zij zich tijdens de bespreking op 3 november 2023 wel of niet kenbaar heeft gemaakt als advocaat. In haar verweerschrift aan de deken schreef verweerster dat zij expliciet heeft vermeld dat zij advocaat was en dat de vennoten haar voorafgaand aan de bespreking ook hebben aangekondigd als advocaat. Volgens verweerster ‘kon het klager niet zijn ontgaan dat zij advocaat is en dit 24 uur per dag is’. Ook op de zitting bij de raad heeft verweerster verklaard dat zij zich kenbaar heeft gemaakt als advocaat en dat klager de dag voor de bespreking ervan op de hoogte was dat er een advocaat aanwezig zou zijn. Verweerster verklaarde verder dat zij het goed wilde doen voor haar ‘cliënten’. Deze stellingen suggereren dat verweerster tijdens de bespreking op 3 november 2023 als advocaat van de v.o.f. - haar ‘cliënten’ - optrad en zich ook als zodanig kenbaar heeft gemaakt. Verweerster heeft vervolgens echter in haar beroepschrift geschreven dat zij ‘op vrijwillige basis’ deelnam aan de vergadering ‘buiten haar werktijd en buiten haar dienstverband bij C’. Volgens verweerster leverde haar aanwezigheid dus geen beroepsmatig handelen op in de zin van de Advocatenwet. Verweerster schreef verder dat er op 3 november 2023 nog geen opdrachtrelatie bestond tussen C en de v.o.f. zodat er geen sprake was van beroepsmatig optreden en de gedragsregels niet van toepassing waren. Dat standpunt strookt niet met het eerdere standpunt van verweerster dat zij als advocaat aanwezig was en dat zij ’24 uur per dag advocaat is’. Bovendien heeft klager een urenverantwoording in het geding gebracht waaruit blijkt dat verweerster op 3 november 2023 de hele dag gewerkt heeft (zie rechtsoverweging 3.7), wat niet overeenkomt met haar standpunt dat zij op vrijwillige basis en buiten diensttijd deelnam aan de vergadering. Verder heeft klager facturen overgelegd waaruit blijkt dat verweerster al in oktober 2023 werkzaam was voor de v.o.f. (zie rechtsoverweging 3.42), wat niet valt te rijmen met haar standpunt dat de v.o.f. pas vanaf 15 januari 2024 haar cliënt is geworden. Verweerster verklaarde daarbij ter zitting van de raad nog dat zij het op 3 november 2023 goed wilde doen voor ‘haar cliënten’, waarmee zij doelde op de vennoten van de v.o.f. Verweerster schreef vervolgens in haar beroepschrift dat zij slechts aanwezig was als toehoorder en dat zij ook niet de indruk heeft gewekt dat zij een andere hoedanigheid had. Dit terwijl verweerster in de procedure bij de raad nog verklaarde dat zij zich ‘zeker’ als advocaat gepresenteerd heeft. Vervolgens heeft (de gemachtigde van) verweerster tijdens het onderzoek ter zitting bij het hof verklaard dat verweerster zich wel heeft geïdentificeerd als advocaat maar dat zij niet in de hoedanigheid van advocaat optrad maar in die van jurist. Verweerster zou zich ‘nadrukkelijker hebben voorgesteld’ als ze wist dat er discussie bestond over de aanwezigheid van een advocaat. Verder heeft verweerster haar stelling, dat de gedragsregels tijdens de bespreking op 3 november 2023 niet op haar van toepassing waren, tijdens het onderzoek ter zitting bij het hof weer ingetrokken, nadat de voorzitter haar voorhield dat zij in het hoger beroepschrift ook de stelling innam dat zij zich steeds als advocaat gepositioneerd heeft en handelde binnen de gedragsregels. Vervolgens verklaarde verweerster tijdens het onderzoek ter zitting bij het hof dat zij zich als advocaat heeft voorgesteld tijdens de bespreking en dat zij heeft gezegd dat zij als toehoorder aanwezig zou zijn. Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat verweerster bij voortduring wisselende standpunten heeft ingenomen en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd tegenover de tuchtrechter. Het hof rekent dit verweerster aan. 

