Rechtspraak
Uitspraakdatum
07-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:86
Zaaknummer
26-119/AL/MN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster bij het partijdig optreden voor haar cliënte voldoende oog gehad voor de gerechtsvaardigde belangen van klager als wederpartij. Verweerster handelde daarbij in opdracht van haar cliënte en mocht aan reacties van klager termijnen verbinden. Dat verweerster daarna procedures nodeloos is gestart, is niet gebleken. Verweerster mocht afgaan op de van haar cliënte verkregen informatie. Dat haar cliënte niet voor overleg open stond, kan verweerster tuchtrechtelijk niet worden aangerekend. Kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 7 april 2026 in de zaak 26-119/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 12 februari 2026 met kenmerk 2501983.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft de ex-partner van klager bijgestaan in diverse gezagsgeschillen alsmede in een geschil over de zorgregeling.
1.2 In een e-mail van 8 maart 2024 heeft verweerster aan klager verzocht om zijn ondertekende toestemmingsformulier voor een vakantie van haar cliënte met hun dochter toe te sturen. Daarbij heeft verweerster aangekondigd een kort geding te zullen starten als dat formulier niet uiterlijk 11 maart 2024 van klager wordt ontvangen. Verweerster heeft daarin ook aan klager geschreven:
Cliënte heeft mij e-mailcorrespondentie laten zien, waaruit volgt dat u reeds toestemming aan haar heeft gegeven (…)
Cliënte hoopt dat het niet weer zover hoeft te komen dat er geprocedeerd moet worden over een toestemming voor een vakantie. In het verleden heeft u ook geen toestemming willen geven voor een vakantie naar Tenerife en is hierover ook geprocedeerd. Vorig jaar in september heeft cliënte zelfs een vakantie moeten annuleren (…) omdat u geen toestemming heeft gegeven voor een vakantie naar Portugal en er onvoldoende tijd was om nog een kort gedingprocedure te starten. (…)
Op voorhand wens ik al op te merken dat cliënte niet bereid is tot enige onderhandeling over extra dagen die [naam dochter] bij u zou moeten doorbrengen. (…)
Klager heeft dezelfde dag aan verweerster via e-mail voorgesteld dit punt in het lopende mediationtraject over het ouderschapsplan mee te nemen. Hij heeft verweerster er verder op gewezen dat zijn ex-partner en hij een mediationovereenkomst van 11 december 2023 zijn overeengekomen waarin ook staat dat in beginsel geen nieuwe procedures worden gestart tijdens de duur van de mediation van in beginsel ten hoogste drie maanden.
1.3 Op 11 maart 2024 hebben klager en verweerster verder gecorrespondeerd over het aanleveren van het ondertekende toestemmingsformulier en over extra dagen omgang. Klager heeft laten weten het toestemmingsformulier na de verwachte afronding van de mediation op 21 maart 2024 aan verweerster toe te zullen sturen. Dezelfde dag heeft verweerster via e-mail aan klager laten weten in dat geval een datum voor een kort geding te moeten aanvragen.
1.4 Op 12 maart 2024 is verweerster een kort geding gestart tot vervangende toestemming voor een vakantie van haar cliënte met de dochter naar Egypte van 16 april tot en met 23 april 2024. De kortgedingzitting is bepaald op 26 maart 2024.
1.5 Nadat verweerster van de advocaat van klager het ondertekende toestemmingsformulier heeft ontvangen, heeft verweerster het kort geding op 22 maart 2024 ingetrokken.
1.6 In juni/juli 2024 is tussen partijen gecorrespondeerd over de inschrijving van de dochter op een basisschool.
1.7 Op 1 augustus 2024 heeft verweerster klager namens haar cliënte aangeschreven over de basisschoolkeuze voor de dochter en kenbaar gemaakt dat een procedure gestart zal worden bij geen, althans een afwijzende, reactie van de kant van klager. Klager heeft op 2 augustus 2024 uitstel gevraagd voor een reactie wegens vakantie van zijn beoogde advocaat en een reactie na 14 augustus 2024 aangekondigd. Daarop heeft verweerster namens haar cliënte afwijzend gereageerd omdat snel duidelijkheid is vereist.
1.8 Op 6 augustus 2024 heeft verweerster aan klager gemeld niet meer te zullen wachten met het indienen van het verzoekschrift. Klager heeft daarop gewezen op de mogelijkheid van mediation. Daarop heeft verweerster klager in haar e-mail van 7 augustus 2024 laten weten dat en waarom mediation voor haar cliënte een gepasseerd station is. Klager heeft diezelfde dag in zijn e-mail aan verweerster zijn ongenoegen over de gang van zaken toegelicht, gewezen op zijn aanbod tot overleg, en zijn verhinderdata doorgegeven.
