Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

07-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:47

Zaaknummer

26-049/DB/OB

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Een advocaat moet de hem opgedragen werkzaamheden met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten. Van een behoorlijk handelend advocaat mag voorts worden verwacht dat deze de cliënt naar behoren op de hoogte houdt van de voortgang van de zaak of van zaken die de voortgang belemmeren. Verweerster heeft dit verzaakt. De (advocaat van de) man heeft het verzoek ingediend op 19 februari 2024.  Verweerster is in februari 2024 haar rechtsbijstand aangevangen. Verweerster heeft het verweerschrift met zelfstandig tegenverzoek alimentatie vervolgens pas op 12 juli 2024 ingediend, bijna vijf maanden later derhalve. Verweerster had er, zoals zij ter zitting heeft verklaard, naar de mening van de raad niet zonder meer vanuit mogen gaan dat de ingangsdatum van de verplichting tot betaling van alimentatie op een eerder moment zou worden gesteld dan de datum van de indiening van het verzoek tot vaststelling van de alimentatie, te meer nu een ingangsdatum in het verleden enkel in uitzonderingsgevallen door de rechter wordt bepaald. In veel gevallen is de ingangsdatum van de verplichting tot het betalen van alimentatie de datum van indiening van het verzoek tot het betalen van alimentatie. Dat is in casu uiteindelijk ook zo bepaald door de rechtbank. Mede gelet op het feit dat klaagster ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij in haar eentje de kosten van de kinderen droeg, had klaagster, naar verweerster wist of behoorde te weten, belang bij het spoedig indienen van een verzoek tot vaststelling van de (voorlopige) kinderalimentatie. Van feiten en omstandigheden die voldoende rechtvaardiging vormden voor het zo lang uitblijven van indiening van een verzoek tot (voorlopige) vaststelling van de alimentatie is naar het oordeel van de raad niet gebleken. De door verweerster gestelde verplichting om eerst te proberen de kwestie in der minne te regelen kunnen in elk geval niet worden gekwalificeerd als dergelijke feiten en omstandigheden. Ook het feit dat de wederpartij een kort geding procedure aanhangig had gemaakt (en weer had ingetrokken), maakt niet dat het langdurig uitblijven van indiening van een dergelijk verzoek gerechtvaardigd is. Verweerster had naar het oordeel van de raad kortom veel eerder in actie kunnen en moeten komen. Door dit niet te doen heeft verweerster de belangen van klaagster niet naar behoren behartigd. In zoverre gegrond. Waarschuwing. 

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 7 april 2026

in de zaak 26-049/DB/OB 

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 9 april 2025 heeft klaagster een klacht ingediend over verweerster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).

1.2    Op 21 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|060K van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026. Verschenen zijn klaagster en verweerster, bijgestaan door mr. H, kantoorgenoot van verweerster.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    In februari 2024 heeft klaagsters ex-partner, hierna: “de man”, een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. In dit verzoekschrift heeft de man de rechtbank samengevat verzocht om te bepalen dat hij gezamenlijk met de vrouw zou worden belast met het gezag over hun minderjarige dochter E. Verder heeft de man verzocht om te bepalen dat klaagster met de twee minderjarige kinderen diende terug te verhuizen naar V, dan wel binnen straal van 10 kilometer van V. Ook heeft de man verzocht om te bepalen dat indien klaagster zou terugverhuizen naar V, de oudste dochter (R) het hoofdverblijf zou hebben bij de man en de jongste dochter (E) bij klaagster. De man heeft, voor het geval klaagster niet zou terugverhuizen naar V, verzocht om te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de man zou zijn gelegen. Tot slot heeft de man verzocht om te bepalen dat tussen partijen co-ouderschap zou bestaan. 

2.3    Klaagster heeft zich in februari 2024 voor rechtsbijstand gewend tot verweerster. Verweerster heeft de opdracht aan klaagster bevestigd bij brief van 22 februari 2024. Verweerster is op 25 augustus 2023 beëdigd en was op het moment dat zij klaagsters zaak in behandeling nam dus werkzaam als advocaat-stagiaire onder supervisie van haar patroon mr. Den H. 

