Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:106
Zaaknummer
250311D
Inhoudsindicatie
De deken heeft een dekenbezwaar ingediend tegen verweerster. De raad heeft bij tussenbeslissing een vooronderzoek gelast. De raad verklaart het dekenbezwaar gegrond en legt aan verweerster de maatregel van schrapping op. In hoger beroep oordeelt het hof dat de resultaten van het vooronderzoek deels niet als juist kunnen worden aanvaard, omdat deze niet berusten op een deugdelijke grondslag. Een deel van bevindingen van het vooronderzoek zijn slechts summier vastgelegd en een deel in het geheel niet. Van verweerster kan niet worden verlangd bevindingen die summier zijn onderbouwd met bewijs en bevindingen die in het geheel niet zijn vastgelegd te weerleggen. Het hof komt tot het oordeel dat het dossierbeheer en de dossieradministratie van verweerster tekortschieten en dat er tekortkomingen zijn ten aanzien van de waarneming, de naamgeving, de klachtenregeling en de privacyverklaring. Mede gelet op het tuchtrechtelijke verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken passend en geboden.
Uitspraak
Beslissing van 10 april 2026 in de zaak 250311D
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerster
gemachtigde: mr. R. Sanders, advocaat te Leiden
tegen:
de deken
1 INLEIDING
1.1 De deken heeft een dekenbezwaar ingediend tegen verweerster. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft bij tussenbeslissing een vooronderzoek gelast. De raad verklaart het dekenbezwaar gegrond en legt aan verweerster de maatregel van schrapping op. In hoger beroep oordeelt het hof dat de resultaten van het vooronderzoek deels niet als juist kunnen worden aanvaard, omdat deze niet berusten op een deugdelijke grondslag. Een deel van bevindingen van het vooronderzoek zijn slechts summier vastgelegd en een deel in het geheel niet. Van verweerster kan niet worden verlangd bevindingen die summier zijn onderbouwd met bewijs en bevindingen die in het geheel niet zijn vastgelegd te weerleggen. Het hof komt tot het oordeel dat het dossierbeheer en de dossieradministratie tekortschieten en dat er tekortkomingen zijn ten aanzien van de waarneming, de naamgeving, de klachtenregeling en de privacyverklaring. Mede gelet op het tuchtrechtelijke verleden acht het hof een onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken passend en geboden.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen de deken en verweerster (zaaknummer: 24-201/DH/RO/D) een tussenbeslissing gewezen op 23 december 2024. In deze tussenbeslissing heeft de raad een vooronderzoek gelast als bedoeld in artikel 46l van de Advocatenwet en de omvang daarvan bepaald zoals weergegeven in overweging 5.4 van de tussenbeslissing. Vervolgens heeft de raad een eindbeslissing gewezen op 11 augustus 2025. In deze beslissing is het dekenbezwaar gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van schrapping opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van proceskosten.
2.2 Deze beslissingen zijn onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:226 en ECLI:NL:TADRSGR:2025:162 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 9 september 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van de deken, - de e-mail van 26 januari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 13 februari 2026. Daar zijn verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, de deken Rotterdam, bijgestaan door een stafmedewerker, en de deken Den Haag, in haar hoedanigheid van vooronderzoeker, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Verweerster is op 19 september 2003 beëdigd als advocaat en heeft op 5 april 2007 haar stageverklaring ontvangen.
Tuchtrechtelijk verleden 3.3 Bij beslissing van 20 augustus 2018 (ECLI:NL:TAHVD:2018:142, zaaknummer 180079) heeft het hof de maatregel van een berisping opgelegd aan verweerster. Daartoe heeft het hof overwogen:
“5.3 Anders dan de raad acht het hof de klachtonderdelen a) en b) volledig gegrond. De advocaat van een partij die wordt geconfronteerd met een derdenbeslag dat hij onjuist acht, kan niet zelf beslissen dat het beslag geen doel treft ('niet kleeft'). Hij dient zich te wenden tot de (advocaat van de) beslaglegger om in overleg met deze de (on)juistheid van het beslag vast te stellen. Leidt dat overleg niet tot overeenstemming, dan kan de advocaat daarover een procedure aanhangig maken jegens de beslaglegger. De derdebeslagene staat hierbuiten. Hij dient slechts te verklaren wat hij van de schuldenaar te vorderen heeft, dan wel welke aan de schuldenaar toebehorende zaken hij onder zich houdt, en de verdere instructies van de deurwaarder af te wachten. Verweerster had zich derhalve moeten verstaan met de advocaat van F B.V. in plaats van met klaagster. Verweerster heeft bovendien de belangen van klaagster, die als derde buiten het geschil tussen de stichting en F B.V. stond, veronachtzaamd door klaagster er herhaald en in dwingende bewoordingen toe aan te zetten de eerder afgelegde derdenverklaring te herroepen en de beslagen goederen vrij te geven, zonder klaagster te wijzen op de risico’s die dat voor klaagster zou meebrengen, waaronder aansprakelijkstelling door F B.V. en strafrechtelijke vervolging wegens het aan het beslag onttrekken van de zaken. Deze risico’s hebben zich deels ook gemanifesteerd, nu klaagster door F B.V. in een procedure is betrokken en daarvoor kosten heeft moeten maken, waarbij die procedure pas is geroyeerd nadat tussen F B.V. en de stichting een schikking was bereikt.
Dat de correspondentie die verweerster met klaagster heeft gevoerd slechts betrekking had op de enige (niet beslagen) container, zoals verweerster ter zitting heeft gesteld, leest het hof niet in de correspondentie die zich in het dossier bevindt. De correspondentie gaat over alle containers die klaagster voor de stichting in opslag had.
5.4 Nu het hof beide klachtonderdelen volledig gegrond acht, en het handelen van verweerster ernstig verwijtbaar acht, is een zwaardere maatregel dan door de raad opgelegd aangewezen. Het hof zal de beslissing waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen, de klachtonderdelen a) en b) alsnog volledig gegrond verklaren en aan verweerster de maatregel van berisping opleggen.”
3.4 Bij beslissing van 25 januari 2021 (ECLI:NL:TADRSGR:2021:33, zaaknummer 20-760/DH/RO) heeft de raad aan verweerster een voorwaardelijke schorsing opgelegd van twee weken met een proeftijd van twee jaar. Daartoe heeft de raad overwogen:
“6.1 Verweerster heeft de vertrouwelijkheid die zij klager heeft toegezegd geschonden. De verweten gedraging raakt aan de kernwaarde integriteit. De raad acht daarom de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van twee weken met een proeftijd van twee jaar passend.”
3.5 Bij beslissing van de raad van 19 april 2022 (ECLI:NL:TADRSGR:2022:51, zaaknummer 21-1024/DH/RO) heeft de raad aan verweerster een berisping opgelegd. Daartoe heeft de raad overwogen:
“6.1 Verweerster heeft laakbaar gehandeld door geld dat voor een cliënte bestemd was gedurende een lange periode niet aan haar over te maken. Verweerster laat in weerwil van de voorgeschreven regels haar eigen belang bij het betaald krijgen van haar (niet vooraf afgesproken) declaratie voorgaan op het recht van klaagster om de haar toekomende gelden onverwijld te ontvangen. Met haar handelen heeft verweerster in strijd gehandeld met de kernwaarden van de advocatuur, de gedragsregels en met artikel 46 van de Advocatenwet. Het gedrag van verweerster is niet in overeenstemming met de kernwaarden van de advocatuur, te weten financiële integriteit. Verder is het niet de eerste keer dat verweerster met de tuchtrechter in aanraking is gekomen. Gelet op het voorgaande oordeelt de raad dat oplegging van een berisping passend en geboden is.”
3.6 Bij beslissing van de raad van 17 oktober 2022 (ECLI:NL:TADRSGR:2022:174, zaaknummer 22-269/DH/RO) heeft de raad de klacht gegrond verklaard, maar geen maatregel opgelegd aan verweerster. Daartoe heeft de raad overwogen:
“5.1 Klager verwijt verweerster dat zij hem een factuur heeft gezonden, terwijl zij had toegezegd dat het eerste gesprek kosteloos was. Verweerster betwist die toezegging en stelt dat zij duidelijk heeft verteld dat het eerste gesprek op betalende basis was. De raad kan op grond van de verklaringen van klager en verweerster niet vaststellen wat er in het telefoongesprek precies is afgesproken. Duidelijk is wel dat verweerster niets heeft vastgelegd over de gemaakte (financiële) afspraken voor het adviesgesprek. De raad wijst erop dat in financiële aangelegenheden als uitgangspunt heeft te gelden dat de advocaat gehouden is tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid, hetgeen meebrengt dat de advocaat ervoor moet zorgen dat er duidelijkheid bestaat tussen hem en zijn cliënt omtrent hun financiële afspraken (…). Hoewel tussen klager en verweerster slechts een beperkte afspraak is gemaakt – één adviesgesprek – geldt ook hier dat verweerster er voor had moeten zorgen dat de financiële afspraken duidelijk (vastgelegd) waren. Verweerster had, nu in haar visie een afspraak op betalende basis was gemaakt, aan klager schriftelijk moeten bevestigen welke kosten in rekening zouden worden gebracht voor het adviesgesprek. Dat hier geen tijd voor was, is niet aannemelijk geworden. De klacht is daarom gegrond.
[…] 6.2 De raad is van oordeel dat volstaan kan worden met de gegrondverklaring van de klacht, omdat verweerster ter zitting besef heeft getoond van de financiële regels die gelden voor advocaten. Daarnaast heeft zij ter zitting aangegeven de gewraakte factuur in te trekken, waardoor klager alsnog zijn kosteloze eerste afspraak heeft gekregen. De raad ziet daarom af van het opleggen van een maatregel.”
3.7 Bij beslissing van 8 juli 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:183, zaaknummer 230304) heeft het hof beslist op het hoger beroep tegen de beslissing van de raad van 25 september 2023. Daartoe heeft het hof overwogen:
“[…] 7.8 Het hof overweegt dat klachtonderdeel b ziet op de berichten van verweerster van 11 en 14 december 2022. Hoewel de raad dat niet expliciet heeft genoemd in de beslissing, is dat naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk. Anders dan de raad is het hof echter van oordeel dat verweerster zich in deze berichten van 11 en 14 december 2022 weliswaar wat onhandig, stevig en minder zakelijk dan had gekund, heeft uitgelaten jegens klager, maar dat de toonzetting van deze berichten niet de conclusie rechtvaardigt dat verweerster zich onbetamelijk heeft uitgelaten. Het beroep van verweerster tegen klachtonderdeel b slaagt in zoverre. Het hof zal dit klachtonderdeel alsnog ongegrond verklaren.
8 MAATREGEL
8.1 Omdat het hof slechts een van de twee klachtonderdelen gegrond acht zal de opgelegde maatregel worden gematigd. Het hof zal voor het verzuim van verweerster om de afspraken met klager schriftelijk te bevestigen en om hem daarbij deugdelijk te informeren over de mogelijkheid van een toevoeging een berisping opleggen. Wat het hof bij het bepalen van deze maatregel zorgen baart, is dat sprake is van eerdere (recente) tuchtrechtelijke veroordelingen van verweerster voor vergelijkbare en andere gedragingen. […]”
3.8 Op 9 november 2023 heeft de deken een nieuwe klacht ontvangen van de klaagster uit de onder overweging 2.5 genoemde beslissingen van de raad en van het hof. Daarin heeft de klaagster het volgende naar voren gebracht:
“Zowel uw visie n.a.v. mijn eerdere klacht m.b.t. het vasthouden van derdengelden, als de uitspraken van de RvD en Hvd die de klacht gegrond hebben verklaard, hebben [verweerster] er niet toe kunnen bewegen om de derdengelden over te maken. Ik acht dat in strijd met artikel 3, tweede lid, van de Advocatenwet nu dit niet anders kan worden opgevat dan anders dan een ‘dikke middelvinger’ naar de gerechtelijke autoriteiten.”
3.9 Als bijlage bij deze klacht is bijgevoegd een dagvaarding van 11 april 2023 die de B.V. van verweerster heeft uitgebracht aan de klaagster. Uit de dagvaarding volgt, dat de B.V. van verweersters de declaraties ter zake van de eigen bijdrages ad. € 777,00, de declaratie ter zake van verrichte werkzaamheden ten bedrage van € 875,00 én de bij verweerster door de Raad van Discipline in rekening gebrachte proceskosten ten bedrage van € 1.000,00 heeft gevorderd. Verweerster stelde ten aanzien van het laatste deel van haar vordering dat de klaagster door het indienen van de tuchtklacht bij de raad van discipline, nadat de deken de klacht al gegrond beschouwde, misbruik van recht had gemaakt.
