Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:102

Zaaknummer

250429

Inhoudsindicatie

Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft volgens het hof terecht overwogen dat het verzoek van klager onvoldoende is onderbouwd en geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

Beslissing van 10 april 2026 in de zaak 250429      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager     

tegen:     

de deken

 

 

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken 1.1    Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 18 november 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek van klager onvoldoende is onderbouwd. Het bevat onvoldoende aanknopingspunten dat de door klager gewenste procedure een redelijke kans van slagen heeft. 

Bij het hof

1.3    Klager heeft op 4 december 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier: -    het verweer van de deken.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Per webformulier van 22 januari 2025 heeft klager een verzoek tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet bij de deken ingediend. 

2.2    Klager wenst een advocaat om de gemeente aansprakelijk te stellen voor gestelde schade in de periode van juni 2017, dan wel februari 2018 tot december 2019, zulks in het kader van de door Veilig Thuis aan de kinderrechter verzochte ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de (toentertijd minderjarige) dochter van klager. Ook stelt klager een advocaat nodig te hebben om in gesprek te komen met de gemeente. Klager is van mening dat de gemeente aansprakelijk is voor kinderhandel en kinderontvoering omdat de gemeente een en ander heeft bekostigd. Klager houdt de gemeente verantwoordelijk voor het doen en laten van de gecertificeerde instelling Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en de uitspraken van de kinderrechters, waarin de ondertoezichtstelling en (gesloten) uithuisplaatsing zijn uitgesproken. Volgens klager is de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet. 

2.3    Op 28 januari 2025 heeft de stafjurist van het ordebureau van de deken klager in een e-mail geïnformeerd over de voorwaarden om in aanmerking te komen voor aanwijzing van een advocaat. In dit bericht is klager er ook op gewezen dat het de deken ambtshalve bekend is dat klager in februari 2019 een soortgelijk verzoek tot aanwijzing van een advocaat heeft ingediend. Dat verzoek had betrekking op het aansprakelijk stellen van de gemeente voor het falen van de jeugdzorg (Jeugdwet) door Veilig Thuis en het eisen van een schadevergoeding, welk verzoek door klager in juni 2019 is ingetrokken waarna het dossier door het ordebureau is gesloten en gearchiveerd.  Daarom is klager verzocht om nadere informatie en stukken. 

2.4    Op 15 en 19 februari 2025 heeft klager de e-mail van 28 januari 2025 beantwoord zonder overlegging van schriftelijke stukken.

2.5    Op 26 februari 2025 heeft klager in een e-mail een lijst overgelegd van namen van advocaten(kantoren) die klager heeft benaderd maar die hem niet kunnen of willen bijstaan. 

2.6    Ook op 26 februari 2025 heeft de stafjurist klager nogmaals verzocht en gerappelleerd om de op 28 januari 2025 gestelde vragen te beantwoorden en de gevraagde stukken te overleggen. Ook heeft de stafjurist in deze e-mail uitleg gegeven over de Jeugdwet. 

2.7    Op 10 maart 2025 heeft klager per e-mail informatie en stukken verstrekt. Uit deze stukken blijkt dat klager op 10 januari 2020 bij de gemeente een klacht heeft ingediend en onder andere heeft verzocht om een financiële genoegdoening. De gemeente heeft zich op 3 juni 2021 op het standpunt gesteld dat van haar zijde geen sprake is van klachtwaardige gedragingen en heeft klager doorverwezen naar (de klachtprocedure van) Veilig Thuis. Op 10 september 2021 heeft klager een klacht over deze reactie van de gemeente ingediend bij de Nationale Ombudsman.  Na onderzoek heeft de Nationale Ombudsman op 5 juli 2022 geconcludeerd dat de gemeente klager terecht heeft verwezen naar Veilig Thuis voor de behandeling van de klachten van klager omdat zijn klachten in de kern over (het handelen van medewerkers van) Veilig Thuis gaan. 

2.8    De deken heeft het aanwijzingsverzoek van klager op 18 november 2025 afgewezen. 

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag 3.1    Klager stelt dat de deken zijn verzoek om aanwijzing van een advocaat ten onrechte heeft afgewezen. Volgens klager is de gemeente in beginsel juridisch verantwoordelijk voor de uitvoering en de kwaliteit van de jeugdzorg, ook als een uithuisplaatsing middels een rechterlijke machtiging heeft plaatsgevonden. De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit, beschikbaarheid en uitvoering van de jeugdhulp. Als de fout te wijten is aan onzorgvuldig of onrechtmatig handelen van de jeugdzorginstantie die de uithuisplaatsing heeft aangevraagd dan kan die organisatie, en uiteindelijk de gemeente als financier en organisator, aansprakelijk worden gesteld. 

Verweer 3.2    De deken heeft aangevoerd dat klager niet ingaat op de afwijzingsgronden zoals geformuleerd in haar beslissing van 18 november 2025. De opvatting van klager dat de gemeente verantwoordelijk is voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn toenmalig minderjarige dochter is volgens de deken onjuist omdat Veilig Thuis niet onder gezag en/of aansturing van het college van de gemeente werkt. De deken wijst daarbij op het onderzoek en de conclusie van de Nationale Ombudsman en op de uitleg over de Jeugdwet die de stafjurist heeft verstrekt in zijn  e-mail van 26 februari 2025 aan klager. De deken meent dat het beklag ongegrond is. 

 

4.    BEOORDELING  

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Uit de stukken leidt het hof af dat klager de gemeente aansprakelijk wil stellen voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn dochter. De daaraan ten grondslag liggende kwestie heeft echter betrekking op de handelwijze van (medewerkers van) Veilig Thuis in de periode 2017-2019. Klager houdt de gemeente daarvoor verantwoordelijk. Klager heeft eerder in januari 2020 de gemeente hiervoor aansprakelijk gesteld. De gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen en klager doorverwezen naar (de klachtprocedure van) Veilig Thuis.  De Nationale Ombudsman heeft geoordeeld dat de gemeente zich in redelijkheid op dat standpunt mocht stellen. 

4.3    Gelet op het bovenstaande heeft de deken volgens het hof terecht overwogen dat het verzoek van klager onvoldoende is onderbouwd en geen redelijke kans van slagen heeft. 

4.4    Hoewel invoelbaar is dat klager nog altijd last ondervindt van hetgeen in de onderliggende kwestie met Veilig Thuis is gebeurd, ziet het hof in hetgeen klager aanvoert geen aanleiding om de beslissing van de deken voor onjuist te houden. 

4.5    Het voorgaande leidt ertoe dat de deken het verzoek tot aanwijzing van een advocaat terecht heeft afgewezen. Het hof zal het beklag ongegrond verklaren. 

 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 15 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle,  griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 10 april 2026.