1.9 Op 9 augustus 2024 heeft verweerster het verzoekschrift op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (geschillen over het gezag over minderjarige kinderen) ingediend. Voor klager heeft zich in die procedure een advocaat gesteld.
1.10 In een e-mail van 22 augustus 2024 heeft verweerster aan de advocaat van klager gevraagd of er nog een mogelijkheid is voor klager om tot overeenstemming te komen over de schoolkeuze.
1.11 Op 18 oktober 2024 is namens klager een verweerschrift ingediend met zelfstandige verzoeken.
1.12 Bij beschikking van 18 november 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland, aan klager vervangende toestemming verleend om de dochter in te schrijven op zijn voorkeursschool en de zorgregeling zoals eerder overeengekomen in het ouderschapsplan van 9 april 2024, gewijzigd. Hiertegen is door verweerster hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof heeft de cliënte van verweerster toestemming verleend om de dochter in te schrijven op haar voorkeursschool.
1.13 Op 27 mei 2025 heeft verweerster aan de advocaat van klager geschreven:
Uw cliënt is gehouden cliënte te informeren waar [naam dochter] is, als [naam dochter] bij hem is.
Tijdens de zitting in de hoger beroepsprocedure heeft uw cliënt zelf bevestigd dat hij altijd met [naam dochter] in N is. Uw cliënt is dan ook gehouden aan te geven en cliënte te informeren over de verblijfplaats van [naam dochter]. Dat uw cliënt de verblijfplaats niet kenbaar wil maken, begrijp ik niet. Uw cliënt heeft absoluut niets te vrezen voor cliënte. Cliënte gaat niet bij uw cliënt aan de deur staan zonder enige noodzaak.
Daarbij zou het inderdaad goed zijn als partijen kunnen starten met de hulpverlening maar als uw cliënt blijft weigeren zijn verblijfplaats kenbaar te maken, dan kan cliënte niet anders dan een procedure starten. Dat de hulpverlening dan on hold gezet moet worden, komt dan volledig door uw cliënt. (…)
Ik ontvang het adres graag deze week en anders uw verhinderdata voor de komende zes weken.
1.14 In haar e-mail van 24 juni 2025 heeft verweerster aan de advocaat van klager onder meer gemeld dat de dochter, ongeacht of klager dan een afspraak met de basisschool heeft gehad, de maandag erna op school zal starten.
1.15 Op 30 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de belangen van klager onnodig of onevenredig te schaden door te dreigen met het starten van procedures, dan wel onnodig procedures te starten;
b) feiten te stellen waarvan verweerster de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen en klager daarbij negatief te ‘framen’;
c) geen minnelijke regeling voor ogen te houden, dan wel het conflict onnodig te laten escaleren.
3 VERWEER
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
4.2 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.3 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, het verloop van het geschil tot dan toe en de kans op succes van de procedure afwegen.
4.4 De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a)
de belangen van klager onnodig of onevenredig te schaden door te dreigen met het starten van procedures, dan wel onnodig procedures te starten;
Toelichting klager
4.5 Verweerster is drie procedures in veertien maanden tijd gestart, waarvan één (kort geding) is ingetrokken, en zij dreigde met een vierde, steeds bij of rond overlegmomenten of lopende mediation, bemiddeling of de mogelijkheid hiertoe. In de hoger beroepsfase tegen de uitspraak over de schoolkeuze heeft verweerster ook weer gedreigd met een procedure als klager in verband met de omgang de adresgegevens van zijn partner niet zou verstrekken. Dat betrof slechts een logeeradres van klager en de dochter en er speelden veiligheidsrisico’s voor meerdere kinderen. Verweerster heeft aan die verstrekking van de adresgegevens ook het ‘on hold’ zetten van de hulpverlening gekoppeld, zonder serieus overleg of alternatieven.
4.6 Verweerster heeft zich volgens klager te veel laten leiden door de wensen van haar cliënte en onvoldoende oog gehad voor het belang van zo min mogelijk escalatie in de familiesituatie, vooral in het belang van de dochter. Klager verwijst naar de hierover door hem met verweerster gevoerde correspondentie, zoals deels opgenomen in de feiten hiervoor. Daaruit volgt volgens klager dat hij te allen tijde bereid was om met verweerster te overleggen en ook redelijke voorstellen heeft gedaan om procedures te voorkomen. Verweerster heeft alleen maar druk op klager uitgeoefend en daardoor escalerend gehandeld.