3.10 In het antwoord op de klacht merkt verweerster op dat zij “recent een voor executie vatbaar verzoekschrift [heeft] ingediend bij de voorzieningenrechter voor de onbetaalde eigen bijdrages en onbetaalde griffierechten”, daarnaast gaat zij “in beroep van de vordering voor de onbetaalde declaratie”.
3.11 Op 19 januari 2024 hebben de deken, de klaagster en verweerster een bespreking gehad. Verweerster heeft in dat gesprek erkend dat zij derdengelden nog niet had overgemaakt. De deken en verweerster hebben vervolgens afspraken gemaakt, die door de deken diezelfde dag zijn vastgelegd in een e-mail:
“[…] Partijen blijven bij het ingenomen standpunt en zijn niet tot een minnelijke regeling gekomen. Afgesproken is dat [verweerster] drie weken de gelegenheid krijgt, derhalve tot uiterlijk 9 februari 2024, om een financieel overzicht op te stellen waaruit het navolgende blijkt:
- welke bedragen is [de klaagster] precies aan haar verschuldigd en op welke grond; - welke bedragen heeft [de klaagster] reeds aan haar betaald en op welk tijdstip; - welke toevoegingen zijn verstrekt/ingetrokken; - welke bedragen is zij verschuldigd aan [de klaagster] en welk bedrag heeft zij reeds voldaan?
[Verweerster] zal het overzicht onderbouwen met bewijsstukken. [De klaagster] zal daarna drie weken de tijd krijgen om te reageren op het door [verweerster] op te stellen overzicht. Aan de hand van het overzicht en de reactie van [de klaagster] op het overzicht is het voor mij mogelijk om te beoordelen of [verweerster] de voorzieningenrechter juist heeft geïnformeerd over de openstaande bedragen.”
3.12 Op 1 en 9 februari 2024 heeft verweerster stukken ingediend.
3.13 Op 13 februari 2024 heeft de deken aan verweerster geschreven:
“In mijn e-mail van 24 januari 2024 heb ik duidelijk verwoord dat ik van [verweerster] een financieel overzicht verwacht. In de e-mailberichten van [verweerster] van 1 en 9 februari 2024 wordt geen compleet financieel overzicht gegeven. [De klaagster] legt in haar e-mailbericht van 10 februari 2024 precies uit hoe zulks in een overzicht kan worden opgesteld. Nogmaals verzoek ik [verweerster] mij voor 20 februari 2024 in het bezit te stellen van het gevraagde overzicht. Indien ik dat overzicht niet tijdig ontvang, zal ik mijn onderzoek eindigen en in een visie mijn verwachting uitspreken voor het oordeel van de Raad van Discipline.”
3.14 Diezelfde dag heeft verweerster op de deken gereageerd en aangevoerd dat haars inziens een door haar op te stellen spreadsheet met daarin ook de afgewezen toevoegingen niet noodzakelijk was omdat de reeds door haar gegeven informatie duidelijk en overzichtelijk was.
3.15 Op 14 maart 2024 heeft de deken een visie gegeven op de klacht.
3.16 Bij beslissing van 28 oktober 2024 heeft de raad beslist op de klacht van 9 november 2023 (ECLI:NL:TADRSGR:2024:206, zaaknummer 24-204/DH/RO) en aan verweerster een onvoorwaardelijke schorsing van zes weken opgelegd. Deze beslissing is inmiddels onherroepelijk geworden. Daartoe heeft de raad overwogen:
“5.2 Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat verweerster pas op 30 november 2023 – ongeveer een half jaar na de uitspraak van het hof van discipline – een bedrag aan klaagster heeft doorbetaald. Klaagster heeft echter betwist dat daarmee het volledige aan haar verschuldigde bedrag was voldaan. Zij wijst in dat verband onder meer op het feit dat een bedrag van € 385,- feitelijk, maar zonder haar toestemming, is verrekend. Verweerster heeft dat niet betwist. Daarmee staat naar het oordeel van de raad vast dat de beslissingen van de raad en het hof door verweerster niet tijdig en/of niet volledig zijn nagekomen. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar en dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.
[…]
5.4 De raad is het met klaagster eens dat verweerster in verschillende procedures stellingen heeft ingenomen over de verschuldigdheid van eigen bijdragen door klaagster, terwijl verweerster wist of behoorde te weten dat die stellingen onjuist waren. Gelet op het feit dat verweerster aan de deken noch in onderhavige klachtprocedure duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over de precieze omvang van haar gepretendeerde vordering, het aantal verleende toevoegingen en de betaalde eigen bijdragen, vindt de raad het tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerster in de verschillende procedures toch stellig heeft betoogd dat zij recht heeft op betaling van een concreet bedrag door klaagster. In de verzoekschriftprocedure heeft verweerster de voorzieningenrechter er bovendien niet over geïnformeerd zij een deel van de door haar gepretendeerde (deels door klaagster betwiste) vordering (zonder instemming van klaagster) had verrekend met de voor klaagster bestemde proceskostenvergoeding en het hof van discipline haar had opgelegd tot terugbetaling over te gaan, maar zij daartoe niet was overgegaan. De voorzieningenrechter is daardoor onvolledig en onjuist geïnformeerd door verweerster.
[…]
6.1 Met haar handelwijze heeft verweerster niet alleen de belangen van klaagster geschaad maar ook het algemene vertrouwen in de advocatuur. Er moet immers op vertrouwd kunnen worden dat advocaten in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen – ook van tuchtrechters – tijdig nakomen. Gelet daarop had het op de weg van verweerster gelegen om in elk geval direct na de beslissing van het hof van discipline aan klaagster de haar toekomende derdengelden zonder verrekening over te maken, zoals ook de kantonrechter heeft overwogen. Verder geldt dat de advocaat ook in financiële aangelegenheden integer en zorgvuldig handelt en dat hij daarover een nauwgezette verantwoording aflegt aan zijn cliënt. Eveneens dient er op vertrouwd kunnen worden dat advocaten rechterlijke instanties juist en volledig informeren. Door dat alles na te laten heeft verweerster als advocaat niet betamelijk en integer gehandeld.
6.2 Het gewraakte handelen betreft de kernwaarde (financiële) integriteit. Gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen alsmede het feit dat verweerster geen inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van haar handelen en mede gelet op haar tuchtrechtelijke verleden, acht de raad een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken op zijn plaats. […]”
Kantoorbezoeken
3.17 Op 9 juli 2013 heeft de deken, samen met een stafjurist, een kantoorbezoek uitgevoerd bij verweerster. Van het kantoorbezoek is een verslag gemaakt.
3.18 Op 2 augustus 2013 heeft de deken, samen met een stafjurist, opnieuw een kantoorbezoek uitgevoerd bij verweerster. Van het kantoorbezoek is een verslag gemaakt, waaruit onder meer volgt:
“Voorlopige conclusie
De wijze waarop [verweerster] haar praktijk voert is zorgwekkend. Wat de juridische inhoudelijke kwaliteit van haar werkzaamheden betreft, zijn geen bijzondere opmerkingen te maken. Hooguit kan bij menig dossier worden afgevraagd welke de juridische inhoud van het probleem is en welke de juridische meerwaarde van [verweerster]. Op het organisatorisch vlak voldoet de praktijkvoering niet of nauwelijks aan de normen zoals die heden ten dage gelden. Sommige aspecten zijn minder ernstig (bijvoorbeeld de wijze van archivering) dan wel eenvoudig op te lossen (bijvoorbeeld de vermelding van de bankrekeningnummers op het briefpapier), doch andere aspecten zijn veeleer een uiting van de wijze waarop [verweerster] de praktijk denkt te kunnen. Op aspecten als een deugdelijke cliëntenadministratie, een deugdelijke dossieradministratie, een correcte informatieverschaffing aan cliënten e.d. schiet [verweerster] ernstig tekort.”
3.19 Op 27 maart 2014 heeft een lid van de raad van toezicht, samen met een stafjurist, nogmaals een kantoorbezoek uitgevoerd bij verweerster. Van het kantoorbezoek is een verslag gemaakt, waaruit onder meer volgt.
“[…] Verbeterpunten n.a.v. de twee eerdere kantoorbezoeken het briefpapier vermeldt niet het bankrekeningnummer van het kantoor
Vastgesteld wordt dat [verweerster] geen bankrekeningnummers heeft vermeld op het briefpapier.
een kantoorhandboek ontbreekt
[Verweerster] heeft thans aan wel een kantoorhandboek te hebben: ze gebruikt immers het kantoorhandboek van [advocatenkantoor], bij wie zij zich heeft aangesloten. Het kantoorhandboek blijkt echter op het adres aan de [kantoorlocatie] niet voorhanden. [Verweerster] zegt toe dat zij een kopie van het kantoorhandboek zal toesturen. Inmiddels hebben wij op 1 april 2024 een kopie van kantoorhandboek ontvangen.
een (interne) klachtenregeling ontbreekt
[Verweerster] meldt dat een interne klachtenregeling in het kantoorhandboek staat vermeld, maar zij geeft aan dat zij cliënten bij klachten meteen door te verwijzen naar de deken.
de tevredenheid van de klant wordt niet met regelmaat onderzocht
[Verweerster] geeft aan dat zij wel degelijk aan cliënttevredenheidsonderzoek doet. Zij stuurt altijd een formulier aan de cliënten. Zij meldt dat zij slechts één keer een formulier heeft terug gehad. [Verweerster] meldt dat zij in een lopende zaak het formulier toestuurt aan de cliënt. [Het lid van de raad van toezicht] geeft aan dat het de bedoeling is dat het cliënttevredenheidsonderzoek op de website van het kantoor komt. [Kantoorgenoot van verweerster] is bezig met de website. Hij geeft aan dat hij op dit moment niets kan doen tot duidelijkheid is verkregen over het samenwerkingsverband. In het kantoorhandboek is het cliënttevredenheidsonderzoek ook opgenomen.
er wordt géén deugdelijke cliëntenadministratie bijgehouden
[Verweerster] houdt nu wel een cliëntenadministratie bij. De cliënten worden in een Excel bestand geregistreerd en krijgen een nummer. Ook de namen van de wederpartijen worden geregistreerd. Dit Excel bestand is ook voor [de kantoorgenoten van verweerster] in te zien. [Verweerster] geeft aan dat zij de namen van haar cliënten in haar geheugen heeft zitten. Wij houden [verweerster] voor dat het systeem in ieder geval zo moet zijn ingericht dat bij raadpleging van het systeem ook een mogelijk conflicterend belang naar boven komt. [De kantoorgenoot van verweerster] geeft aan dat hij ongeveer een half jaar geleden de lijst heeft aangemaakt.
de schoonmaakster heeft geen geheimhoudingsverklaring getekend
[Verweerster] geeft aan dat zij geen schoonmaakster meer heeft die het kantoor schoonmaakt. Dus een geheimhoudingsverklaring is niet meer aan de orde. Ze geeft aan dat indien de situatie zich voor zal doen, zij een nieuwe schoonmaakster wel degelijk een geheimhoudingsverklaring zal laten tekenen. Het kantoor heeft geen systeembeheerder. [De kantoorgenoot van verweerster] is degene die daarvoor zorgt.
In toevoegingszaken wordt geen tijd geschreven
[Verweerster] vertelt dat zij in toevoegingszaken nu wel tijd schrijft. Dit moet ook voor de Raad voor Rechtsbijstand. In het kantoorhandboek wordt ook beschreven hoe in toevoegingszaken gewerkt moet worden. In betalen zaken wordt altijd tijd geregistreerd.
Opmerkelijk is nog dat aangegeven wordt dat het kantoor [advocatenkantoor] een “high trust” kantoor is voor de Raad voor Rechtsbijstand, maar dat [verweerster] niet via “high trust” toevoegingen aanvraagt.
