Rechtspraak
Uitspraakdatum
13-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:91
Zaaknummer
26-131/AL/OV
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 13 april 2026 in de zaak 26-131/AL/OV naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 19 februari 2026 met kenmerk 2502810.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager, afkomstig uit Azerbeidzjan, is een procedure gestart tot het verkrijgen van asiel in Nederland.
1.2 In een e-mail van 16 maart 2025 heeft een medewerkster van VluchtelingenWerk Nederland het volgende aan klager geschreven:
U heeft contact opgenomen met Vluchtelingenwerk naar aanleiding van uw mogelijke overdracht aan Duitsland. Om dat verder te bespreken heb ik een afspraak voor u ingepland op maandag 19 mei om 14.00 uur. Graag hoor ik dat voor u mogelijk. Er is overigens door de Raad voor Rechtsbescherming [de voorzitter begrijpt: Rechtsbijstand] een advocaat aan uw zaak toegewezen. Het is Advocatenkantoor [naam] [naam advocaat].
1.3 Op 1 april 2025 heeft verweerder het volgende bericht van de Raad voor Rechtsbijstand ontvangen:
Hierbij zenden wij u informatie in de zaak van onderstaande cliënt. De zaak wordt behandeld in de Dublinprocedure. (…) Wij hebben de cliënt geïnformeerd dat u contact met hem/haar zult opnemen. (…) De RvR heeft aan de IND doorgegeven dat u gemachtigde bent in deze zaak. Het is niet nodig dat u zichzelf stelt als gemachtigde bij de IND.
1.4 Op 8 april 2025 heeft verweerder een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd, waarin verweerder (onder meer) staat dat hij klager als advocaat zal bijstaan en dat klager door de Raad voor Rechtsbijstand aan hem is toegewezen.
1.5 In een e-mail van 24 juni 2025 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven:
Ik heb u meerdere malen geprobeerd te contacteren, maar helaas kreeg ik u niet te pakken. Ik heb uw emailadres gekregen van Vluchtelingenwerk. Kunt u mij uw telefoonnummer sturen? Het gaat over uw asielprocedure in Nederland. We hebben inmiddels een negatieve beslissing gekregen van de IND en ik zou graag de mogelijkheden met u willen bespreken.
1.6 In een e-mail van 25 juni 2025 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven:
Graag wil ik u wederom vragen om zo snel mogelijk in contact te treden met mij. Er is een negatieve beschikking gekomen in uw asielprocedure, omdat een ander (Dublin)land verantwoordelijk zou zijn voor u. Ik heb hiertegen beroep ingesteld om de termijn te redden. Er zal dinsdag een zitting plaatsvinden. Indien ik uiterlijk vrijdag 27 juni niks van u verneem, dan zal ik er vanuit gaan dat u niet verder wenst te gaan met de procedure en dan zal ik daarna de procedure intrekken’.
1.7 Op 1 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door zichzelf in een asielprocedure onrechtmatig en zonder toestemming of volmacht van klager te hebben voorgedaan als de advocaat van klager en op die wijze de zaak van klager te hebben behandeld.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.
4.2 De voorzitter gaat op grond van de vastgestelde feiten uit van de volgende gang van zaken. Klager is een asielprocedure in Nederland begonnen. VluchtelingenWerk Nederland heeft aan klager - nadat hij met deze instantie contact had opgenomen - laten weten dat de Raad voor Rechtsbijstand verweerder als zijn advocaat heeft aangewezen. De Raad voor Rechtsbijstand heeft vervolgens aan verweerder en aan de IND laten weten dat verweerder in deze zaak als gemachtigde voor klager zal optreden en heeft aan verweerder de informatie van deze zaak gestuurd. Verweerder heeft daarna op 8 april 2025 een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd en in e-mails van 24 en 25 juni 2025 aan klager verzocht om contact met hem op te nemen.
4.3 De voorzitter is van oordeel dat verweerder op een correcte manier heeft gehandeld. Verweerder was door de Raad voor Rechtsbijstand aan de zaak van klager toegevoegd en het stond verweerder daarom vrij - ook al had hij op dat moment nog geen contact met klager gehad - om in deze zaak op te treden en in het belang van klager (onder andere) hoger beroep in te stellen tegen een voor klager onwelgevallige beslissing. Verweerder heeft zich bovendien voldoende ingespannen om wel (tijdig) met klager in contact te komen. Verweerder heeft immers meerdere e-mails aan klager gestuurd. Klager heeft echter op geen van die berichten gereageerd, terwijl hij deze wel had ontvangen.
4.4 In zijn klacht heeft klager aangegeven dat hij in deze procedure zichzelf had willen verdedigen en niet door een advocaat bijgestaan had willen worden. Dit heeft klager echter nooit aan verweerder kenbaar gemaakt, ook niet nadat VluchtelingenWerk en verweerder contact met hem hadden opgenomen. Uit de inhoud van het klachtdossier volgt ook niet dat verweerder op een andere manier van deze wens van klager op de hoogte had kunnen zijn. Van het handelen in strijd met deze wens kan verweerder dan ook geen verwijt worden gemaakt.
4.5 De voorzitter is gelet op het voorgaande van oordeel dat van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder geen sprake is. De klacht wordt kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026
