Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:92
Zaaknummer
25-396/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht van een onder curatele gestelde. Klacht ingediend door curatoren. De raad verklaart de klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 13 april 2026
in de zaak 25-396/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. D.F. Fransen
over
verweerder
gemachtigde: mr. R. Sanders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 27 januari 2025 hebben de curatoren van klaagster namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 17 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25/15 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij waren klaagster, de curatoren van klaagster, de gemachtigde van klaagster, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de de-mail met bijlagen van de gemachtigde van klaagster van 13 november 2025, de e-mail met bijlage van de gemachtigde van verweerder van 16 november 2025 en de e-mail met bijlage van de gemachtigde van klaagster van 20 november 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 [P] en [A] zijn zoons van klaagster.
2.2 In een beschikking van 28 september 2010 heeft de rechtbank Zutphen bepaald dat klaagster gestoord is in haar geestesvermogens (paranoïde psychose) en is een machtiging verleend om het verblijf van klaagster in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren voor de duur van zes maanden. Klaagster verblijft daar uiteindelijk ongeveer twee jaar. Vanaf 2010 tot aan heden is de psychische gesteldheid van klaagster een twistpunt in de familie. Ook wordt er meermaals een zorgmachtiging afgegeven.
2.3 [P] en [A] zijn bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 18 november 2019 benoemd tot de curatoren van klaagster.
2.4 Vanaf 2019 tot en met april 2021 is klaagster opnieuw opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis.
2.5 Klaagster wordt vanaf september 2023 bijgestaan door verweerder.
2.6 De Officier van Justitie heeft in januari 2024 een verzoek ingediend bij de rechtbank Zutphen tot het verlenen van een zorgmachtiging ten aanzien van klaagster. De rechtbank heeft bij beschikking van 1 februari 2024 de zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 25 juli 2024.
2.7 In een beschikking van 20 februari 2024 heeft de rechtbank Zutphen het verzoek van klaagster tot opheffing van de ondercuratelestelling afgewezen.
2.8 Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 20 februari 2024. Op 25 februari 2025 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan.
2.9 Op 6 maart 2024 heeft er een kort geding plaatsgevonden, naar aanleiding van een dagvaarding van verweerder (namens klaagster) jegens de heren [P en A] met betrekking tot een geschil over het verstrekken van de sleutel van de woning van klaagster door de heren [P en A] en het toestaan dat klaagster noodzakelijke en persoonlijke zaken uit haar woning kan halen en dat zij weer het beheer zou krijgen over haar auto. Tijdens de zitting zijn de verzoeken van klaagster ingetrokken. De voorzieningenrechter heeft de kosten van de procedures gecompenseerd tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. In dat proces-verbaal is onder meer het volgende opgenomen:
1.4. Hoe het precies is gegaan, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld. Daarvoor is nader onderzoek naar de feiten en mogelijk bewijslevering noodzakelijk. Het lukt ook niet om in dit kort geding vast te stellen of de gemachtigde van [klaagster], [verweerder] , zijn boekje te buiten gaat in de vertegenwoordiging van [klaagster] en daarbij niet langer in het belang van [klaagster] handelt. Er valt dus niet te zeggen of voldaan is aan de criteria van artikel 245 lid 1 Rv.
1.5 Als richtsnoer tussen partijen geldt onder meer hetgeen de kantonrechter in zijn uitvoerige beschikking van 20 februari 2024 aan partijen en de betrokken advocaten heeft meegegeven. Namelijk dat het aan de curatoren, betrokkene en de advocaten is om de verhoudingen te normaliseren en tot een werkzame situatie te komen. Ook gelden de Gedragsregels advocatuur als richtsnoer. Op grond van regel 5 van de Gedragsregels advocatuur dient een advocaat voor ogen te houden dat een regeling in der minne veelal de voorkeur verdient boven een proces. Het ging in dit kort geding vanaf 15 februari 2024 slechts nog over de proceskosten die bovendien tot het uitroepen van de zaak op 6 maart 2024 door bode minder bedroegen dan nu het geval is. Regel 6 van de Gedragsregels advocatuur behelst onder meer het vermijden van onnodige rechtszaken en het voorkomen van onnodige kosten. Van belang is dat rechtspraak in ons land een schaars goed is. De rechtspraak heeft een groot tekort aan rechters en probeert zaken zo snel mogelijk weg te werken. Daarin hebben advocaten ook een taak. Regel 7 stelt tot slot dat een advocaat zich niet onnodig grieven uitlaat. Dit zijn richtsnoeren, deels verwoord door de kantonrechter en deels door de Nederlandse Orde van Advocaten, die gelden voor de partijen alsmede voor de advocaten van partijen.
2.10 Op 27 mei 2024 hebben de heren [P en A] een klacht ingediend over verweerder bij de deken.
2.11 Op 19 juli 2024 heeft er een kort geding plaatsgevonden, naar aanleiding van een dagvaarding van verweerder (namens klaagster) jegens de heren [P en A], waarbij de kern erop ziet dat klaagster in hoger beroep tegen de beschikking van 20 februari 2024 met een deskundigenrapport over haar gezondheidstoestand wil onderbouwen dat de noodzaak voor curatele niet meer bestaat, maar dat de curatoren de toestemming voor dit deskundigenrapport weigeren, terwijl klaagster vindt dat zij die toestemming niet nodig heeft. De voorzieningenrechter heeft de vordering van klaagster afgewezen, vanwege - kort gezegd - het ontbreken van een spoedeisend belang.
