Rechtspraak
Uitspraakdatum
07-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:88
Zaaknummer
25-663/AL/GLD/D
Inhoudsindicatie
Dekenbezwaar. Verweerder houdt kantoor in Spanje. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in strijd gehandeld met de artikelen 4.3 en 4.4. Voda. De raad kan zonder bewijs van de door verweerder gevolgde kwaliteitstoetsen of behaalde opleidingspunten niet vaststellen dat verweerder aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Dat verweerder hierin een uitzonderingspositie van de (toenmalige) deken heeft gekregen is de raad niet gebleken. Met de door verweerder opgeworpen systeemtechnische bezwaren kan de raad niets. Het is aan verweerder om daarover met de deken in contact te treden, die zich bereid heeft verklaard om mee te denken. Verweerder heeft daarnaast in strijd gehandeld met artikel 46 Advocatenwet in combinatie met gedragsregel 29 door niet onverkort aan de verzoeken van de deken te voldoen. Door dat zonder gerechtvaardigde reden na te laten, heeft verweerder het toezicht van de deken belemmerd. Verweerder heeft niet alleen structureel niet voldaan aan artikel 46 Advocatenwet en de hiervoor genoemde verplichtingen uit de Voda, verweerder heeft ook in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid als genoemd is artikel 10a lid 1 sub c Advocatenwet. Ook door zijn eigen 'bewijsprobleem' op het bordje van de deken te leggen, heeft verweerder zich niet gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Aan de keuze van verweerder om als advocaat in Nederland ingeschreven te willen blijven, welke keuze blijkens de door verweerder ter zitting gegeven toelichting met name door nostalgische overwegingen is ingegeven, zijn verplichtingen verbonden. Verweerder dient te beseffen dat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Vanwege de ernst van de gedraging en om te voorkomen dat verweerder opnieuw niet aan zijn verplichtingen voldoet door opleidingspunten te behalen en die te bewijzen, acht de raad het op zijn plaats om de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken op te leggen. De raad zal, als stok achter de deur, aan de op te leggen voorwaardelijke schorsing naast de algemene voorwaarden ook een bijzondere voorwaarde verbinden ( binnen vier weken na de uitspraak van de raad alsnog de opgevraagde bewijsstukken over de jaren 2022 tot en met 2024 bij de deken aanleveren).
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 7 april 2026 in de zaak 25-663/AL/GLD/D naar aanleiding van het dekenbezwaar van:
deken
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 30 september 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder.
1.2 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026 in aanwezigheid van de deken en verweerder (digitaal). Van de behandeling is proces verbaal opgemaakt.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde dekendossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van het verweerschrift met 22 bijlagen van verweerder van 31 oktober 2025. Verder heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen namens de deken van 19 december 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het dekendossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerder is een Nederlandse advocaat die kantoor houdt in Spanje. Hij heeft daarvoor een ontheffing verkregen. Verweerder staat ingeschreven op het tableau in het arrondissement van de deken in Gelderland.
2.2 In een e-mail van 10 juli 2017 heeft de adjunct-secretaris namens de (toenmalige) deken over de CCV-opgave over 2016 aan verweerder onder meer geschreven:
Met betrekking tot de opleidingspunten ontvangt de deken graag van u een verklaring dat u in ieder geval 20 opleidingspunten hebt behaald met de opleiding die voldoet aan de vereisten. Dat houdt in ieder geval in dat u opleiding hebt gevolgd op het rechtsgebied waarop u werkzaam was en dat die opleiding van academisch niveau is. De vraag of iets van academisch niveau is, wordt afgewogen aan het gehoor. Dat betekent dat uw columns voor Nederlanders in Spanje niet voldoen aan de vereisten.
U dient er rekening mee te houden dat u in komende jaren in ieder geval zult moeten aantonen dat u aanwezig bent geweest bij cursussen die voldoen aan de vereisten.