Beoordeling dossiers
[…] [Verweerster] dient meer aandacht te besteden aan de verificatie van de identiteit van de cliënt, zodanig dat dit ook uit het dossier blijkt. Dit geldt ook voor ondernemingen als cliënt (checken KvK) Ingevolgde de Vafi dient de advocaat de identiteit van de cliënt te verifiëren en dit vast dient te leggen in het dossier, door bijvoorbeeld het paspoortnummer of BSN-nummer te noteren. Indien een kopie van het ID-bewijs wordt gemaakt, dient het BSN-nummer weggelakt te worden alsmede de foto. Het is van belang dat gecheckt wordt dat degene die zegt cliënt te zijn, ook daadwerkelijk is wie hij zegt wie hij is.”
3.20 Op 16 oktober 2023 heeft een lid van de raad van de orde, samen met een stafjurist, wederom een kantoorbezoek uitgevoerd bij verweerster. Van het kantoorbezoek is een verslag gemaakt, waaruit onder meer volgt.
“[…] Bevindingen
Tijdens het kantoorbezoek gaf [verweerster] niet de indruk (voldoende) op de hoogte zijn van een aanzienlijk deel van de op haar praktijkvoering van toepassing zijnde regelgeving en dat baart ons zorgen. [Verweerster] dient een grote verbeterslag te maken, zoals blijkt uit de uitzonderlijk grote lijst van aanwijzingen. Er zal een nieuw bezoek worden gepland.
Naar aanleiding van ons kantoorbezoek komen wij tot de navolgende bevindingen:
Aanwijzingen:
1. Jaarstukken: De jaarcijfers 2020, 2021 en 2022 toesturen.
2. Geheimhoudingsverklaring derden: De beheerder van het verzamelgebouw en de boekhouder en accountant dienen een geheimhoudingsverklaring te tekenen.
3. Derdengeldrekening: [verweerster] dient na te gaan of zij nog rekeninghouder is van de (voormalige) derdengeldrekening.
4. Identificatie: Identiteitsverificatie dient voortaan plaats te vinden conform hetgeen hierover is opgenomen onder het punt Identificatie.
5. Dossieronderzoek: Er dient een afspraak te worden gemaakt voor dossieronderzoek (lopende zaken) bij [verweerster] thuis of op haar kantoor. In het laatste geval dient de vaste computer van de thuiswerkplek naar het kantoor te worden verplaatst.
6. Archiefruimten: De archiefruimten dienen consequent te worden afgesloten.
7. Opdrachtbevestiging: De opdrachtbevestiging dient te voldoen aan de vereisten zoals onder meer vastgesteld in art. 7.5 Voda en gedragsregel 16, 17 en 18,
8. Exoneratieclausule: In de e-mailcorrespondentie dient in de digitale handtekening een exoneratieclausule te worden opgenomen overeenkomstig de inhoud van de algemene voorwaarden.
9. Algemene voorwaarden: De naamgeving van het kantoor aanpassen in de algemene voorwaarden.
10. Bewaartermijn: Aan het eind van de zaak dient een afsluitende brief te worden gezonden, waarin is opgenomen gedurende welke termijn het dossier wordt bewaard.
11. Kantoorhandboek: Er dient een handboek te worden opgesteld dat is toegespitst op de eigen kantoororganisatie.
12. Waarnemer: Er dient een waarnemer te zijn. De vervangingsregeling dient schriftelijk vastgelegd te worden.
13. Cliënttevredenheidsonderzoek: Er dient een vorm van cliënttevredenheidsonderzoek plaats te vinden.
14. Kantoororganisatie: De kantoororganisatie dient inzichtelijk te worden gemaakt, mede met het oog op de kengetallen. De jaarstukken over 2022 van [naam verweerster] Advocatuur en de besloten vennootschap [naam verweerster] International B.V. worden overgelegd.
15. Opleidingsvereisten: Aangetoond dient te worden dat er in 2022 minimaal 10 juridische punten op de vier geregistreerde rechtsgebieden zijn behaald.
16. Aanmelden geheimhoudernummer: Wij wijzen [verweerster] erop dat zij, ter voorkoming van problemen, haar mobiele telefoonnummer dient op te geven als geheimhoudersnummer.
17. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering: Bij de tussenpersoon van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering nagaan of het in- en uitlooprisico is verzekerd. Wij adviseren bij de tussenpersoon van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering te controleren of de werkzaamheden aangenomen door [naam verweerster] Advocatuur worden gedekt door de beroepsaansprakelijkheidsverzekering aangezien in de polis is opgenomen dat de dekking slechts geldt voor de besloten vennootschap [naam verweerster] International B.V.
Aanbeveling:
Klachtenfunctionaris: Wij adviseren om een derde, misschien de waarnemer, te benoemen tot klachtenfunctionaris.
Afspraak: 1. Cliëntenadministratie: Aangegeven dient te worden welke computerprogramma wordt gebruikt voor de cliëntenadministratie.
2. Privacyverklaring: [verweerster] dient de privacyverklaring die op basis van de AVG noodzakelijk is, op te stellen en op haar website te vermelden.”
3.21 Op 28 december 2023 heeft verweerster een reactie aan de deken geschreven waarin zij uitgebreid is ingegaan op de inhoud van het onder 3.20 genoemde verslag met aanwijzingen, een aanbeveling en afspraak. Verweerster heeft bij deze reactie de jaarcijfers van de boekjaren 2020, 2021 en 2022 van [naam verweerster] International B.V. gevoegd, alsmede certificaten inzake de opleidingspunten.
3.22 Op 9 januari 2024 heeft een lid van de raad van de orde, samen met een stafjurist, een laatste kantoorbezoek bij verweerster uitgevoerd.
3.23 Op 11 januari 2024 heeft de deken aan verweerster geschreven:
“Onder verwijzing naar het kantoorbezoek van [de stafjurist] en [het lid van de raad van de orde] afgelopen maandag het volgende.
[De stafjurist] en [het lid van de raad van de orde] hebben onder andere geconstateerd dat:
1). papieren dossiers in een antieke kast op elkaar gestapeld liggen en van buitenaf niet te zien is welk dossier het betreft. Persoonlijke en zakelijke dossiers liggen door elkaar. De zes dossiers die zij hebben ingezien, bevatten met name processtukken en handgeschreven aantekeningen. De correspondentie in de zaak ontbreekt volledig en bevindt zich in uw computer. In de dossiers troffen zij ook persoonlijke documenten aan van uzelf. De aantekeningen in de dossiers zijn niet geordend en niet duidelijk. Het is uit de dossiers niet op te maken in welke stand de zaken zich bevinden. Een eventuele waarnemer kan er geen wijs uit; de dossieropbouw dient zodanig te zijn dat de stand van zaken eenvoudig kenbaar is.
2). Er is door u inmiddels wel een waarnemersovereenkomst overgelegd, maar die is niet getekend door de waarnemer. [De stafjurist] en [het lid van de raad van de orde] hebben aangegeven dat daarin ook voorzien moet zijn dat de waarnemer weet hoe zij toegang kan verkrijgen tot de fysieke én digitale dossiers als u buiten staat bent deze informatie te verschaffen. U merkte op dat niemand, naast u zelf, beschikt over de sleutel van uw praktijk en uw inlogcodes.
3). Ondanks de informatie die wij u naar aanleiding van het eerdere kantoorbezoek (16 oktober 2023) stuurden, hebben [de stafjurist] en [het lid van de raad van de orde] geconstateerd dat u nog steeds geen (correcte) opdrachtbevestigingen (en afsluitbrieven) stuurt, de met de cliënt(en) gemaakte afspraken en strategieën niet worden vastgelegd, een duidelijke toelichting met betrekking tot de financiële consequenties van de zaak ontbreekt, verwijzing naar of verstrekking van uw algemene voorwaarden niet geschiedt, cliënten niet worden geïdentificeerd en uw correspondentie geen exoneratieclausule bevat.
4). Verder is geconstateerd dat u nog niet beschikt over een kantoorhandboek.
Uit de waarneming blijkt dat u onze aanwijzingen nog niet hebt opgevolgd en daarmee zelfs nog geen begin hebt gemaakt. Uw ‘beste’ en meest recente dossier bevat geen opdrachtbevestiging die voldoet aan de hiermee geldende richtlijnen en ook in dat dossier vond geen identificatie plaats. In uw e-mail van 28 december 2023 geeft u aan dat u cliënten zult gaan identificeren. Tot op heden hebt u dat niet gedaan. Uit uw e-mail van 28 december 2023 maak ik op dat u de noodzaak van de door ons voorgestelde aanwijzingen niet (geheel) begrijpt. Tijdens het bezoek van afgelopen maandag hebben [de stafjurist] en [het lid van de raad van de orde] u uitgelegd dat alle aanwijzingen met name in uw eigen belang zijn.
[De stafjurist] en [het lid van de raad van de orde] hebben met u gesproken over een mogelijkheid een coach in te schakelen. U stond hier niet geheel afwijzend tegenover, maar merkte wel op dat het tussen een coach en u moet ‘klikken’.
Gelet op het bovenstaande lijkt het ons zinnig dat er een bespreking plaatsvindt op het bureau van de orde. Daartoe ontvang ik graag uw verhinderdata voor de maanden januari en februari 2024, zodat een datum en tijdstip voor dit gesprek kan worden vastgesteld. Tijdens dat gesprek zal eveneens aan de orde komen of u het haalbaar acht om deze aanwijzingen op zeer korte termijn op te volgen en, indien dat niet tot de mogelijkheden behoort, wat de consequenties hiervan kunnen zijn. Hoewel het niet eerder expliciet ter sprake kwam, is het niet ondenkbaar dat tijdens het gesprek ook de mogelijkheid van vrijwillige beëindiging van de praktijk aan de orde komt.”
3.24 Op 22 januari 2024 heeft verweerster, onder meer, aan de deken geschreven:
“Naar aanleiding van de onderstaande berichtgeving het volgende, Ik schrik ervan dat er helemaal geen vooruitgang zou zijn volgens de orde en dat ik mij totaal nog niet aan de aanwijzingen heb gehouden, dat lijkt mij geen juiste conclusie:
[…] Verder onderstaand de verhinderdata […]”
3.25 Op 6 februari 2024 heeft de deken verweerster uitgenodigd voor een gesprek op zijn kantoor op 20 februari 2024. Op 12 februari 2024 heeft verweerster daarop gereageerd:
“Ik ben inmiddels verhinderd op genoemde datum, ik ben dan nog te Brussel en woensdag in de loop van de dag pas terug, ik heb vorige week wel getracht afspraken om te zetten maar dat lukte helaas niet, ik verzoek u derhalve een nieuwe datum.
Los daarvan zou ik u willen verzoeken een reactie op voorhand te mogen ontvangen van mijn laatste berichtje naar aanleiding van de recente rapportage van uw orde medewerksters, ik heb het gevoel dat ik inmiddels alles heb gedaan wat verzocht/aanbevolen werd, echter als ik de rapportage lees vraag ik mij af wat ik precies van een gesprek kan verwachten. Graag nog een reactie van u.”
3.26 Op 12 februari 2024 heeft de deken verweerster opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op zijn kantoor op 22 februari 2024. Verweerster is niet verschenen bij dit gesprek. De deken heeft daarop telefonisch contact gezocht met verweerster. De deken heeft verweerster vervolgens op 27 februari 2024 gesommeerd om op 29 februari 2024 op het Ordebureau te verschijnen, onder verwijzing naar gedragsregel 29. Verweerster heeft daarop telefonisch laten weten eerst contact te willen hebben met haar advocaat, die op 29 februari 2024 verhinderd was.
3.27 Op 27 februari 2024 heeft de deken aan verweerster geschreven:
“Helaas kan ik niet anders dan constateren dat u onvoldoende medewerking verleent aan mijn onderzoek. Uw kantoororganisatie is niet op orde, de waarneming onvoldoende geregeld en u meent mijn agenda te kunnen bepalen. Zo werkt het niet.
Natuurlijk kunt u overleggen met mr. Sanders; u heeft daar nu nog twee dagen de tijd voor. Dit overleg en een eventuele uitkomst daarvan ontslaan u echter niet van uw verplichting op mijn bureau te verschijnen. Ik schreef u niet voor niets vorige week dat u op grond van gedragsregel 29 verplicht bent om mee te werken.
Kiest u ervoor niet te verschijnen op 29 februari aanstaande om 13.30 uur dan zal ik daar de conclusies aan verbinden die ik geraden acht.”
3.28 Verweerster is op 29 februari 2024 niet op het Ordebureau verschenen.
3.29 Op 15 maart 2024 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend.
3.30 Op 31 juli 2024 heeft de accountant van verweerster een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend, die door verweerster op 6 augustus 2024 is ondertekend.