2.12 In een beschikking van 21 oktober 2024 heeft de rechtbank Zutphen geoordeeld over een aantal verzoeken dat verweerder namens klaagster heeft ingediend.
2.13 De heren [P en A] hebben verweerder op 6 november 2024 gedagvaard. Volgens hen heeft de bijstand van verweerder een ongunstige uitwerking op de gezondheidstoestand van klaagster. Zij hebben bij de voorzieningenrechter gevorderd om verweerder te verbieden om gedurende twee jaar na de datum van de uitspraak direct of indirect ongeacht in welke vorm (telefonisch, schriftelijk, per e-mail, sociale media of op fysieke wijze) contact op te nemen, te zoeken of te hebben met klaagster en verweerder te veroordelen tot het verbeuren van een dwangsom. In een vonnis van 4 december 2024 heeft de voorzieningsrechter in de rechtbank Gelderland deze vordering afgewezen.
2.14 De gemachtigde van de heren [P en A] heeft op 27 januari 2025 de onderhavige klacht tegen verweerder ingediend bij de deken. Daarbij is aangegeven dat de heren [P en A] in hun hoedanigheid van curatoren van klaagster namens haar de klacht hebben ingediend en dat de klacht daarmee zou moeten worden beschouwd als een klacht tegen de eigen advocaat.
2.15 In een arrest van 18 november 2025 heeft het hof Arnhem Leeuwarden het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 4 december 2024 vernietigd en beslist dat verweerder gedurende een jaar vanaf datum van dit arrest op geen enkele wijze direct of indirect contact mag hebben met klaagster, zoals telefonisch, schriftelijk, per e-mail, sociale media of op fysieke wijze.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
nodeloze procedures te voeren; geen duidelijkheid te verschaffen over de geldende financiële afspraken de belangen van klaagster te schaden.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1 Verweerder heeft betoogd dat de curatoren niet-ontvankelijk zijn in deze klacht. De raad overweegt hierover als volgt. De curatoren zijn de wettelijke vertegenwoordigers van een onder curatele gestelde. Een onder curatele gestelde is wilsonbekwaam. Een curator kan in beginsel dan ook namens een onder curatele gestelde klagen over het handelen van een advocaat. Dat geldt ook voor de onderhavige zaak. Het stond deze curatoren vrij om een klacht in te dienen over het vermeende tuchtrechtelijk verwijtbare handelen van verweerder ten gevolge waarvan klaagster in haar belangen zou zijn geschaad.
5.2 De namens verweerder aangevoerde omstandigheden dat klaagster de ondercuratelestelling juist wenst te beëindigen (en verweerder haar hierin bijstaat) en het feit dat niet uit de stukken blijkt dat klaagster toestemming of opdracht heeft gegeven voor het indienen van een klacht namens haar tegen verweerder, zijn onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Dat betekent dat klaagster ontvankelijk is in deze - door de curatoren - namens haar ingediende klacht.
Maatstaf
5.3 De klacht is ingediend namens klaagster over haar eigen advocaat. Bij de beoordeling van een zodanige klacht geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
Klachtonderdelen a) en c)
5.4 Namens klaagster is gesteld dat verweerder nodeloze procedures heeft gevoerd en de belangen van klaagster heeft geschaad.
5.5 De raad concludeert - gelet op de hierboven onder 2.9 geciteerde overwegingen van de voorzieningenrechter - dat verweerder de procedure waarin de voorzieningenrechter op 6 maart 2024 uitspraak heeft gedaan, niet had behoren te voeren. In zoverre volgt de raad klaagster in dit klachtonderdeel. Op grond van deze ene procedure kan echter niet de conclusie worden getrokken dat verweerder - op tuchtrechtelijke wijze - nodeloos procedures heeft gevoerd. Ten aanzien van de andere (namens klaagster genoemde) procedures is dat naar het oordeel van de raad onvoldoende vast komen te staan. Dat klaagster in procedures in het ongelijk is gesteld, maakt nog niet dat deze procedures evident kansloos of nodeloos waren. Ook is onvoldoende gebleken dat verdachte de belangen van klaagster heeft geschaad.
5.6 Daarbij is van belang dat in een deel van de namens klaagster genoemde procedures nog niet onherroepelijk is beslist. Het hoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf is overtreden. Bij de beoordeling van deze verwijten is verder van belang dat uit het oordeel van de raad in de klachtzaak van de curatoren tegen verweerder (waarin de raad gelijktijdig uitspraak doet) - inhoudende dat verweerder het door de wet en de jurisprudentie gegeven mandaat om de belangen van klaagster te behartigen op meerdere punten heeft overschreden - in de onderhavige klachtzaak niet de conclusie kan worden getrokken dat verweerder deze procedures nodeloos heeft gevoerd of dat hij de belangen van klaagster heeft geschaad.
5.7 Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat betekent dat deze klachtonderdelen ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.8 Klaagster stelt dat verweerder geen duidelijkheid heeft verschaft over de gemaakte financiële afspraken. De raad is hierover van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom verweerder gehouden zou zijn om de curatoren van klaagster op de hoogte te brengen van de financiële afspraken die er tussen hem en klaagster, zijn cliënte, zijn gemaakt. Er is onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet gebleken dat verweerder financiële afspraken heeft gemaakt waardoor klaagster of haar curatoren zijn benadeeld, of anderszins financiële afspraken heeft gemaakt die in strijd zijn met de (tuchtrechtelijke) regels. Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. J.G. Molenaar, G.W. Roest, A.W. Siebenga en Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026