Verweer verweerster
4.7 De cliënte van verweerster had op korte termijn toestemming van klager voor de vakantie nodig en partijen volhardden daarna beiden in de keuze van hun voorkeursschool waardoor er een patstelling ontstond. Klager is volgens verweerster voldoende in de gelegenheid gesteld om op redelijke verzoeken namens haar cliënte te reageren of om zijn medewerking daaraan te verlenen. Haar cliënte wilde niet het risico lopen dat zij niet met de dochter op vakantie kon gaan en dat niet tijdig een schoolkeuze was afgesproken en bleek niet bereid om deze geschilpunten in mediation met klager te bespreken. Die keuze stond haar vrij, ongeacht afspraken daarover in het ouderschapsplan.
4.8 Het stellen van termijnen en het aankondigen van een procedure aan een wederpartij is volgens verweerster op zichzelf niet klachtwaardig. De daarna namens haar cliënte tegen klager gestarte procedures zijn ook geen onnodige juridische procedures geweest. Nadat verweerster het door klager ondertekende toestemmingsformulier voor de vakantie had ontvangen, heeft zij het kort geding ingetrokken en niet om een proceskostenveroordeling gevraagd.
Oordeel voorzitter
4.9 Uitgangspunt is dat een advocaat bij het voeren van een procedure niet de gerechtvaardigde belangen van zijn wederpartij uit het oog mag verliezen (gedragsregel 6). Die verantwoordelijkheid brengt een zekere terughoudendheid mee waar het verdedigen van de belangen van de cliënt raken aan de positie en rechten van anderen. De advocaat mag dus niet nodeloos en op ontoelaatbare wijze de belangen van de wederpartij schenden. Zo zal een advocaat onnodige executies moeten voorkomen en/of geen onnodige procedures mogen starten, maar ook de wederpartij in staat moeten stellen om zich in rechte naar behoren te verdedigen. Het kan zich echter voordoen dat het belang van de cliënt in overleg met de cliënt op enig moment een andere aanpak vergt.
4.10 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster bij het partijdig optreden voor haar cliënte voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klager. Verweerster handelde in opdracht van haar cliënte. Die cliënte was kennelijk niet meer bereid om met klager over de lopende geschilpunten over de vakantie en schoolkeuze in overleg te treden. Verweerster heeft klager voldoende gelegenheid gegeven om zijn reactie te geven op de geschilpunten en zij mocht daaraan een uiterste termijn verbinden en procedures aankondigen zoals gedaan. Dat klager zich daardoor niet gehoord en ook onder tijdsdruk gezet heeft gevoeld, maakt nog niet dat verweerster daarom tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gezien de aard van de tussen partijen destijds spelende geschilpunten moest daar immers snel duidelijkheid over komen. Omdat partijen er samen niet uit kwamen, was het starten van een procedure voor verweerster nog de enige mogelijkheid. Dat verweerster procedures namens haar cliënte nodeloos is gestart, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Vast staat dat de cliënte van verweerster in het gelijk is gesteld. Dat klager die procedures onnodig heeft gevonden, maakt nog niet dat verweerster voor haar optreden daarin tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Concrete feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat verweerster hierin onbetamelijk heeft gehandeld, zijn de voorzitter niet gebleken.
4.11 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster met haar handelen niet de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij heeft overtreden. Klachtonderdeel a) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
feiten te stellen waarvan verweerster de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen en klager daarbij negatief te ‘framen’;
Toelichting klager
4.12 Verweerster heeft in haar correspondentie met klager en in processtukken feitelijk onjuiste of suggestieve informatie over klager vermeld waardoor klager in een negatief daglicht is geplaatst. Klager wijst daarvoor ook naar de suggestieve opmerkingen van verweerster in haar correspondentie, zoals deels opgenomen in de feiten hiervoor. Verder wijst klager op de e-mail van 27 mei 2025 waarin verweerster stelt dat hij wettelijk verplicht zou zijn om het adres van zijn partner door te geven in het kader van de zorgregeling terwijl dat niet zo is. Klager heeft daar in het belang van de dochter vrijwillig aan meegewerkt. In de correspondentie, en in de processtukken heeft verweerster over de toestemming voor de vakantie en de schoolkeuze de suggestie gewekt dat klager overleg heeft geweigerd en niet wilde meewerken. Ook dat was onjuist, omdat klager meermaals overleg heeft aangeboden en wat betreft de vakantie al eerder zijn toestemming had gegeven. In processtukken heeft verweerster bewust de feitelijk belangrijke en juiste context achterwege gelaten. Ook heeft zij daarin gesteld dat mediation een gepasseerd station was. Dit handelen van verweerster was onnodig schadelijk voor klager en de beeldvorming over hem.