3.31 Op 31 juli 2024 heeft verweerster een advertentie online laten plaatsen voor de overname van haar advocatenpraktijk.
Nader onderzoek na tussenbeslissing
3.32 Bij tussenbeslissing van 23 december 2024 heeft de raad een vooronderzoek gelast. De omvang van het onderzoek is als volgt bepaald:
“De vooronderzoeker dient een kantoorbezoek te verrichten op de door haar gebruikelijke wijze. Daarbij dient de vooronderzoeker in het bijzonder aandacht te besteden aan:
- de wijze van het dossierbeheer en de zakenadministratie van verweerster, voorzien van een gedetailleerde beschrijving hoe deze is vormgegeven;
- een steekproef van minimaal tien (recente) dossiers, gericht op het dossierbeheer en de schriftelijke vastlegging daarin van in ieder geval:
o de opdrachtbevestiging o de financiële afspraken; o de afsluitbrief; o andere informatie als bedoeld in gedragsregel 16 lid 1.
- de (vastlegging van) financiële afspraken tussen verweerster en cliënten;
- het betalingsverkeer en derdengelden;
- de contractspartij in de opdrachtbevestiging waarmee cliënten een overeenkomst aangaan en de statuten van deze contractspartij;
- de geheimhoudingsverklaringen tussen verweerster en derden, waaronder in ieder geval personen die toegang hebben tot verweersters kantoorruimte en praktijk aan huis. Daartoe behoren in ieder geval de eigenaar/verhuurder van de kantoorruimte en verweersters zus, nu laatstgenoemde bij eventuele ziekte van verweerster zorgdraagt voor het versturen van de dossiers aan de waarnemer;
- de waarnemingsovereenkomst, waaronder de dekking van alle door verweerster beoefende rechtsgebieden;
- de opleidingsvereisten over 2023 en 2024, als bedoeld in artikel 4.3a dan wel 4.3b, en artikel 4.4 van de Verordening op de advocatuur;
- de privacyverklaring.
Het kantoorbezoek wordt zo spoedig mogelijk uitgevoerd. Verweerster en haar gemachtigde stellen zich voldoende, maar in ieder geval binnen één week na eerste verzoek daartoe van de vooronderzoeker of diens vertegenwoordigers, beschikbaar om het kantoorbezoek uit te voeren. Daarbij kan ook de Rotterdamse deken of zijn gemachtigde aanwezig zijn. De vooronderzoeker stelt de Rotterdamse deken en verweerster in de gelegenheid om te reageren op het conceptverslag van het kantoorbezoek, alvorens de vooronderzoeker een definitief verslag uitbrengt aan de raad.”
3.33 Uit het verslag van de vooronderzoeker van 10 maart 2025 volgt, voor zover relevant voor de klacht, het volgende:
“Op 7 februari jl. om 10:00 uur heb ik samen met de stafjurist, [naam], het kantoor van [verweerster] bezocht aan [adres]. De gemachtigde van [verweerster], mr. Sanders, was daar ook bij aanwezig. Hoewel [verweerster] naar aanleiding van uw tussenbeslissing wist waar mijn bezoek aan haar kantoor betrekking op had bleek al snel dat [verweerster] geen dossiers op haar kantoorlocatie had en ook geen computer waarop zij inzage kon verstrekken in haar dossiers en zaaksysteem. Zowel de papieren dossiers als de computer bevonden zich op haar huisadres. Op de kantoorlocatie bevond zich enkel een bureau met enkele afsluitbare kasten. In de kasten zaten volgens [verweerster] alleen archiefdossiers. Met [verweerster] is vervolgens afgesproken om eerst enkele zaken door te nemen op haar kantoorlocatie om vervolgens een bezoek te brengen aan haar huisadres om dossiers in te zien. Bij het bezoek aan haar huisadres was de gemachtigde, mr. Sanders, niet aanwezig wegens andere verplichtingen.
(…).
Activiteiten [naam verweerster] International B.V. en naamgeving kantoor
Voorafgaand aan het bezoek heb ik de Kamer van Koophandel geraadpleegd. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel (bijlage 7) is gebleken dat [verweerster] een tweetal activiteiten had geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, te weten: Bemiddeling bij handel, huur of verhuur van onroerend goed (Het bemiddelen bij transacties met betrekking tot onroerende goederen en schepen en de financiering daarvan) en Advocatenkantoren, bewindvoerders en curatoren. Ik heb [verweerster] om een toelichting gevraagd betreffende de vermelding ‘activiteiten ter zake van bemiddeling in onroerende goederen en schepen en de financiering daarvan’. [verweerster] heeft aangegeven dat zij in het verleden een scheepsmakelaardij had maar dat zij die activiteiten al zo’n 20 jaar niet meer verricht. [Verweerster] wist niet dat die activiteit nog stond geregistreerd en heeft toegezegd dit binnen twee weken na 7 februari 2025 aan te passen bij de Kamer van Koophandel.
Ook is [verweerster] verzocht aan te geven onder welke naam zij haar praktijk voert, nu zij meerdere kantorennamen hanteert. Zo staat bij de Kamer van Koophandel geregistreerd: [naam verweerster] International B.V. (zie bijlage 7) Dit is de enige naam die geregistreerd staat bij de Kamer van Koophandel. Bij BAR staat zij ingeschreven onder de naam Advocatenkantoor [naam verweerster] (bijlage 8) en op haar website hanteert zij de naam: [naam verweerster] Advocatuur (bijlage 9). Volgens de algemene voorwaarden wordt de opdracht aangegaan met: [naam verweerster] International B.V. (bijlage 10). Ik heb [verweerster] te kennen gegeven dat zij één kantoornaam dient te hanteren waarmee zij naar buiten toe optreedt om verwarring/onduidelijkheid te voorkomen. Zij gaf te kennen dat dit Advocatenkantoor [naam verweerster] is. Zij zegde toe deze naam in al haar uitingen door te voeren en de naam ook als handelsnaam te laten registreren bij de Kamer van Koophandel. Ik heb [verweerster] verzocht mij binnen twee weken na 7 februari 2025 een gewijzigd uittreksel KvK toe te zenden, alsmede de statuten van [naam verweerster] International B.V., de besloten vennootschap van waaruit zij de praktijk voert.
Overigens viel het mij op dat [verweerster] op haar website ook vermeld heeft staan dat zij op twee locaties kantoor houdt, te weten: in [plaats 1] en in [plaats 2] (zie bijlagen 9 en 12), dit terwijl zij de enige advocaat is en zij op grond van het gestelde in artikel 12 Advocatenwet slechts op één locatie kantoor mag houden.
Klachtenregeling
[verweerster] beschikt over een kantoorklachtenregeling die is opgenomen in de algemene voorwaarden (bijlage 11). Ik heb [verweerster] gewezen op de gewijzigde regelgeving omtrent de klachtenfunctionaris per 1 januari jl. Zij zal haar vervanger vragen om als klachtenfunctionaris op te treden en zou de gewijzigde klachtenregeling binnen twee weken toezenden.
(…)
Geheimhoudingsovereenkomsten
Op de vraag of [verweerster] de geheimhoudingsovereenkomsten kon laten zien gaf [verweerster] te kennen dat zij haar zus een overeenkomst had toegezonden maar dat die de overeenkomst nog niet had getekend. De verhuurder van het pand weigerde de overeenkomst te tekenen met de mededeling dat het uitgangspunt is dat zij geen toegang hebben tot de kantoorruimte tenzij sprake is van een calamiteit en dat zij voor die gevallen zelf maatregelen zal moeten nemen. Uit die emailcorrespondentie met de verhuurder van het pand blijkt dat [verweerster] pas op 4 februari jl. contact heeft gezocht met de verhuurder. Ook haar zus heeft zij onlangs pas verzocht de overeenkomst te tekenen terwijl uw beslissing toch al van 23 december 2024 dateert. De boekhouder ATBF-administratie heeft wel een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend, deze heb ik ook ingezien. [Verweerster] heeft aangegeven verder geen gebruik te maken van diensten van derden.
Waarnemingsovereenkomst
Gebleken is dat [verweerster] geen schriftelijke vervangingsregeling heeft gesloten. Wel gaf [verweerster] aan dat zij mr. [HB] bereid had gevonden als haar vervanger op te treden, maar mr. [HB] had de waarnemingsovereenkomst nog niet getekend. Mr. [HB] heeft de rechtsgebieden personen- en familierecht en arbeidsrecht in het rechtsgebiedenregister geregistreerd, maar geen huurrecht terwijl [verweerster] geregistreerd staat op de rechtsgebieden algemene praktijk, arbeidsrecht, huurrecht en personen-en familierecht. Vastgesteld kan dan ook worden dat [verweerster] geen waarnemingsovereenkomst heeft gesloten die betrekking heeft op alle door [verweerster] beoefende rechtsgebieden, althans alle door haar geregistreerde rechtsgebieden. In het kader van de rechtsgebiedenregistratie gaf [verweerster] te kennen dat zij geen zaken meer heeft op het gebied van huurrecht en arbeidsrecht. Op mijn vraag waarom ze dan nog op die rechtsgebieden ingeschreven staat, moest zij het antwoord schuldig blijven. Ze kan haar inschrijving op die gebieden dan beter doorhalen dan hoeft ze op dat punt ook geen vervanging te regelen.
Hoewel [verweerster] in haar CCV-opgave 2023 heeft aangegeven dat zij haar inschrijving in het rechtsgebiedenregister via het daarvoor verplichte gestelde model op haar website heeft geplaatst vond ik die informatie niet op haar website terug. De website bevatte wel een opsomming van rechtsgebieden maar zij heeft de registratie in het rechtsgebiedenregister niet conform het daartoe voorgeschreven model op haar website staan. Ik heb haar verzocht hiervoor alsnog zorg te dragen. Bij e-mail d.d. 7 februari jl. heb ik haar verwezen naar het model voor de registratie. [Verweerster] heeft toegezegd ervoor zorg te dragen dat die informatie op haar website komt te staan.
Privacyverklaring
De privacyverklaring staat op de website van [verweerster] (bijlage 14). Ik heb [verweerster] erop gewezen dat die verklaring mijns inziens niet voldoet. De verklaring is gericht op het verzamelen van gegevens van bezoekers van de website terwijl zij toch allerlei persoonsgegevens van cliënten verzamelt. Ik heb [verweerster] erop gewezen dat zij daar nog verder aandacht aan zal moeten besteden.
(…)
Dossier(s)(beheer)/zakenadministratie en archief
Tijdens het bezoek aan het huisadres van [verweerster] heb ik het volgende geconstateerd. We werden ontvangen in een kleine kantoorruimte met daarin een bureau waarop een computer stond en enkele kasten. In een houten antieke kast met glasdeuren troffen wij dossiers aan. De kast was van onder tot boven gevuld met doorzichtige insteekhoezen met allerlei papieren. Als je voor de kast staat is er niet te zien welk dossier het betreft. Pas als je een mapje met papieren uit de kast haalt zie je welk dossier het betreft, er is echter niet uit af te leiden in welk stadium het dossier zich bevindt. Van twee dossiers hebben we het insteekmapje bekeken, daarin trof ik handgeschreven aantekeningen aan en de identificatie van cliënten. [Verweerster] gaf aan geen zakensysteem te hebben, ook geen zakenlijst in Word of een ander programma. In haar Postvak IN in Outlook heeft zij van ieder dossier een submap gemaakt. Per dossier bevinden zich in de submap alle stukken, althans de correspondentie met cliënten en andere partijen met uitzondering van de identificatie van cliënten en haar handgeschreven aantekeningen. Ik heb vastgesteld dat zowel de digitale dossiers als de papieren dossiers niet compleet zijn. In de papieren dossiers bevinden zich stukken die zich niet in het digitale dossier bevinden en andersom. Van twee dossiers hebben we zowel de digitale submap bekeken als de papieren in het insteekhoesje. Het betreffen de dossiers [naam] en [naam]. In beide dossiers is een summiere bevestiging van de opdracht aan client aangetroffen. In de ene bevestiging stond een omschrijving van de zaak vermeld, een inschatting van het aantal uren, de mededeling dat client had aangegeven niet voor een toevoeging in aanmerking te komen en haar uurtarief. De algemene voorwaarden zijn niet van toepassing verklaard noch zijn deze aan client overhandigd, althans dat is niet uit het dossier gebleken. [Verweerster] gaf aan dat zij in sommige gevallen vergeet om dat in de opdrachtbevestiging op te nemen. [De stafjurist] heeft [verweerster] erop gewezen dat als zij algemene voorwaarden hanteert zij die wel van toepassing zal moeten verklaren, omdat ze anders niet van toepassing zijn. In het andere dossier stond wel vermeld dat de algemene voorwaarden van toepassing waren. [Verweerster] gaf te kennen geen gebruik te maken van een vast sjabloon voor de opdrachtbevestiging. Ik vond de opdrachtbevestiging, zoals reeds eerder door de deken Rotterdam geconstateerd, zeer summier. In de dossiers heb ik mails aangetroffen aan client met een declaratie en een urenspecificatie. (…)
Het lijkt erop dat [verweerster] geen wijzigingen heeft aangebracht in haar werkwijze aangaande haar dossierbeheer en dossieradministratie naar aanleiding van de aanbevelingen die tijdens de vorige bezoeken aan haar kantoor meermaals zijn gedaan.