2.4    Bij brief van 28 februari 2024 heeft verweerster de advocaat van de man onder meer verzocht om in verband een op te stellen behoefte- en draagkrachtberekening financiële stukken te overleggen en aan klaagster en de kinderen in eigendom toebehorende goederen aan klaagster af te geven. 

2.5    Partijen hebben geprobeerd om in overleg tot een zorgregeling te komen. 

2.6    Bij e-mails van 15 maart 2024 en 7 en 18 juni 2024 heeft verweerster de advocaat van de man – onder meer – nogmaals verzocht om aan klaagster en de kinderen in eigendom toebehorende goederen aan klaagster af te geven. 

2.7    Op 12 juli 2024 heeft verweerster namens klaagster een “Verweerschrift vaststelling gezamenlijk gezag, hoofdverblijf en zorgregeling, tevens zelfstandig tegenverzoek vaststelling eenhoofdig gezag, omgangsregeling, hoofdverblijf en kinderalimentatie” bij de rechtbank ingediend. In randnummer 6 van dit verweerschrift heeft verweerster namens klaagster gesteld:

“(6) (…) De vrouw is alleen belast met het gezag over hun jongste dochter [E]. (…)”

In het verweerschrift heeft verweerster de rechtbank verzocht om de ingangsdatum van de alimentatie te bepalen op 13 juni 2024. 

2.8    Op 19 juli 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft in de beschikking de alimentatie laten ingaan op 12 juli 2024.

2.9    Op 26 juli 2024 heeft klaagster aan verweerster medegedeeld dat zij een andere advocaat in de arm had genomen.       2.10    Op 9 april 2025 heeft klaagster over verweerster een klacht ingediend bij de deken.  

 

KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

1.    Verweerster heeft klaagsters belangen niet goed behartigd door niet meteen een voorlopige alimentatieregeling aan te vragen en een deurwaarder in te schakelen voor het terughalen van klaagsters eigendommen;

2.    Verweerster is niet voor klaagster opgekomen tijdens de mondelinge behandeling van haar zaak.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    Toetsingskader

Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.2    Beoordeling  

Klachtonderdeel 1

Klaagster verwijt verweerster dat zij klaagsters belangen niet goed heeft behartigd door niet meteen een voorlopige alimentatieregeling aan te vragen. Verweerster heeft dit verwijt weersproken. Verweerster heeft in dat verband naar voren gebracht dat zij, vanwege de op haar rustende verplichting om de-escalerend op te treden, eerst heeft geprobeerd om in der minne een zorgregeling en vervolgens alimentatieregeling tot stand te brengen. Verder heeft verweerster naar voren gebracht dat zij voornemens was geweest om ofwel in de door de wederpartij aanhangig gemaakte kortgeding procedure, ofwel in de bodemprocedure om alimentatie te verzoeken en dat uiteindelijk (enkel) dit laatste is gebeurd omdat de wederpartij het kort geding op enig moment had ingetrokken. 

5.3    De raad overweegt in dit verband dat een advocaat gehouden is de hem opgedragen werkzaamheden met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten. Van een behoorlijk handelend advocaat mag voorts worden verwacht dat deze de cliënt naar behoren op de hoogte houdt van de voortgang van de zaak of van zaken die de voortgang belemmeren. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster dit verzaakt. De (advocaat van de) man heeft het verzoek ingediend op 19 februari 2024.  Verweerster is in februari 2024 haar rechtsbijstand aangevangen. Verweerster heeft het verweerschrift met zelfstandig tegenverzoek alimentatie vervolgens pas op 12 juli 2024 ingediend, bijna vijf maanden later derhalve. Verweerster had er, zoals zij ter zitting heeft verklaard, naar de mening van de raad niet zonder meer vanuit mogen gaan dat de ingangsdatum van de verplichting tot betaling van alimentatie op een eerder moment zou worden gesteld dan de datum van de indiening van het verzoek tot vaststelling van de alimentatie, te meer nu een ingangsdatum in het verleden enkel in uitzonderingsgevallen door de rechter wordt bepaald. In veel gevallen is de ingangsdatum van de verplichting tot het betalen van alimentatie de datum van indiening van het verzoek tot het betalen van alimentatie. Dat is in casu uiteindelijk ook zo bepaald door de rechtbank. Mede gelet op het feit dat klaagster ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij in haar eentje de kosten van de kinderen droeg, had klaagster, naar verweerster wist of behoorde te weten, belang bij het spoedig indienen van een verzoek tot vaststelling van de (voorlopige) kinderalimentatie. Van feiten en omstandigheden die voldoende rechtvaardiging vormden voor het zo lang uitblijven van indiening van een verzoek tot (voorlopige) vaststelling van de alimentatie is naar het oordeel van de raad niet gebleken. De door verweerster gestelde verplichting om eerst te proberen de kwestie in der minne te regelen kunnen in elk geval niet worden gekwalificeerd als dergelijke feiten en omstandigheden. Ook het feit dat de wederpartij een kort geding procedure aanhangig had gemaakt (en weer had ingetrokken), maakt niet dat het langdurig uitblijven van indiening van een dergelijk verzoek gerechtvaardigd is. Verweerster had naar het oordeel van de raad kortom veel eerder in actie kunnen en moeten komen. Door dit niet te doen heeft verweerster de belangen van klaagster niet naar behoren behartigd. In zoverre is klachtonderdeel 1 gegrond. 