Verweer verweerster
4.13 Verweerster betwist dat zij feitelijke onjuistheden of suggestieve informatie heeft gedeeld en klager in een kwaad daglicht heeft willen plaatsen. Zij heeft in opdracht van haar cliënte klager verzocht om medewerking over geschilpunten en hem waar nodig aangesproken op zijn gedrag, zoals rond het halen en brengen van school en de therapie. Dat klager andere opvattingen dan haar cliënte had en heeft over wat goed is voor hun dochter kan zo zijn, maar haar cliënte mag ook haar eigen gedachten hebben. Dit heeft verweerster als partijdige belangenbehartiger namens haar cliënte op professionele en betamelijke wijze tot uitdrukking gebracht in haar correspondentie met klager en in de processtukken.
Oordeel voorzitter
4.14 Klager stelt dat verweerster feiten en kwalificaties over klager naar voren heeft gebracht waarvan zij wist of had moeten weten dat deze onjuist waren en dat die klager zouden kunnen schaden. Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerster echter afgaan op de van haar cliënte ontvangen feitelijke informatie zoals zij dat heeft gedaan. Bovendien heeft klager en later ook de advocaat van klager tegen vermeende onjuiste feiten of onjuiste standpunten verweer kunnen voeren. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter echter niet gebleken. Klachtonderdeel b) wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c) geen minnelijke regeling voor ogen te houden, dan wel het conflict onnodig te laten escaleren;
Toelichting klager 4.15 Ondanks het feit dat in maart 2024 nog een mediationtraject liep en klager verweerster daarop heeft gewezen, is verweerster tegen klager een kort geding gestart. Dit was ook in strijd met de daarover tussen partijen gemaakte afspraken in het ouderschapsplan. In juli 2024 heeft klager opnieuw overleg en mediation voorgesteld voor de beslissing over de schoolkeuze. Dat voorstel heeft verweerster niet alleen genegeerd maar ook gesteld dat mediation een gepasseerd station is en overleg tussen partijen niet haalbaar zou zijn. Met haar (proces)houding heeft verweerster de kwestie tussen klager en zijn ex-partner laten escaleren en daarbij het belang van de dochter uit het oog verloren.
Verweer verweerster
4.16 Verweerster heeft het voorstel van klager tot mediation met haar cliënte besproken maar kon haar daartoe niet dwingen. Haar cliënte vond mediation met klager over de schoolkeuze een gepasseerd station en dat heeft verweerster aan klager gemeld. Haar cliënte heeft eerst geprobeerd om zelf met klager te overleggen over de schoolkeuze en hem een jaar eerder gevraagd zich daarover te oriënteren. Klager is op het laatste moment van schoolkeuze gewisseld waarna een impasse ontstond. Verweerster heeft op verzoek van haar cliënte klager daarna aangeschreven, zonder resultaat. Na indiening van een verzoekschrift heeft zich een advocaat namens klager gesteld. Het daarna plaatsgevonden viergesprek heeft ook niet tot een oplossing geleid. Tussen klager en de ex-partner speelde ook een rol dat de communicatie tussen hen al langer verstoord was en eerdere hulpverlening niet tot een vergelijk had geleid. In een situatie als die van partijen is procederen soms nog de enige mogelijkheid, aldus verweerster.
Oordeel voorzitter
4.17 Uit de overgelegde correspondentie komt naar voren dat verweerster open heeft gestaan voor overleg met klager en voor de door klager voorgestelde mediation maar dat haar cliënte niet (meer) bereid was om daaraan mee te werken. Die keuze van haar cliënte om over de verschillende geschilpunten dan maar een rechterlijke beslissing te vragen, kan verweerster tuchtrechtelijk dan ook niet worden aangerekend. De juistheid van het verdere verwijt van klager dat de opstelling van verweerster tot verdere escalatie heeft geleid kan de voorzitter, tegenover de betwisting daarvan door verweerster, niet vaststellen. Uit de stukken volgt bovendien dat klager en zijn ex-partner al jarenlang geschillen hebben over beslissingen omtrent hun dochter en daarin ook vaak lijnrecht tegenover elkaar staan. Dat is betreurenswaardig voor de dochter, die dat ook mee zal krijgen, maar van deze langdurige strijd tussen de ouders kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De voorzitter zal ook klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 7 april 2026