Voor de urenregistratie maakt [verweerster] gebruik van Monicon. Verder maakt ze geen gebruik van een zakensysteem. Voor alimentatieberekeningen maakt zij gebruik van het programma Ina.
Voor het archief maakt [verweerster] ook gebruik van submappen in het Postvak IN. Daaruit blijkt echter niet wanneer een zaak is gearchiveerd en op welk moment dat dossier moet worden vernietigd. [Verweerster] beschikt niet over een archieflijst. Op mijn vraag hoe lang zij dossiers bewaart gaf zij te kennen dat zij voorheen dossiers altijd heeft bewaard en nog steeds doet, al heeft ze in het dossier [naam] in een afsluitende mail aan client wel staan dat het dossier ‘minimaal 8 jaar in het archief wordt bewaard.’ Ik heb [verweerster] er reeds op gewezen dat zij geen minimale termijn moet noemen, maar gewoon zal dienen op te nemen dat dossiers 8 jaar worden bewaard. Na afloop van die 8 jaar kan zij de dossiers dan vernietigen. Zij zal mijns inziens dan wel een archieflijst moeten gaan bijhouden waarop staat vermeld op welke datum welk dossier is gearchiveerd. Ook heb ik haar erop gewezen dat zij na afloop van die termijn dan zowel de digitale als de papieren dossiers dient te vernietigen.
Nadere reactie en stukken
Bij e-mail d.d. 7 februari jl. heeft de stafjurist [verweerster] en haar gemachtigde een bevestiging gestuurd van de aanpassingen die [verweerster] uiterlijk op 21 februari 2025 moest doorvoeren en welke stukken zij nog diende aan te leveren (bijlage 15). 9 Bij e-mail d.d. 20 februari jl. heeft [verweerster] gereageerd op mijn e-mail d.d. 7 februari jl. en de door mij verzochte stukken toegezonden (bijlage 16). [Verweerster] heeft met mr. [B] een waarnemingsovereenkomst gesloten op 15 februari 2025. Hoewel dit niet uit de waarnemingsovereenkomst kan worden afgeleid ga ik ervan uit dat de overeenkomst is gesloten met mr. [B] van het kantoor [naam] te [plaats]. Mr. [B] staat in het rechtsgebiedenregister ingeschreven op de rechtsgebieden: algemene praktijk, personen- en familierecht en strafrecht. Uit de registratie in het rechtsgebiedenregister blijkt dat [verweerster] nu staat ingeschreven op de rechtsgebieden: algemene praktijk, arbeidsrecht, ondernemingsrecht en personen- en familierecht (bijlage 17), hetgeen nu als zodanig ook op haar website vermeld staat. Of mr. [B] ook thuis is in de rechtsgebieden arbeidsrecht en ondernemingsrecht is mij niet bekend, dit blijkt in ieder geval niet uit de rechtsgebiedenregistratie. Mr. [B] treedt ook op als haar klachtenfunctionaris, zoals nu ook staat vermeld in de kantoorklachtenregeling op haar website.
Ook zond [verweerster] een gewijzigd uittreksel van de Kamer van Koophandel, waaruit blijkt dat de handelsnaam Advocatenkantoor [naam verweerster] is toegevoegd en de activiteit Bemiddeling bij handel, huur of verhuur van onroerend goed (Het bemiddelen bij transacties met betrekking tot onroerende goederen en schepen en de financiering daarvan) is verwijderd. Overigens is de kantoornaam Advocatenkantoor [naam verweerster] tot op heden nog niet op alle plekken op de website doorgevoerd.
Ten aanzien van de derdengeldenstichting heeft [verweerster] mij een afschrift toegezonden van haar e-mail d.d. 28 december 2023 aan de Rotterdamse Orde waarin zij reeds kenbaar had gemaakt dat zij als bestuurder van de Stichting Beheer Derdengelden [mr. De J] Advocaat en Procureur op 9 maart 2022 is uitgeschreven. Dit blijkt ook uit het bij die e-mail gevoegde uittreksel van de Kamer van Koophandel. Daaruit blijkt dat mrs. [De J] en [Van der B] bestuurders zijn van die stichting.
Eén van de bijlagen bij de e-mail van 20 februari jl., naar ik vermoed de statuten van [naam verweerster] International B.V., kon niet worden geopend, zodat [verweerster] is verzocht die bijlage nogmaals toe te zenden. Zij heeft dit direct gedaan. Echter was de bijlage dan nog niet te openen. [verweerster] heeft de bijlage vervolgens nogmaals aangeleverd (bijlage 18). Uit artikel 2 van de statuten van de besloten vennootschap: [naam verweerster] International B.V. blijkt als doelomschrijving van de B.V. het bemiddelen bij transacties met betrekking tot onroerende goederen en schepen, de financiering daarvan en alles wat hiermede in de ruimste zin in verband staat. De doelomschrijving heeft geen betrekking op het uitoefenen van de rechtspraktijk.
Conclusie
Hoewel [verweerster] reeds meerdere malen is gewezen op hetgeen wat van haar wordt verwacht qua kantoororganisatie is gebleken dat zij die aanbevelingen tijdens het bezoek aan haar kantoor in ieder geval nog altijd niet, althans niet volledig had opgevolgd. Ik vraag me ook sterk af in hoeverre zij nog wel bereid is/in staat is om al die aanbevelingen op te volgen. Illustrerend hiervoor is het feit dat zij pas een week voor mijn bezoek aan haar kantoor aan de slag gaat met de punten die in uw tussenbeslissing onder 5.4 vermeld staan en veel zaken nog altijd niet, althans niet volledig heeft geregeld/aangepast. [Verweerster] heeft op mijn verzoek dan wel enkele zaken aangepast/aanpassingen doorgevoerd, maar het belangrijkste punt de wijze van dossierbeheer/zaakadministratie laat nog altijd te wensen over. Ik heb niet de indruk dat [verweerster] de ernst van de situatie inziet. (…)”
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn dekenbezwaar.
4.2 Na de kantoorbezoeken van 2023 en 2024 heeft de deken de stellige indruk gekregen dat verweerster de eerder geadresseerde problematiek rond haar praktijkvoering niet weet op te lossen. Tekortkomingen die in 2013 en 2014 al gesignaleerd waren, zijn zich blijven voordoen of hebben zich opnieuw voorgedaan. Verweersters reactie daarop is afwijzend of ontkennend en dat baart de deken zorgen.
4.3 Hierbij acht de deken de poging van verweerster tot verhaal van de door de tuchtrechter opgelegde proceskostenveroordeling op de klaagster bizar. Juist de gegrondverklaring van de klacht en de oplegging van de maatregel van een berisping, bevestigt de juistheid achter de indiening van de klacht waarvan de kosten dan ook door de beklaagde advocaat gedragen dienen te worden.
4.4 In het verslag van het kantoorbezoek uit 2023 is opgenomen dat verweerster niet beschikt over een kantoorhandboek en er geen waarnemingsovereenkomst is overgelegd. Voorafgaand aan het kantoorbezoek in 2024 heeft verweerster nadere bewijsstukken overgelegd. Het kantoorhandboek ontbrak wederom. De daarbij overgelegde waarnemingsovereenkomst was niet ondertekend. Navraag bij de beoogd waarneemster leerde dat zij slechts bereid was om zaken in het personen- en familierecht waar te nemen onder de voorwaarde dat de dossiers goed op orde waren. Dat was echter niet in de waarnemingsovereenkomst opgenomen.
4.5 De belangrijkste conclusies uit het kantoorbezoek in 2024 bij verweerster thuis zijn dat de dossiervoering in de lopende zaken ver beneden de maat is. Fysieke dossiers zijn niet of slecht geordend en raadpleging van de opgeslagen bestanden in de computer leverde ook geen overzichten van en de gebeurtenissen in de zaken op. Verweerster gebruikt geen CRM-systeem of heldere mappenstructuur. Feitelijk is voor een buitenstaander niets eenvoudigs te traceren. Verweerster lijkt niet te begrijpen wat het belang van een overzichtelijk geordende en eenvoudig toegankelijke dossiervoering is en zet (daarom) geen concrete stappen tot verbetering.
4.6 De deken maakt zich ernstig zorgen over de wijze waarop de praktijk wordt gevoerd. Verweerster heeft die duidelijk niet op orde en heeft in de afgelopen maanden niets, dan wel volstrekt onvoldoende ondernomen om haar werkwijze te veranderen en de aanwijzingen van de deken op te volgen.
4.7 Het is in de ogen van de deken zeer zorgwekkend dat verweerster gedurende een aantal jaren achtereen diverse tuchtrechtelijke maatregelen opgelegd heeft gekregen waarvan de zwaarte steeds toeneemt en die betrekking hebben op vergelijkbare tekortkomingen in de praktijkvoering. Tevens ziet de deken geen gezonde zelfreflectie en een wil tot verbetering van haar gedrag. Verweerster trekt uit de tuchtzaken volgens de deken in elk geval onvoldoende lering. Verweerster heeft de wijze van praktijkvoering gedurende de afgelopen jaren niet aangepast, terwijl de kantoorbezoeken in 2013 en 2014 al zorgwekkende resultaten hadden opgeleverd. Het is ook mogelijk dat verweerster na 2014 geleidelijk is teruggevallen in oude patronen. Het is schadelijk voor de cliënten die zij bijstaat. De deken meent daarom dat een maatregel noodzakelijk is, die wat de deken betreft vanwege de ernst en hardnekkigheid van haar gedrag en het gebrek aan inzicht of gevoel van urgentie tot verbetering bestaat uit een onvoorwaardelijke schorsing van substantiële duur, zo schrapping van het tableau niet al aan de orde is
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft geoordeeld dat verweerster niet langer thuishoort in de advocatuur en heeft daarom de maatregel van schrapping opgelegd. De raad heeft daartoe, samengevat weergegeven, in zijn eindbeslissing het volgende overwogen.
Beoordeling
Onttrekken aan het dekentoezicht
5.2 De raad heeft geoordeeld dat uit de omstandigheden rondom de indiening van het dekenbezwaar niet kan worden afgeleid dat verweerster zich heeft onttrokken aan het dekentoezicht. Verweerster had duidelijker met de deken kunnen communiceren, maar de raad ziet dit als valse start. Andersom ziet de raad niet in dat het dekenbezwaar rauwelijks is gedaan.
Kantoorbezoeken in 2013-2024
5.3 Naar het oordeel van de raad volgt uit de verslagen van de kantoorbezoeken van de dekens in 2013 tot en met 2024 een beeld dat de kantoororganisatie van verweerster structureel tekortschiet. Er is sprake van minder ernstige tekortkomingen over bijvoorbeeld archivering, maar ook ernstige tekortkomingen zoals een deugdelijke cliënten- en dossieradministratie of een correcte informatieverschaffing. Gelet op de wijze waarop verweerster haar dossiers feitelijk beheert, is het volgens de deken voor een potentiële waarnemer ondoenlijk om bij uitval van verweerster op korte termijn een gedegen overzicht te hebben en te krijgen van de dossieradministratie. Hierdoor worden cliënten van verweerster blootgesteld aan het risico dat hun belangen bij haar uitval niet adequaat behartigd kunnen worden.
5.4 Verweerster heeft zich hiertegen verzet en heeft aangevoerd dat niet de fysieke maar de digitale dossiers leidend zijn. Zij heeft tegenover de raad echter niet kunnen verhelderen hoe het dossierbeheer er concreet uitziet. De raad heeft daarop nader onderzoek gelast naar de wijze waarop verweerster haar dossier op dit moment beheert en heeft daartoe een vooronderzoeker aangewezen die vervolgens een verslag heeft uitgebracht.