2.3 Met uitzondering van zijn CCV-opgave over het jaar 2020 heeft verweerder bij zijn CCV opgave over de jaren 2017-2021 een aantal bewijsstukken gevoegd, zoals facturen, blogposts, agenda-items, programma van een congres en informatie over een conferentie.
2.4 Op 20 maart 2023 heeft verweerder via het webformulier CCV-opgave gedaan over 2022 en onder meer ingevuld: - Behaalde punten in 2022: 0 - Juridische punten: 0 - Inzet overschotpunten: ja, 10 punten - Aantal geregistreerde hoofdrechtsgebieden: 4 - Gestructureerd intercollegiaal overleg (GIO): ja, 8 uur 2.4 Bij deze CCV-opgave heeft verweerder één document bijgevoegd met daarin de volgende tekst:
Er is ontheffing van de verplichting om in Nederland kantoor te houden. In het land (Spanje) waar cursussen gevolgd worden, waar structureel overleg gevoerd wordt, waar de behandeling van zaken van cliënten plaatsvindt, wordt voldaan aan de nationale regelgeving en die van de orde van advocaten (Colegio de Abogados de Murcia). Er worden geen certificaten afgegeven voor deze activiteiten.
Verweerder heeft verder geen bewijsstukken toegevoegd.
2.5 Op 25 maart 2024 heeft verweerder via het webformulier CCV-opgave gedaan over 2023 gedaan en onder meer ingevuld: - Behaalde punten in 2023: 20 - Juridische punten: 20 - Inzet overschotpunten: nee - Aantal geregistreerde hoofdrechtsgebieden: 4 - GIO: 8 uur Bij deze CCV-opgave heeft verweerder hetzelfde document gevoegd als bij de CCV opgave over 2022 (zie hiervoor in 2.3). Verweerder heeft geen andere (bewijs)stukken toegevoegd.
2.6 In een e-mail van 23 augustus 2024 heeft de stafjurist namens de deken verweerder om een toelichting gevraagd op door de deken geconstateerde tekortkomingen in de CCV opgaven van verweerder over de jaren 2021, 2022 en 2023. Daarnaast heeft de deken verweerder verzocht om hem alle PO-certificaten en certificaten van kwaliteitstoetsen toe te zenden. Dit alles binnen twee weken. Op 9 september 2024 heeft de deken verweerder gerappelleerd.
2.7 In zijn e-mail van 23 september 2024 heeft verweerder aan de deken onder meer geschreven:
Opleidingspunten en kwaliteitstoetsen.
Als lid van de sectie internationaal privaatrecht van de Orde van Advocaten van Murcia hebben we elke maand overleg. Als lid van de secties procesrecht, fiscaal recht en onroerend goed recht van kantoor hebben we elke week overleg. Ik ben spreker op conferenties en we publiceren elke maand juridisch inhoudelijke artikelen. Ik neem deel aan ‘juridische ontbijten’ en andere bijeenkomsten van juristen en verenigingen van verschillende deelgebieden die interessant zijn voor mij of de doelgroep van mijn kantoor.
In de afgelopen - meer dan 20 - jaren heb ik vele gesprekken gehad met de orde, met verschillende dekens en medewerkers van de Orde. Ik ben lid geweest van het gestructureerd overleg en heb op alle manieren geprobeerd om oplossingen te vinden voor de bureaucratie die geen rekening houdt met advocaten zoals ik, die in verschillende landen het beroep uitoefenen. In al die jaren hebben al die mensen van de Orde van Advocaten begrip getoond, medewerking toegezegd, maar de realiteit is dat er voor Europese advocaten alleen op papier plaats is in de regelgeving, niet in de praktijk. Ik heb het om die reden opgegeven om daarin verandering te brengen.