5.4    Klaagster verwijt verweerster voorts dat zij klaagsters belangen niet goed heeft behartigd doordat zij niet meteen een deurwaarder heeft ingeschakeld voor het terughalen van klaagsters eigendommen. Verweerster heeft ook dit onderdeel van de klacht weersproken. Verweerster heeft naar voren gebracht dat de wederpartij steeds heeft betwist dat de door klaagster gestelde goederen zich in de woning bevonden en dat klaagster niet over bewijs beschikte, zodat verweerster geen aanknopingspunten had voor het inschakelen van de deurwaarder. De raad overweegt als volgt. Vast staat dat verweerster de wederpartij meermaals over afgifte van klaagsters eigendommen heeft aangeschreven. Waar de wederpartij steeds heeft betwist dat de eigendommen zich in de woning bevonden en klaagster niet over bewijs van het tegendeel beschikte, had verweerster inderdaad geen juridische gronden voor inschakeling van de deurwaarder. Op dit punt kan verweerster naar het oordeel van de raad dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In zoverre is klachtonderdeel 1 ongegrond. 

5.5    Klachtonderdeel 2

Klaagster verwijt verweerster dat zij niet voor klaagster is opgekomen tijdens de mondelinge behandeling van haar zaak. Klaagster heeft ter toelichting van dit klachtonderdeel naar voren gebracht dat verweerster niet dan wel onvoldoende heeft benadrukt dat klaagster het eenhoofdig gezag had over hun jongste dochter. Verweerster heeft ook dit klachtonderdeel weersproken. Verweerster heeft naar voren gebracht dat zij ter zitting de standpunten van klaagster naar voren heeft gebracht en zij reeds in het verweerschrift had gesteld dat klaagster het eenhoofdig gezag had over hun jongste dochter. 

5.6    De raad volgt verweerster in dit verweer. Onder randnummer 6 van het verweerschrift heeft verweerster gesteld: “De vrouw is alleen belast met het gezag over hun jongste dochter [E]”, zodat dit klachtonderdeel naar het oordeel van de raad feitelijke grondslag mist. Dat verweerster op dit punt bij de belangenbehartiging van klaagster steken heeft laten vallen, is de raad uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet gebleken. Klachtonderdeel 2 is derhalve ongegrond. 

 

6    MAATREGEL

6.1    Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij heeft verzuimd om met bekwame spoed een verzoek tot vaststelling van de (voorlopige) kinderalimentatie in te dienen. Het handelen van verweerster vormt een schending van de kernwaarde deskundigheid. Omdat verweerster ten tijde van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen werkzaam was als advocaat-stagiaire en de raad niet is gebleken dat zij onder supervisie van haar patroon voor de verweten gedraging voldoende is behoed, zal de raad volstaan met oplegging van een waarschuwing.  

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) €   50,- reiskosten van klaagster; b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 

7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdeel 1 gegrond, voor zover het ziet op het verwijt dat verweerster klaagsters belangen niet goed heeft behartigd door niet meteen een voorlopige alimentatieregeling aan te vragen, en voor het overige ongegrond;

-    verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond;

-    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. J.A. Bloo, I.K. Decupere, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 7 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 7 april 2026