Bezwaren tegen het verslag van de vooronderzoeker
5.5 Verweerster heeft meerdere formele bezwaren geuit tegen de wijze waarop de vooronderzoeker het kantoorbezoek heeft verricht en het verslag dat zij heeft uitgebracht. De raad heeft daarop geoordeeld dat het dekenbezwaar mede wordt beoordeeld aan de hand van het verrichtte vooronderzoek en in het licht van de geuite bezwaren.
5.6 De raad is voorbij gegaan aan het bezwaar van de gemachtigde van verweerster dat hij niet is betrokken bij het plannen van het kantoorbezoek. Verweerster wordt als advocaat in staat geacht haar eigen advocaat te betrekken bij het doorgeven van verhinderdata als zij wenste dat haar advocaat aanwezig zou zijn. Het onderzoek moest in het huis van verweerster worden voortgezet, omdat verweerster haar (digitale) dossiers niet beschikbaar had op de kantoorlocatie. Het kan naar het oordeel van de raad de vooronderzoeker niet worden aangerekend dat verweerster onvoldoende voorbereid was en haar gemachtigde daardoor verstek moest laten gaan.
5.7 Verweerster heeft er bezwaar tegen gemaakt dat de vooronderzoeker tijdens het kantoorbezoek ongevraagd het dringende advies heeft gegeven zich vrijwillig te laten schrappen van het tableau. De vooronderzoeker heeft toegelicht dat tijdens het bezoek ter sprake kwam dat verweerster haar praktijk wilde verkopen, waarop zij heeft gevraagd of het niet beter was haar zaken aan een nieuwe advocaat over te dragen, mede gelet op de leeftijd en langdurige carrière van verweerster. Gelet op deze toelichting heeft de raad er niet aan getwijfeld dat de vooronderzoeker onbevooroordeeld was.
5.8 De raad is verweerster verder niet gevolgd in haar betoog dat hoor en wederhoor is geschonden omdat de opmerkingen van verweerster niet in een conceptverslag zijn verwerkt. De opmerkingen van verweerster zijn integraal aan het conceptverslag gehecht zodat de raad daarvan kennis heeft kunnen nemen.
5.9 De raad is verweerster ook niet gevolgd in haar betoog dat de vooronderzoeker buiten de omvang van haar opdracht is getreden. De opdracht was niet beperkt tot specifieke onderdelen, maar strekte tot het verrichten van een gebruikelijk kantoorbezoek. Dat de vooronderzoeker aspecten heeft gesignaleerd die nog niet eerder aan bod zijn gekomen valt dus binnen de opdracht.
5.10 Voor zover verweerster er bezwaar tegen heeft gemaakt dat de vooronderzoeker ook eigen conclusies heeft getrokken in het verslag, geldt volgens de raad dat dit behoort tot de gebruikelijke wijze bij een kantoorbezoek.
De raad heeft de bevindingen van de vooronderzoeker tot uitgangspunt genomen
5.11 De raad heeft geoordeeld dat de bevindingen van de vooronderzoeker helder en consistent zijn en is daarom uitgegaan van de juistheid van die bevindingen.
5.12 Verweerster heeft de bevindingen van de vooronderzoeker slechts in algemeenheden weersproken, maar heeft geen begin van onderbouwing gegeven waarom deze bevindingen niet kloppen. De raad heeft daarin dus geen aanleiding gezien af te wijken van de bevindingen van de vooronderzoeker.
5.13 De vooronderzoeker heeft tegenover de raad verklaard dat zij meerdere dossiers heeft bekeken en dat zij deze in haar verslag bij naam heeft genoemd. Omdat het ter plekke moeilijk bleek digitale en fysieke dossiers aan elkaar te koppelen, heeft zij twee dossiers geselecteerd voor nadere uitwerking in het rapport. De raad heeft hieruit afgeleid dat de vooronderzoeker meer dan twee dossiers heeft bekeken, maar twee dossiers expliciet in het verslag heeft besproken. De raad heeft ook daarin geen aanleiding gezien te twijfelen aan de bevindingen van de vooronderzoeker.
Dossierbeheer
5.14 Uit het verslag van de vooronderzoeker is voor de raad een bevestigend beeld gevolgd van de structurele tekortkomingen in het dossierbeheer en de dossieradministratie van verweerster. De vooronderzoeker heeft geen wijzigingen gezien in de werkwijze van verweerster ten opzichte van de eerder vastgestelde bevindingen van de deken. Voor de vooronderzoeker was het slecht inzichtelijk hoe dossiers zijn opgebouwd of wat de stand van zaken daarin is. Ook heeft de vooronderzoeker geconstateerd dat de digitale dossiers die volgens verweerster leidend zouden moeten zijn, niet volledig zijn omdat verweerster haar gespreksaantekeningen enkel in de (fysieke) doorzichtige insteekhoezen in haar woning bewaart. Daarmee staat vast dat de digitale dossiers niet volledig zijn.
5.15 Ook heeft de vooronderzoeker opgemerkt dat het niet duidelijk is wanneer zaken digitaal gearchiveerd zijn en wanneer dossiers worden vernietigd. Voor cliënten is daardoor niet duidelijk hoe lang hun dossier feitelijk bewaard zal blijven.
Waarneming
5.16 Uit de verslagen van de kantoorbezoeken is de raad gebleken dat verweerster de waarneming van haar praktijk langdurig niet heeft geregeld. Ten aanzien van haar huidige waarnemer heeft verweerster niet onderbouwd uitgelegd dat deze de expertise heeft alle zaken die tot haar praktijk behoren adequaat waar te nemen.
5.17 Het is de raad bovendien niet gebleken dat verweerster de waarneming inmiddels daadwerkelijk op orde heeft in de zin dat de waarnemer ook in staat is om op korte termijn in te springen als dat nodig is. Verweerster heeft deze waarnemer naar eigen zeggen geen inzicht gegeven in de wijze waarop zij haar dossiers beheert. Juist vanwege de geconstateerde gebreken aan de wijze waarop verweerster haar dossier beheert, acht de raad dit zorgelijk. Ook zal de waarnemer niet kunnen beschikken over volledige dossiers, omdat de gespreksaantekeningen uit de fysieke insteekhoezen zullen ontbreken.
Naamgeving van kantoor
5.18 Verweerster heeft voor haar kantoor diverse namen in gebruik. Daarmee laat zij onduidelijkheid bestaan met wie cliënten een overeenkomst van opdracht aangaan en met wie zij en derden contact hebben. Die onduidelijkheid dient verweerster naar het oordeel van de raad te vermijden, zoals ook volgt uit afdeling 7,2 van de Voda.
5.19 Verweerster heeft aan de vooronderzoeker toegezegd dat zij ‘Advocatenkantoor [naam verweerster] zou gaan hanteren en de overige namen zou aanpassen. Deze wijzigingen zijn niet volledig doorgevoerd. Verweerster heeft daarmee ook tot op heden de onduidelijkheid over de naamgeving van haar kantoor niet weggenomen.
Klachtenregeling
5.20 De vooronderzoeker heeft geconstateerd dat er een klachtenregeling aanwezig is en dat deze ook is opgenomen in de algemene voorwaarden. Echter, deze klachtenregeling is aangeduid als ‘Klachtenregeling [naam verweerster] International B.V.’. Het is de raad een raadsel waarom verweerster, terwijl er jarenlang een klachtenregeling ontbrak, nu een klachtenregeling heeft waarin verwezen wordt naar de B.V. Verweerster zet cliënten daarmee op het verkeerde been, omdat het advocatenkantoor geen klachtenregeling heeft. Verweerster voldoet niet aan artikel 6.28 Voda.
Overtreden schorsingsvoorwaarden
5.21 Volgens de vooronderzoeker heeft verweerster op meerdere momenten de schorsingsvoorwaarden overtreden. De raad is aan deze constatering voorbij gegaan, omdat het dekenbezwaar hierover niet klaagt en de deken dit ook niet als aanvullende klacht naar voren heeft gebracht.
Geheimhoudingsovereenkomsten
5.22 De vooronderzoeker heeft vastgesteld dat de boekhouder een geheimhoudingsovereenkomst heeft ondertekend. Het is de vooronderzoeker gebleken dat verweerster kort voor het kantoorbezoek aan de slag is gegaan met het sluiten van geheimhoudingsovereenkomsten. Dat geldt in ieder geval voor de overeenkomst met de zus van verweerster. Het is de raad echter niet gebleken dat verweerster zelf heeft aangedrongen op het sluiten van de geheimhoudingsovereenkomst met haar zus.
5.23 De raad is verweerster niet gevolgd in haar verweer dat geheimhoudingsovereenkomsten niet nodig zijn, omdat deze personen via artikel 11a Advocatenwet al verplicht zijn tot geheimhouding. Verweerster heeft op grond van gedragsregel 3 lid 2 de verantwoordelijkheid passende maatregelen te treffen ter handhaving van de vertrouwelijkheid. Dat familieleden van een advocaat bij dossiers van cliënten kunnen, zonder dat deze familieleden betrokken zijn bij de praktijkvoering, verhoudt zich daar naar het oordeel van de raad niet mee. Het sluiten van geheimhoudingsovereenkomsten geldt volgens de raad als minimale eis ter handhaving van de vertrouwelijkheid.
Privacyverklaring
5.24 De raad heeft de privacyverklaring van verweerster onvoldoende geacht. Deze is van algemene aard en gaat niet in op de gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de dienstverlening van verweerster.
Opleidingspunten en deelnamebewijzen
5.25 De vooronderzoeker heeft in haar bevindingen geen tekortkomingen waargenomen ten aanzien van de door verweerster te behalen opleidingspunten. De raad heeft dit onderdeel daarom niet verder besproken.
De maatregel
5.26 De raad heeft overwogen dat de kantoororganisatie van verweerster langdurig niet heeft voldaan aan de basisverplichtingen die gelden voor de advocatuur. Na diverse kantoorbezoeken heeft zij aanwijzingen van de deken consequent niet tot nauwelijks opgevolgd. Verweerster heeft weliswaar steeds kleine aanpassingen doorgevoerd, maar deze aanpassingen zijn halfslachtig en niet altijd duurzaam uitgevoerd.
5.27 Ernstiger acht de raad dat verweerster nauwelijks werk heeft gemaakt van het verbeteren van de essentiële onderdelen van haar werk, zoals de wijze waarop zij haar dossiers beheert. Meerdere dekens hebben al sinds 2013 tekortkomingen gesignaleerd, terwijl ook de tuchtuitspraken naar aanleiding van klachten tegen verweerster het beeld scheppen dat verweerster structureel tekortschiet in de organisatie van haar praktijk, met name waar het de financiële afspraken met cliënten betreft. Verweerster bagatelliseert deze kritiek en miskent daarbij dat het correct bijhouden van dossiers behoort tot de zorg voor de cliënt. Ook moet verweerster ervoor zorgen dat dossiers bijgewerkt, helder geordend en snel in te zien zijn, voor het geval een waarnemer de zaak plotseling moet overnemen. Over dit laatste uit de deken terechte zorgen. Verweerster lijkt het belang van goede waarneming niet in te zien. Dat beeld is voor de raad bevestigd door de toelichting van verweerster dat zij ook tijdens haar schorsing geen waarnemer heeft ingeschakeld.
5.28 Verweerster heeft daarbij naar het oordeel van de raad een laconieke houding aangenomen richting de deken en de tuchtrechter. Bij het kantoorbezoek door de vooronderzoeker had verweerster geen dossiers klaar liggen, met als gevolg dat de vooronderzoeker naar het huisadres van verweerster moest reizen om daar dossier in te zien.
5.29 De raad heeft op grond van het voorgaande geconcludeerd dat verweerster een fundamenteel gebrek aan inzicht heeft in de verantwoordelijkheden en verplichtingen van advocaten. Zij is daar sinds 2013 herhaaldelijk op gewezen, maar het is zelfs in 2025 niet op orde. Dit beeld wordt versterkt door het tuchtrechtelijk verleden van verweerster. Verweerster heeft langdurig onvoldoende blijk gegeven dat zij zich bewust is van de voor de advocatuur elementaire beginselen en regelgeving. De raad heeft daarom geoordeeld dat verweerster niet langer thuishoort in de advocatuur en heeft de maatregel van schrapping opgelegd.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerster
Beroepsgrond I 6.1 Verweerster voert aan dat haar recht op een eerlijke procedure met voeten is getreden. Verweerster is niet gekend in de inhoud van het dekenbezwaar en heeft het conceptdekenbezwaar niet voorgelegd gekregen. Tussen de laatste mededeling van de deken waarin hij verweerster heeft ontboden op het Ordebureau en de indiening van het dekenbezwaar liggen slechts 16 dagen. Het had op de weg van de deken gelegen verweerster voor te leggen waarover hij een dekenbezwaar zou indienen.