De Nederlandse Orde heeft mijn situatie altijd goedgevonden. Dat mensen veranderen en daarmee ook de mening van een organisatie verandert begrijp ik, maar dat wil niet zeggen dat een beleid van 20 jaar gewoonweg opzij gezet kan worden. Al 20 jaar lever ik geen certificaten in omdat die gewoonweg niet worden afgegeven voor de nascholing die ik volg. Dat kunt u zien in de administratie. (…)
2.8 In een e-mail van 30 oktober 2024 heeft de deken aan verweerder gevraagd om toezending van bewijsstukken. De deken heeft verweerder daarin ook gewezen op artikel 6 van de ‘Beleidsregel kantoorhouden buiten Nederland’ op grond waarvan verweerder moet voldoen aan het bepaalde in de Advocatenwet, de daarop gebaseerde verordeningen en de maatregelen van de raad van de orde in het eigen arrondissement. Ook heeft de deken aan verweerder geschreven:
U geeft aan dat u deelneemt aan diverse cursussen en bijeenkomsten, maar dat voor deze nascholingen geen certificaten worden uitgegeven. Het komt de deken vreemd voor dat u over geen enkel bewijsstuk beschikt. U kunt daarbij ook denken aan een bevestigingsmail, een agenda item vanuit de organisatie die de cursus heeft gepland, etc. In dat kader wijs ik u op artikel 4.4 lid 7 van de Voda en de toelichting op dat artikel, waaruit blijkt dat een advocaat moet aantonen dat de opleidingspunten zijn behaald en dat adequate bewijsstukken daarvoor noodzakelijk zijn.
De deken heeft verweerder op 4 december 2024 en 14 januari 2025 gerappelleerd.
2.9 In een e-mail van 15 januari 2025 heeft verweerder aan de deken onder meer geschreven:
PO-Punten
Ik heb nooit gezegd dat vorige dekens geen controle hebben uitgevoerd of maatregelen hebben getroffen, integendeel. Die controle is er wel geweest en mijn uitleg en toelichting dat cursussen in Spanje gratis en vrijwillig zijn, en dus geen certificaten afgeven, is aanvaard als voldoende. U kunt de correspondentie en verslagen daarover terugvinden in de archieven van de Orde. Op grond van dat beleid ben ik al tientallen jaren geleden opgehouden met het verzamelen van emails over cursussen, bijeenkomsten, etc, wat ik wel deed in de beginjaren, omdat ik erop mocht vertrouwen dat dit beleid na zoveel jaren gestand zou worden gedaan.
Ik ontvang ongeveer 15.000 inhoudelijk relevante e-mails in een jaar. Alles wat cursus is, een interessant artikel in een blog, bijeenkomst van de Commissie Internationaal Privaatrecht, jurisprudentie besprekingen, publicaties, e.d. wordt normaal gesproken niet bewaard. Achteraf gaan doorspitten en in een zee van emails (als die er nog zijn) die misschien nog in de archieven zitten is geen doen. (…)
Op grond van het voorgaande, verzet ik me tegen uw verzoek om nu, met terugwerkende kracht, alsnog dat beleid te wijzigen. Dat is niet de afspraak die ik met voorgaande dekens heb gehad. Ik vroeg om de redenen om dat beleid nu te verlaten. Ik heb geen antwoord daarop gekregen. De Orde van Advocaten is ook onderhevig aan regelgeving kan gevoerd beleid niet zonder meer met terugwerkende kracht terugdraaien. (…)
2.10 Op 4 februari 2025 heeft de stafjurist namens de deken verweerder opnieuw verzocht bewijsstukken, waaronder ook bevestigingsmails, een agenda item vanuit de cursusorganisatie of alternatieve stukken worden verstaan, van de in 2023 behaalde opleidingspunten toe te sturen. Verweerder is op 4 en 24 maart 2025 hierover gerappelleerd.