8.4    Ook ten aanzien van het gebruik van verschillende e-mailadressen heeft verweerster verklaringen afgelegd die niet vallen te rijmen met de stukken die zich in het dossier bevinden. Verweerster heeft steeds gesteld dat haar patroon het goed vond dat verweerster het e-mailadres info@[e].nl gebruikte en heeft tijdens het onderzoek ter zitting bij het hof nog verklaard dat dit e-mailadres ook door het kantoor werd gebruikt. In het dossier bevindt zich echter een e-mail van de patroon van verweerster waarin de patroon verweerster al op 20 november 2023 nadrukkelijk waarschuwt haar eigen e-mailadres, info@[e].nl, niet meer te gebruiken (zie rechtsoverweging 3.8). De patroon schrijft dat zij verweerster hier nooit toestemming voor heeft gegeven en dat zij vanaf dat moment streng gaat controleren op het gebruik van het e-mailadres. Deze e-mail dateert van ruim voor het ontslag van verweerster en de daaruit voortvloeiende arbeidsrechtelijke procedure. Gelet hierop kan het hof niet anders concluderen dan dat verweerster op dit punt steeds in strijd met de waarheid heeft verklaard tegenover de deken en de tuchtrechter. 

8.5    Het hof neemt verder in aanmerking dat verweerster herhaald in twijfel heeft getrokken dat het griffierecht was betaald door klager en dat zij hem zelfs gesommeerd heeft een betalingsbewijs te overleggen, terwijl de deken al bevestigd had dat klager het griffierecht betaald had. Verweerster had op die bevestiging moeten vertrouwen, zoals dat ook van advocaten onderling - en zeker richting de deken - wordt verwacht. 

8.6    Het hof is verder met de raad van oordeel dat verweerster er onvoldoende blijk van heeft gegeven onafhankelijk ten opzichte van haar cliënten te kunnen handelen. Zo schreef verweerster op 15 februari 2025 naar aanleiding van de tuchtklacht van klager dat zij een bemiddeling wil entameren waarin zij en de vennoten gehoord wensen te worden over de klacht. Verder blijkt uit het bericht van verweerster van 24 februari 2025 dat verweerster geen onderscheid kan maken tussen de tuchtklacht en de belangen die zij voor de v.o.f. behartigt. In deze e-mail wisselt zij de tuchtprocedure af met de zaak van de v.o.f. en verwijt zij klager dat zowel zijzelf als de v.o.f. daardoor schade lijdt die klager zal dienen te vergoeden. Door deze zaken niet gescheiden te kunnen houden, heeft (ook) het hof grote vraagtekens of verweerster in staat is voldoende afstand en onafhankelijkheid ten opzichte van een cliënt te bewaren bij de behandeling van een zaak. 

8.7    Met de raad acht het hof het tot slot stuitend dat verweerster klager aansprakelijk heeft gesteld voor schade als gevolg van deze tuchtrechtelijke procedure en daarbij ongemotiveerd heeft gedreigd aangifte tegen klager te doen, waarbij verweerster van klager zonder enige grondslag een kopie van zijn ID-bewijs heeft gevorderd onder dreiging van inschakeling van de politie. Door een klagende partij aansprakelijk te stellen voor schade die wordt geleden door een ingediende tuchtklacht, ondermijnt zij de werking van het tuchtrecht. Een advocaat dient zich daarvan te onthouden. 

8.8    Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat verweerster niet geschikt is het beroep van advocaat uit te oefenen. Verweerster heeft consequent laten zien onvoldoende te begrijpen wat de kernwaarden voor de advocatuur inhouden en heeft zelfs de toepassing van het tuchtrecht belemmerd en ondermijnd, door te liegen tegenover de deken en de tuchtrechter en door klager aansprakelijk te stellen vanwege de door hem ingediende tuchtklacht. In het licht van het voorgaande acht het hof het net als de raad niet verantwoord dat verweerster de praktijk als advocaat uitoefent. Het hof is dan ook van oordeel dat schrapping van het tableau de enige passende en geboden maatregel is. 

8.9     De slotsom is dat het beroep faalt en dat de oplegging van de maatregel tot schrapping van het tableau in stand blijft.

9    PROCESKOSTEN

9.1     Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerster op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                    a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);  b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; c) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2     Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

9.3     Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

 

10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1    bekrachtigt de beslissing van 10 juni 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-131/DB/LI, voor zover voorgelegd aan het hof;

10.2    veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.3     veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K. Teuben , M.S.A. van Dam, Chr. H. van Dijk en P.J.G. van den Boom leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 10 april 2026.