6.2 Naar aanleiding van het kantoorbezoek van 16 oktober 2023 heeft verweerster op 28 december 2023 een bericht aan de deken gezonden met daarbij bijlagen ter onderbouwing van haar toelichting over de stand van zaken rond de aanwijzingen die waren gegeven in het verslag van het kantoorbezoek. Verweerster heeft nooit van de deken vernomen of en in hoeverre met de toelichting en de bewijsstukken was voldaan aan de gegeven aanwijzingen. De deken heeft daarbij nagelaten deze ontlastende informatie bij zijn dekenbezwaar aan de raad te overleggen. Verweerster heeft hier in eerste aanleg op gewezen, maar uit de beslissing van de raad blijkt niet dat de raad aan de hand daarvan heeft beoordeeld of verweerster de aanwijzingen van de deken had opgevolgd.
6.3 De raad heeft overwogen dat van een schending van gedragsregel 29 door verweerster geen sprake is. Dit had er toe moeten leiden dat het dekenbezwaar in ieder geval niet meer dan ‘gedeeltelijk gegrond’ is.
6.4 Uit de omstandigheid dat de raad in zijn tussenbeslissing van 23 december 2024 een vooronderzoek heeft gelast, blijkt volgens verweerster dat het dekenbezwaar als zodanig onvoldoende helderheid bood over de vraag of verweerster haar dossierbeheer en zakenadministratie voldoende op orde had. Verweerster heeft met het vooronderzoek ingestemd, in de veronderstelling dat de raad een onafhankelijke onderzoeker zou opdragen aan waarheidsvinding te doen. Eerst bij de tussenbeslissing bleek verweerster dat het onderzoek is opgedragen aan de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Den Haag. Aan de vooronderzoeker zijn daarbij geen bevoegdheden verleend als bedoeld in artikel 46m, lid 2 Advocatenwet. Een bevoegdheidstoedeling ontbreekt in de tussenbeslissing.
6.5 Op enig moment heeft de stafjurist van de vooronderzoeker contact opgenomen voor het maken van een afspraak, zonder de gemachtigde van verweerster in de correspondentie te betrekken. Gevolg hiervan is dat de gemachtigde van verweerster niet aanwezig kon zijn bij het tweede deel van het kantoorbezoek.
6.6 Het steekt verweerster dat de vooronderzoeker haar bij aanvang van het onderzoek ongevraagd het dringende advies heeft gegeven zich van het tableau te laten uitschrijven. Verweerster betwist dat dit advies het gevolg was van een mededeling van verweerster dat zij haar praktijk wilde verkopen. De vooronderzoeker heeft daarvan ook geen melding gemaakt in haar verslag.
6.7 Het verslag is aanvankelijk zonder bijlagen aan verweerster gestuurd en haar verzoek om een langere reactietermijn is geweigerd omdat met de raad de afspraak was gemaakt het verslag op 10 februari 2025 in te dienen. Verweerster was niet op de hoogte van die datum. De raad heeft het daarbij ten onrechte over een ‘conceptverslag’. Het conceptverslag was tevens het eindverslag, omdat geweigerd is de opmerkingen en correcties van verweerster in het verslag te verwerken. Volgens de raad was voldoende dat de opmerkingen van verweerster bij het verslag zijn gevoegd, maar dat strookt niet met de voorgeschreven werkwijze van de vooronderzoeker.
6.8 Verweerster voert aan dat de vooronderzoeker buiten de opgedragen omvang van het vooronderzoek is getreden. Zo heeft zij opmerkingen gemaakt over vermeende werkzaamheden tijdens de schorsingsperiode, terwijl dit geen onderdeel was van het opgedragen onderzoek. Het past de vooronderzoeker daarbij niet om, vooruitlopend op de beoordeling van het verslag, zelf conclusies te trekken, voor zover die conclusies kunnen worden gedragen door de feiten die de vooronderzoeker zelf heeft vastgesteld, maar die niet door bijvoorbeeld schriftelijk bewijs worden ondersteund. De vooronderzoeker heeft daarbij actief deelgenomen aan de voortzetting van de mondelinge behandeling bij de raad op 16 juni 2025.
6.9 De raad heeft volgens verweerster ongemotiveerd geoordeeld dat in de bezwaren van verweerster geen aanleiding wordt gezien om aan de onafhankelijkheid van de vooronderzoeker te twijfelen. Verweerster wijst er op dat de vooronderzoeker geen lid is van de rechtelijke macht of het tuchtcollege. In dit geval is de deken Den Haag tot vooronderzoeker benoemd, terwijl de vooronderzoeker voor, tijdens en na de mondelinge behandeling samen met de deken Rotterdam optrok en zij bovendien deel uitmaken van hetzelfde dekenberaad. Ook rijst volgens verweerster de vraag naar de rol en bevoegdheid van de stafjurist in het vooronderzoek. De Advocatenwet geeft aan dat de bevoegdheden van de vooronderzoeker uitsluitend aan de vooronderzoeker kunnen toekomen. De stafjurist is niet tot vooronderzoeker benoemd.
Beroepsgrond II 6.10 De vooronderzoeker heeft zich volgens verweerster niet aan de door de raad verstrekte opdracht gehouden. De raad heeft de vooronderzoeker opgedragen minimaal tien recente dossiers te onderzoeken. De vooronderzoeker heeft in haar verslag slechts twee dossiers beschreven, zonder die bevindingen te voorzien van kopieën van onderliggende stukken uit het dossier. Verweerster kan daardoor niet reageren op de vermeende tekortkomingen. Volgens verweerster ligt de bewijslast van de klacht bij de aanklagende instantie en is het aan het bevoegd gezag om aannemelijk te maken dat een overtreder een overtreding heeft gepleegd.
6.11 De raad heeft kritiekloos de verklaring van de vooronderzoeker gevolgd dat zij meer dossiers heeft bekeken dan in haar verslag is benoemd. Door de vooronderzoeker zijn slechts twee dossiers expliciet in het verslag besproken. De raad heeft zijn vernietigende oordeel over de dossiervoering van verweerster dus alleen gebaseerd op twee dossiers, terwijl de vooronderzoeker geen enkel stuk uit die dossiers heeft overgelegd. Voor het overige heeft de raad zijn oordeel gebaseerd op kennelijk door de vooronderzoeker niet in het verslag beschreven dossiers, waarvan niet duidelijk is hoeveel dossiers het betreft. Het is voor verweerster onmogelijk zich hiertegen te verdedigen.
6.12 Uit de overweging van de raad dat in de ter zitting gedane verklaringen van de vooronderzoeker en haar stafjurist “een bevestigend beeld” van de structurele tekortkomingen in het dossierbeheer en de dossieradministratie volgt, leidt verweerster af dat het onderzoek door de vooronderzoeker kennelijk alleen diende ter ondersteuning van een vooraf ingenomen oordeel van de raad.
6.13 De deken heeft sinds het indienen van het dekenbezwaar op 15 maart 2024 geen bewijsstukken meer ingediend. Het dekenbezwaar zoals dat op 15 maart 2024 is afgerond, dient dan ook uitgangspunt te zijn bij de beoordeling van de praktijkuitoefening van verweerster. De raad heeft zijn oordeel echter gebaseerd op nieuwe bevindingen die dateren van na indiening van het dekenbezwaar en heeft daarbij het zwaartepunt verlegd naar het dossierbeheer en de dossieradministratie.
6.14 Onder verwijzing naar haar brief aan de vooronderzoeker van 7 maart 2025 stelt verweerster verder dat de aspecten naamgeving kantoor, klachtenregeling, geheimhoudingsovereenkomsten, privacyverklaring, stichting derdengelden en opleidingspunten waarschijnlijk niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen, maar dat niet gezegd kan worden dat verweerster daarin geen verbetering heeft aangebracht.
Beroepsgrond III 6.15 Verweerster maakt tot slot bezwaar tegen de opgelegde maatregel. Aan de maatregel tot schrapping ligt volgens verweerster ten grondslag dat verweerster na diverse kantoorbezoeken de aanwijzingen van de deken consequent niet tot nauwelijks zou hebben opgevolgd. Die overweging vindt volgens verweerster geen steun in de feiten.
6.16 Verweerster miskent niet dat het correct bijhouden van dossiers behoort tot de zorg voor de cliënt. Verweerster is een ‘laconieke houding’ richting de deken en de tuchtrechter verweten, maar de raad heeft niet gemotiveerd waaruit die houding concreet bestaat. Dat verweerster bij het kantoorbezoek geen dossiers had klaarliggen betreft een houding jegens de vooronderzoeker. Dit was niet laconiek, want verweerster bewaart haar digitale dossiers op een centrale plek en dat is haar huisadres.
6.17 Over het dossierbeheer is volgens verweerster ook na het vooronderzoek nog geen duidelijkheid ontstaan. De bewijsvoering door de vooronderzoeker voldoet niet aan de opdracht die de raad heeft verstrekt. Het oordeel van de raad betreft daardoor een aanname.
6.18 Het dekenbezwaar is gebaseerd op de vermeende niet-opvolging van de concrete aanbevelingen die zijn gedaan na het kantoorbezoek op 16 oktober 2023 en 9 januari 2024. Daartoe dient de beoordeling van het dekenbezwaar zich te beperken. Ten aanzien van die aanbevelingen resteren slechts de items die zijn weergegeven onder rechtsoverweging 5.19 tot en met 5.28 van de beslissing van de raad. Over een deel van die bevindingen wordt vervolgens geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat verweerster daar niets aan gedaan heeft. Ook in onderlinge samenhang bezien, vormen deze verbeterpunten geen rechtvaardiging voor het opleggen van een schrapping.
Verweer deken
6.19 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar een algemeen belang, waaronder het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij deze maatstaf aansluiting gezocht.
Bezwaren tegen het onderzoek door de vooronderzoeker
7.2 De beroepsgrond van verweerster dat de raad in zijn tussenbeslissing verzuimd heeft te bepalen welke van de in de artikelen 5:13 tot en met 5:17 en 5:20, lid 1 Algemene wet bestuursrecht vermelde bevoegdheden de vooronderzoeker namens de raad mocht uitoefenen, zoals is bepaald in artikel 46m, lid 2, tweede volzin Advocatenwet, slaagt. Deze bevoegdheden kwamen de vooronderzoeker niet toe, omdat de vooronderzoeker niet de voor verweerster bevoegde deken en toezichthouder is (artikel 12 in samenhang met artikel 45a Advocatenwet), zodat deze bevoegdheden door de raad hadden dienen te worden verleend. Het hof verbindt daar in dit geval geen andere consequentie aan dan de constatering daarvan, omdat de onderzoeksopdracht aan de vooronderzoeker in de tussenbeslissing, zoals verweerder ook stelt, duidelijk is omschreven en bepaald.
7.3 De beroepsgrond van verweerster dat het de vooronderzoeker, vooruitlopend op de beoordeling van het verslag door de raad, niet past zelf conclusies te trekken, slaagt ook. In het verslag van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken. De rol van de vooronderzoeker is ten behoeve van de oordeelsvorming door de raad feiten te onderzoeken. Het is vervolgens aan de raad, en niet aan de vooronderzoeker, een oordeel te verbinden aan de feiten. Anders dan de raad overweegt is dus niet relevant dat de vooronderzoeker, als deken en toezichthouder, voor het trekken van conclusies voldoende deskundig was. De vooronderzoeker trad niet op als de voor verweerster bevoegde deken en toezichthouder, maar als vooronderzoeker voor de raad. Anders dan de raad heeft overwogen is evenmin relevant dat het trekken van conclusies gebruikelijk is bij een kantoorbezoek. Wat gebruikelijk is bij een kantoorbezoek door de bevoegde deken is niet maatgevend voor een vooronderzoeker die niet in die hoedanigheid optreedt.