2.11 In een e-mail van 27 maart 2025 heeft verweerder aan de stafjurist van de deken geschreven dat de huidige deken gebonden is aan door verweerder met vorige dekens gemaakte afspraken. Verder heeft hij verwezen naar eerdere antwoorden en de stafjurist verzocht om met zijn medewerkster een afspraak in te plannen voor rechtstreeks contact met de deken.
2.12 Op 27 maart 2025 heeft verweerder CCV-opgave over 2024 gedaan en onder meer ingevuld: - Behaalde punten: 0 - Juridische punten: 0 - Inzet overschotpunten: nee - Aantal hoofdrechtsgebieden: 1 - GIO: 8 uur
2.13 Bij de CCV-opgave over 2024 heeft verweerder één document gevoegd met daarin de volgende tekst: Er is ontheffing van de verplichting om in Nederland kantoor te houden. In het land (Spanje) waar cursussen gevolgd worden, waar structureel overleg gevoerd wordt, waar de behandeling van zaken van cliënten plaatsvindt, wordt voldaan aan de nationale regelgeving en die van de orde van advocaten (Colegio de Abogados de Murcia). Er worden geen certificaten afgegeven voor deze activiteiten. Er worden geen certificaten afgegeven voor deze activiteiten. Dit is zo al jaren afgesproken en akkoord verbonden door de vele opvolgende dekens. Verweerder heeft geen andere bewijsstukken toegevoegd.
2.14 Op de brief van de deken van 13 juni 2025 en een rappel op 11 augustus 2025, waarin de deken een dekenbezwaar heeft aangekondigd, heeft verweerder niet gereageerd.
3 DEKENBEZWAAR
Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
I. in strijd te handelen met artikel 4.3 van de Voda;
II. niet te voldoen aan zijn verplichtingen op grond van artikel 4.4 van de Voda;
III. in strijd met gedragsregel 29 niet mee te werken aan het onderzoek van de deken.
4 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Naar vaste jurisprudentie dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar een algemener belang, waaronder het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij deze maatstaf aansluiting gezocht.
Toezichthoudende rol van de deken
5.2 De toezichthoudende rol van de deken is geregeld in artikel 45a van de Advocatenwet. De uitoefening van het toezicht door de deken is verder onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), meer in het bijzonder titel 5.2 (artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Awb). Ook op grond daarvan is de deken als toezichthouder bevoegd inlichtingen (artikel 5:16 van de Awb) en inzage van zakelijke gegevens en bescheiden (artikel 5:17 van de Awb) te vorderen. Volgens artikel 5:13 van de Awb maakt de toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Verordening op de advocatuur
5.3 Artikel 4.3 van de Voda luidt:
De advocaat onderhoudt en ontwikkelt jaarlijks aantoonbaar zijn professionele kennis en kunde op voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.
5.4 Artikel 4.3a lid 1 van de Voda luidt:
Een advocaat is verplicht ieder kalenderjaar, en voor het eerst het kalenderjaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau, deel te nemen aan kwaliteitstoetsen door:
a. intervisie ofwel onder begeleiding van een gespreksleider ofwel als gespreksleider die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag; of
b. peer review door een reviewer die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste vier uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.
Artikel 4.3b lid 1 van de Voda luidt:
In plaats van de in artikel 4.3a, eerste lid, bedoelde verplichting kan een advocaat deelnemen aan gestructureerd intercollegiaal overleg onder begeleiding van een begeleider, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.
5.5 Artikel 4.4 leden 1, 2 en 7 van de Voda luiden:
1. Een advocaat behaalt elk kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid behaalt de advocaat die ten minste zes maanden is ingeschreven, elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op ieder rechtsgebied waarop hij zich het daaropvolgende kalenderjaar gaat registreren als bedoeld in artikel 6.32.
7. Een advocaat toont aan dat de opleidingspunten zijn behaald door overlegging van adequate bewijsstukken met vermelding daarbij, voor zover van toepassing, van de geregistreerde rechtsgebieden als bedoeld in artikel 6.32 waarop de opleidingspunten betrekking hebben.
