Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:103

Zaaknummer

250423

Inhoudsindicatie

Beklag artikel 13 ongegrond. De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de procedure die klaagster wil voeren bijstand van een advocaat niet noodzakelijk is. Dit omdat het een bestuursrechtelijke procedure betreft, waarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt. De verplichting voor de deken om op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aan te wijzen geldt alleen voor personen die een advocaat zoeken voor een procedure waarbij een advocaat verplicht is of voor een procedure waarin zij uitsluitend door een advocaat kunnen worden bijgestaan.

Uitspraak

Beslissing van 10 april 2026 in de zaak 250423      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klaagster      tegen:      Deken van de Orde van Advocaten  in het arrondissement Den Haag

de deken

 

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken 1.1    Klaagster heeft 27 november 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 28 november 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat er in de procedure die klaagster wil voeren geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging. Daarnaast heeft de deken opgemerkt dat het verzoek zodanig laat is gedaan dat een aan te wijzen advocaat geen tijd meer zou hebben om de zaak gedegen voor te bereiden.

Bij het hof 1.3    Klaagster heeft op 28 november 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier: -    het verweer van de deken -    de repliek; -    de dupliek.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klaagster heeft in 2023 een verzoek ingediend bij de gemeente Eindhoven om handhavend op te treden vanwege door haar ervaren hinder van een houtkachel van de buren. De rechtbank Oost-Brabant heeft dat verzoek afgewezen bij beschikking van 16 september 2025. Klaagster wil hoger beroep instellen bij de Raad van State en heeft hiervoor bij de deken een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend.

2.2    Vanwege een verschil van mening tussen klaagster en DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. heeft klaagster een beroep gedaan op de geschillenregeling. In het kader hiervan is een bindend advies van D. advocaten van 19 november 2025 uitgebracht. 

2.3     Op 31 oktober 2025 heeft mr. L. -de voormalig advocaat van klaagster- hoger beroep op nader aan te voeren gronden bij de Raad van State heeft ingesteld. 

2.4    De deken heeft het verzoek van klaagster om aanwijzing van een advocaat afgewezen omdat voor een (bestuursrechtelijke) procedure bij de Raad van State de bijstand van een advocaat niet verplicht is.  

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag 3.1    Klaagster stelt dat zij wegens gezondheidsredenen niet in staat is om zelf haar zaak bij de Raad van State te doen. Reeds in september 2025 heeft klaagster advocaten met de expertise houtrook benaderd. Het is haar niet gelukt om zelf een advocaat te vinden. Klaagster heeft erop gewezen dat er nog nooit een uitspraak is geweest in het voordeel van een houtrookslachtoffer. Klaagster is ziek geworden door houtstook en vindt dat er een uitspraak van de Raad van State moet komen om slachtoffers in het vervolg te kunnen beschermen.

3.2    Klaagster begrijpt de opmerking van de deken dat zij te laat is niet. De gronden van het bezwaar worden nu ingediend, er is nog ongeveer een jaar om de stukken verder uit te werken. 

Verweer 3.3    De deken heeft aangevoerd dat zij het verzoek om aanwijzing van een advocaat op goede gronden heeft afgewezen. In de bestuursrechtelijke procedure die klaagster wil voeren, is bijstand van een advocaat niet verplicht. Dat klaagster geen advocaat heeft kunnen vinden, valt te betreuren maar maakt niet dat de deken op grond daarvan gehouden is om een advocaat aan te wijzen.

3.4    Ten overvloede heeft de deken opgemerkt dat uit het advies van D. advocaten van 19 november 2025 blijkt dat D. geen redelijke kans aanwezig acht om het bestreden besluit van de gemeente Eindhoven in hoger beroep vernietigd te krijgen. Daarnaast blijkt dat de beroepstermijn bij de Raad van State is gesauveerd door klaagsters voormalig advocaat en heeft klaagster op 29 november 2025 aan de stafjurist van de deken bericht dat de beroepsgronden zijn ingediend. Gelet hierop is de deken van mening dat klaagster geen belang heeft bij het beklag.    

4    BEOORDELING

Toetsingskader 4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de procedure die klaagster wil voeren bijstand van een advocaat niet noodzakelijk is. Dit omdat het een bestuursrechtelijke procedure betreft, waarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt. De verplichting voor de deken om op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aan te wijzen geldt alleen voor personen die een advocaat zoeken voor een procedure waarbij een advocaat verplicht is of voor een procedure waarin zij uitsluitend door een advocaat kunnen worden bijgestaan.

4.3    Het beklag van klaagster dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 28 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort - de Bruin, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 10 april 2026.