7.4 De beroepsgrond van verweerster dat de vooronderzoeker zich niet aan de door de raad verstrekte opdracht heeft gehouden door niet tien, maar twee dossiers, te onderzoeken slaagt ook. De raad heeft de vooronderzoeker uitdrukkelijk opgedragen om minimaal tien (recente) dossiers te onderwerpen aan een steekproef op bepaalde omschreven punten. Met het aantal van tien heeft de raad kennelijk zeker willen stellen dat de steekproef voldoende representatief zou zijn. De vooronderzoeker heeft evenwel slechts van twee met naam benoemde dossiers in het verslag van het vooronderzoek summier de bevindingen weergegeven. Dat de vooronderzoeker bij het onderzoek ter zitting bij de raad heeft verklaard meer dossiers te hebben bekeken dan in het verslag bij naam zijn genoemd volstaat niet, anders dan de raad heeft overwogen, om de bevindingen van de vooronderzoeker voor juist te aanvaarden. Zoals verweerster ook stelt, kan zij zich tegen de bevindingen van het vooronderzoek slechts verdedigen als deze bevindingen duidelijk met bewijs zijn onderbouwd en is het niet, anders dan de raad heeft overwogen, aan verweerster om niet met bewijs onderbouwde bevindingen van de vooronderzoeker en in het geheel niet schriftelijk vastgelegde bevindingen te weerleggen. Omdat de verslaglegging van de twee bij naam genoemde dossiers summier was en van de overige door de vooronderzoeker bekeken dossiers de bevindingen in het geheel niet in het verslag zijn opgenomen kon verweerster dan ook niet anders dan in algemeenheden verweer voeren. Daarbij komt dat tijdens het onderzoek ter zitting duidelijk werd dat verweerster van mening is dat ten tijde van het vooronderzoek er tachtig dossiers waren, terwijl de vooronderzoeker meende dat het op dat moment slechts ging om twintig dossiers. Dit roept de vraag op of de vooronderzoeker wellicht zestig dossiers niet heeft gezien, althans is in ieder geval duidelijk dat het vooronderzoek geen uitsluitsel heeft gegeven hoeveel dossiers in behandeling waren ten tijde van het vooronderzoek. Gelet op het vorenstaande kunnen de bevindingen van de vooronderzoeker over het dossierbeheer niet als grondslag dienen voor de beoordeling van het dekenbezwaar.
7.5 Met betrekking tot de beroepsgronden van verweerster dat de gemachtigde van verweerster niet betrokken is bij het plannen van het kantoorbezoek, dat de vooronderzoeker ongevraagd een dringend advies heeft gegeven en dat door de vooronderzoeker hoor en wederhoor is geschonden wordt verwezen naar hetgeen de raad onder 5.8 tot en met 5.10 van de eindbeslissing heeft overwogen en worden deze overwegingen als hier herhaald en ingelast beschouwd.
De beoordeling van het dekenbezwaar
7.6 Met betrekking tot de beroepsgronden van verweerster dat het indienen van het dekenbezwaar niet (tijdig) is aangekondigd en (daardoor) hoor en wederhoor is geschonden, dat verweerster niet vooraf een concept van het dekenbezwaar heeft ontvangen en de e-mail van 28 december 2023 niet bij het dekenbezwaar was gevoegd heeft de deken het boetekleed aangetrokken en in zijn verweer opgemerkt dat dit anders had gemoeten. Dit rechtvaardigt echter niet de conclusie die verweerster daaraan verbindt, namelijk dat niet meer sprake zou zijn van een eerlijk proces (artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden).
7.7 Voor zover verweerster met de beroepsgrond dat de raad is afgeweken van de grondslag van het dekenbezwaar door zijn oordeel te baseren op nieuwe bevindingen na de indiening van het dekenbezwaar en het zwaartepunt te verleggen naar het dossierbeheer en de dossieradministratie heeft willen betogen dat de raad buiten het dekenbezwaar is getreden geldt dat de raad op grond van artikel 46d, lid 9 Advocatenwet een klacht ambtshalve kan aanvullen, mits het recht op hoor en wederhoor wordt nageleefd. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing bij een dekenbezwaar. Aan het recht op hoor en wederhoor is voldaan.
7.8 Dat het hof de bevindingen uit het vooronderzoek niet (geheel) overneemt, laat onverlet dat het hof heeft te oordelen over het dekenbezwaar. Het hof begrijpt het dekenbezwaar aldus, dat de deken zich ernstige zorgen maakt over de wijze waarop verweerster haar praktijk voert. Uit het dekenbezwaar volgt dat de deken daarmee concreet doelt op tekortkomingen op het punt van het kantoorhandboek, de waarnemingsovereenkomst en de dossiervoering. Niet in geschil is dat verweerster inmiddels een kantoorhandboek heeft opgesteld zodat het hof deze tekortkoming verder buiten beschouwing laat. Ten aanzien van het dossierbeheer en de waarnemingsovereenkomst overweegt het hof het volgende.
Dossierbeheer en dossieradministratie
7.9 Het dossierbeheer en de dossieradministratie van verweerster voldoen niet aan de daaraan te stellen eisen. Naar aanleiding van het kantoorbezoek van een lid van de raad van de orde en een stafjurist op 9 januari 2024 heeft de deken op 11 januari 2024 aan verweerster geschreven dat tijdens het kantoorbezoek aan het huisadres van verweerster is geconstateerd dat de papieren dossiers van verweerster in een antieke kast op elkaar gestapeld liggen en van buitenaf niet te zien is welk dossier het betreft. Persoonlijke en zakelijke dossiers liggen door elkaar. In de papieren dossiers bevinden zich processtukken en handgeschreven aantekeningen, terwijl de correspondentie geheel ontbreekt. Uit de papieren dossiers is niet op te maken in welke stand de zaken zich bevinden. Naar aanleiding van dit kantoorbezoek heeft de stafjurist tijdens het onderzoek ter zitting bij de raad op 4 november 2024 verklaard dat de correspondentie zich in de computer van verweerster bevond. De stafjurist verklaarde: “Alle e-mails stonden in Outlook. Verweerster toetst dan de naam in van een cliënt en dan komen alle e-mails onder elkaar te staan.”
7.10 Verweerster heeft tijdens het onderzoek ter zitting van de raad verklaard dat de dossiers van lopende zaken op haar computer staan, dat zij mapjes op de computer bijhoudt en dat daarin de stukken op volgorde en op datum worden opgeslagen. Tijdens het onderzoek ter zitting bij de raad is onduidelijkheid ontstaan over de vraag of verweerster naast het opslaan van e-mails en processtukken in Outlook ook een digitaal dossier bijhoudt. Deze onduidelijkheid is voor de raad (mede) aanleiding geweest een nader onderzoek te gelasten naar de wijze waarop verweerster haar dossierbeheer en zakenadministratie heeft georganiseerd. Tijdens het onderzoek ter zitting van het hof heeft verweerster meer duidelijkheid verschaft over de wijze waarop zij haar dossiers beheert. Verweerster heeft bevestigd dat haar digitale dossieradministratie bestaat uit submapjes in Outlook. Verweerster heeft verklaard dat zij in de papieren dossiers alles wat per post binnenkomt samen met haar persoonlijke aantekeningen in plastic mapjes bewaart en dat zij daarnaast e-mails in mappen in Outlook bewaart, waaraan ook de processtukken gekoppeld zijn. Alle documenten ‘hangen’ dus aan een e-mail in Outlook die zijn opgeslagen in submappen die vervolgens te doorzoeken zijn op chronologische of alfabetische volgorde en waarin op onderwerp gezocht kan worden.
7.11 Uitgaande van de verklaringen van verweerster over haar dossierbeheer en dossieradministratie, tezamen met hetgeen uit het kantoorbezoek op 9 januari 2024 naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat het dossierbeheer en de dossieradministratie van verweerster niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Van een overzichtelijk geordende en eenvoudig toegankelijke dossieradministratie is geen sprake. De wijze waarop verweerster haar dossiers beheert volstaat dan ook niet in een adequate praktijkvoering en maakt het voor een waarnemer ondoenlijk op toereikende wijze zorg te dragen voor een goede behandeling van de dossiers. Het dekenbezwaar is in zoverre gegrond.
Waarneming
7.12 De deken verwijt verweerster verder dat zij de waarneming van haar praktijk langdurig niet had geregeld. Tijdens het onderzoek ter zitting van de raad op 4 november 2024 heeft verweerster verklaard dat zij een waarnemer heeft, maar dat de waarnemingsovereenkomst nog niet is getekend. Ook in hoger beroep heeft verweerster geen ondertekende waarnemingsovereenkomst overgelegd. Verder heeft verweerster niet onderbouwd dat de waarnemer de expertise heeft alle zaken die tot de praktijk van verweerster behoren adequaat waar te kunnen nemen. Bovendien is gesteld noch gebleken dat verweerster haar waarnemer inmiddels inzicht heeft gegeven in de wijze waarop zij haar dossiers beheert. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het dossierbeheer van verweerster, kan daarmee geen sprake zijn van een adequate waarneming. Ook in zoverre is het dekenbezwaar gegrond.
Naamgeving, klachtenregeling en privacyverklaring
7.13 Inzake het oordeel van de raad met betrekking tot naamgeving, klachtenregeling en privacyverklaring heeft verweerster erkend dat die waarschijnlijk niet volledig voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Het hof neemt het oordeel van de raad dienaangaande over en desbetreffende overwegingen worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.
Slotsom
7.14 Het hof concludeert dat de praktijkvoering van verweerster op de punten van dossierbeheer, dossieradministratie, waarneming, de naamgeving, de klachtenregeling en de privacyverklaring niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het dekenbezwaar is in zoverre gegrond.
8 MAATREGEL
8.1 De praktijkvoering van verweerster voldoet op het punt van de wijze waarop zij haar dossiers beheert en haar waarneming geregeld heeft niet aan de daaraan te stellen eisen. Verweerster dient zorg te dragen voor het correct bijhouden van dossiers, door deze helder te ordenen en ervoor te zorgen dat deze gemakkelijk en volledig in te zien zijn voor het geval een waarnemer dient in te springen. Cliënten moeten daarbij erop kunnen vertrouwen dat hun dossier bij verweerster in goede handen is. Daaronder valt een overzichtelijk geordende en eenvoudig toegankelijke dossieradministratie. Dat verweerster haar eigen werkwijze zelf wel werkbaar vindt doet daaraan niet af: een dossieradministratie moet ook voor een derde toegankelijk zijn. Verweerster is er tijdens kantoorbezoeken meerdere malen op gewezen dat zij de wijze waarop zij haar dossiers beheert dient te verbeteren, maar heeft de aanwijzingen van de deken op dit punt niet tot nauwelijks opgevolgd. Verweerster heeft er hiermee (nog altijd) geen blijk van gegeven het belang van een adequaat dossierbeheer in te zien. Verder heeft verweerster, ondanks meerdere malen hierop gewezen te zijn, nog altijd geen ondertekende waarnemingsovereenkomst overgelegd. Verweerster laat daarmee een gebrek aan inzicht zien in de verantwoordelijkheden en verplichtingen van een advocaat. Het hof rekent dit verweerster zwaar aan. Daar komt bij dat er ook tekortkomingen zijn met betrekking tot de naamgeving, de klachtenregeling en de privacyverklaring.
8.2 Het hof neemt voorts in aanmerking dat verweerster de afgelopen jaren veelvuldig met tuchtprocedures is geconfronteerd en dat haar vele maatregelen zijn opgelegd. Het hof verwijst naar wat daarover is overwogen in rechtsoverweging 3.3 tot en met 3.16. Dit aanzienlijk tuchtrechtelijk verleden mede in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat een stevige maatregel op zijn plaats is en dat met niet minder kan worden volstaan dan met een onvoorwaardelijke schorsing. Het hof acht een onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken passend en geboden. Ten aanzien van de opgelegde maatregel zal de beslissing van de raad dan ook worden vernietigd.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerster op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021: a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; b) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 11 augustus 2026 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 24-201/DH/RO/D;
en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart het dekenbezwaar gegrond op het punt van het dossierbeheer, de dossieradministratie, de waarnemingsovereenkomst, de naamgeving, de klachtenregeling en de privacyverklaring,
10.3 legt aan verweerster de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 26 weken,
10.4 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 11 mei 2026, met dien verstande dat:
- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen; - verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat; - deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
10.5 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K. Teuben , M.S.A. van Dam, Chr. H. van Dijk en P.J.G. van den Boom leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 april 2026.