Gedragsregels
5.6 De tuchtrechter is volgens vaste jurisprudentie niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 van de Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.7 Gedragsregel 29 luidt:
Bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, is de betrokken advocaat verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen.
Dekenbezwaren I en II; niet overleggen bewijsstukken en niet voldoen aan opleidingsverplichting
Toelichting deken
5.8 Op grond van artikel 4.3 Voda moet een advocaat zijn kennis en kunde onderhouden en ontwikkelen. Artikel 4.3a Voda verplicht tot het jaarlijks deelnemen aan kwaliteitstoetsen en opleidingspunten wat met bewijsstukken (artikel 4.4 lid 7 Voda) moet worden aangetoond. Op grond van artikel 4.4 lid 1 Voda moet een advocaat jaarlijks ten minste 20 opleidingspunten behalen, waarvan de helft juridisch. Lid 2 van artikel 4.4 Voda bepaalt dat per geregistreerd rechtsgebied 10 juridische opleidingspunten vereist zijn. Deze harde minimumnormen kunnen niet achteraf worden gecompenseerd, behoudens de beperkte mogelijkheid tot inzet van overschotpunten.
5.9 Verweerder heeft niet aan deze minimale kwaliteitseisen voldaan. In 2022, 2023 en 2024 heeft verweerder geen c.q. onvoldoende opleidingspunten behaald of aangetoond. Dit ondanks de door de deken in die jaren aan verweerder geboden mogelijkheid om alternatieve bewijsstukken, zoals bevestigingsmails of agenda-items of ander verifieerbaar bewijs, daarvan aan te leveren. Verweerder heeft gesteld dat eventuele bewijsstukken mogelijk in een “zee van e-mails” verborgen zitten en onmogelijk terug te vinden zijn. Daarmee laat verweerder daarmee zien dat zijn administratie niet op orde is (artikel 4.4 lid 7 Voda).
5.10 De deken betwist dat met verweerder een afwijkende afspraak is gemaakt of dat sprake is geweest van een jarenlang gedogen van het niet aanleveren van bewijsstukken van behaalde opleidingspunten door verweerder. Dat blijkt ook niet uit de e-mail van 2017 van het ordebureau aan verweerder. Daaruit volgt juist dat verweerder moest aantonen dat hij bij cursussen aanwezig was geweest.
Verweer verweerder
5.11 Volgens verweerder heeft hij in verband met zijn CCV-opgave over de door de deken genoemde jaren steeds tijdig en volledig uitleg gegeven aan de betreffende deken en het ordebureau over de wijze waarop hij aan de materiële norm van vakbekwaamheid heeft voldaan. Met zijn activiteiten - publicaties, lezingen, werkgroepen, internationale cursussen - heeft hij ruimschoots aan het vereiste academisch niveau voldaan. Die norm is inhoudelijk van aard, niet administratief zoals de deken stelt en ontbeert feitelijke grondslag. Daarnaast heeft verweerder in zijn specifieke situatie steeds voldaan aan het formele vastgestelde criterium. Tot het aantreden van de huidige deken voldeed zijn werkwijze aan de norm.
Oordeel raad
5.12 Van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht dat hij ook de bepalingen in de Voda naleeft en conform het bepaalde in artikel 4.3 Voda en artikel 4.4 zijn professionele kennis en kunde op voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden jaarlijks aantoonbaar onderhoudt en ontwikkelt. De raad kan zonder bewijs van de door verweerder gevolgde kwaliteitstoetsen of behaalde opleidingspunten niet vaststellen dat verweerder aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Verweerder heeft in zijn verweer nog naar voren gebracht dat hij een uitzonderingspositie van de (toenmalige) deken heeft gekregen. De raad volgt verweerder hier niet in. Zulks blijkt niet uit de e-mail van 10 juli 2017 van het ordebureau aan verweerder, terwijl andere stukken, die dat standpunt zouden kunnen onderbouwen, ontbreken. Met de door verweerder opgeworpen systeemtechnische bezwaren kan de raad niets. Het is aan verweerder om daarover met de deken in overleg te treden. De deken heeft tijdens de zitting van de raad de bereidheid getoond om daarover met verweerder mee te denken.
5.13 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dekenbezwaren I en II zijn gegrond.
Dekenbezwaar III; meewerken aan onderzoek van de deken
Toelichting deken
5.14 Ondanks herhaalde verzoeken heeft verweerder de door de deken gevraagde informatie niet tijdig en volledig verstrekt en daarmee in strijd met artikel 46 Advocatenwet en gedragsregel 29 gehandeld. Deze handelwijze van verweerder heeft het toezicht door de deken ernstig bemoeilijkt en vertraagd. Volgens de deken is niet alleen sprake van structureel niet-nakomen van verplichtingen door verweerder in het verleden, maar ook op een reëel risico dat verweerder in de toekomst opnieuw in gebreke zal blijven.
Verweer verweerder
5.15 Verweerder betwist dat sprake is geweest van onwil of obstructie tot medewerking met de deken. Verweerder deelt de mening van de deken niet, en dat moet kunnen. Tot driemaal toe heeft hij uitgebreid gereageerd op brieven namens de deken waarop hij nimmer concreet antwoord heeft gekregen. Ook heeft hij om een persoonlijk overleg met de deken gevraagd, wat is geweigerd.
Oordeel raad
5.16 Naar het oordeel van de raad had verweerder op grond van artikel 46 Advocatenwet in combinatie met gedragsregel 29 onverkort aan de verzoeken van de deken moeten voldoen. Door dat zonder gerechtvaardigde reden na te laten, heeft verweerder het toezicht van de deken belemmerd. Dat is verweerder tuchtrechtelijk aan te rekenen. Dekenbezwaar III wordt gegrond verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 Naar het oordeel van de raad is het aan verweerder verweten handelen als ernstig te kwalificeren. Niet alleen heeft verweerder structureel niet voldaan aan artikel 46 Advocatenwet en de hiervoor genoemde verplichtingen uit de Voda, verweerder heeft ook in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid als genoemd in artikel 10a lid 1 sub c Advocatenwet. Verweerder heeft de deken bovendien meerdere jaren belemmerd in diens toezichthoudende taak en daarbij zijn eigen ‘bewijsprobleem’ op het bordje van de deken gelegd. Het lag op de weg van verweerder om daarin actief redelijke voorstellen aan de deken te doen, die zich tijdens de zitting van de raad (opnieuw) bereid heeft getoond om daarover met verweerder mee te denken. De houding van verweerder tijdens de zitting van de raad, waaruit weinig respect van verweerder blijkt voor de positie van de deken en diens ondersteuning, baart de raad zorgen, ook voor de toekomst.
6.2 Aan de keuze van verweerder om als advocaat in Nederland ingeschreven te willen blijven, welke keuze blijkens de door verweerder ter zitting gegeven toelichting met name door nostalgische overwegingen is ingegeven, zijn verplichtingen verbonden. Verweerder dient te beseffen dat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Vanwege de ernst van de gedraging en om te voorkomen dat verweerder opnieuw niet aan zijn verplichtingen voldoet door opleidingspunten te behalen en die te bewijzen, acht de raad het op zijn plaats om de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken op te leggen. De raad zal, als stok achter de deur, aan de op te leggen voorwaardelijke schorsing naast de algemene voorwaarden ook een bijzondere voorwaarde verbinden.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van vier (4) weken op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerder binnen vier weken na deze beslissing alsnog de gevraagde bewijsstukken van opleiding en intervisie over de jaren 2022 tot en met 2024 bij de deken zal aanleveren;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee (2) jaar.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. M. Lont en H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 april 2026
