Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

07-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:90

Zaaknummer

25-796/AL/MN

Inhoudsindicatie

Klacht over de advocaat van de wederpartij van klager in een huurgeschil. Naar het oordeel van de raad stond het verweerder vrij om op verzoek van zijn cliënt, de huurder, een melding bij de gemeente over klager, de verhuurder, te doen terwijl de procedure bij de kantonrechter nog liep. Van een premature melding was in die zin dan ook geen sprake. Vast staat dat de gemeente op grond van de Wet goed verhuurderschap aan klager een waarschuwing heeft opgelegd. Of dat op grond van alleen de melding van verweerder is gebeurd of op grond van meerdere meldingen over klager, is de raad niet duidelijk geworden. In elk geval is van een ongefundeerde melding door verweerder niet gebleken. Evenmin is de raad gebleken dat verweerder opzettelijk onjuiste feiten of onnodig grievende uitlatingen over klager in zijn stukken heeft gedaan. Verweerder heeft klager niet rauwelijks gedagvaard, nu klager daarvoor was gewaarschuwd. Ook overigens zijn de klachten ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 7 april 2026 in de zaak 25-796/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klager gemachtigde: mr. J. Bouter, advocaat te Amsterdam

over

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 16 april 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 17 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2337956 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026. Daarbij waren klager - via een digitale verbinding - en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klager is verhuurder van een woning in Utrecht. De cliënt van verweerder was de huurder van die woning tot aan beëindiging van de huur met ingang van april 2023. 

2.2    Verweerder stond de huurder bij in diens huurgeschil met klager over de terugbetaling van de waarborgsom en de afrekening van de servicekosten. Klager werd bijgestaan door mr. B, tevens zijn gemachtigde in deze procedure. 

2.3    In de periode van 20 september 2023 tot en met 9 november 2023 hebben verweerder en mr. B over de geschilpunten gecorrespondeerd, onder meer: 

- op 26 september 2023 om 08:00 uur: heeft verweerder de advocaat van klager erop geattendeerd dat klager de waarborgsom binnen veertien dagen na het einde van de huurovereenkomst aan zijn cliënt moet betalen en welke kosten daarmee verrekend mogen worden. Ook heeft verweerder mr. B daarin gemeld dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken, hij melding bij het meldpunt van de gemeente onder de Wet goed verhuurderschap (Wgv) gaat doen;

- op 26 september 2023 om 12:24 uur: heeft mr. B verweerder erop gewezen dat de Wgv niet geldt omdat de huurovereenkomst van klager met de cliënt van verweerder daarvoor al was geëindigd. Mr. B heeft de geldigheid van zijn eerdere schikkingsvoorstel met nog één dag verlengd, waarna het van rechtswege zal komen te vervallen; 

- op 26 september 2023 om 14:23 uur: heeft verweerder aan mr. B geschreven dat het voorstel niet is aanvaard en toegelicht waarom hij de melding bij de gemeente kan doen. Verder heeft hij geschreven:  

Ik kan eigenlijk geen chocolade maken van uw bericht. Begrijp ik nou goed dat u daadwerkelijk wilt ontkennen dat een specificatie van de servicekosten moet worden verstrekt (…)? Begrijp ik goed dat uw cliënt geen bezwaar heeft tegen een melding bij de Gemeente en dat ik mij kan zetten aan het opstellen van een dagvaarding? Wilt u nog afstemmen met uw cliënt of niet?

- op 28 september 2023: heeft mr. B hierop gereageerd en namens klager aan verweerder om proceseconomische redenen een laatste schikkingsvoorstel gedaan tot uiterlijk 2 oktober 2023. Ook heeft mr. B aangekondigd dat klager bij een eventuele procedure een reconventionele vordering zal indienen die de vordering van de cliënt van verweerder zal overtreffen. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. 

2.4    In een e-mail van 3 november 2023 heeft mr. B aan verweerder laten weten dat hij geen tijd meer aan de zaak mag besteden en dat hij zich aan de zaak van klager zal onttrekken. Hij heeft verweerder toestemming gegeven om rechtstreeks met klager te corresponderen en in zijn laatste alinea nog geschreven:  Ik hecht er voorts aan u mee te delen dat het adres waarop [klager] woonachtig was in [L], genoemd in de oorspronkelijke huurovereenkomst, thans niet meer correct is. [Klager] is verhuisd en woont en verblijft in Zweden.

2.5    In zijn e-mail van 6 november 2023 heeft verweerder aan mr. B gevraagd welk adres hij kan gebruiken voor het betekenen van een dagvaarding aan klager. Deze e-mail heeft verweerder in CC aan klager gestuurd. In zijn e-mail van 9 november 2023 heeft mr. B verweerder verwezen naar zijn e-mail van 3 november 2023 en gemeld dat hij alleen al daarom geen persoonsgegevens van zijn voormalig cliënt mag verstrekken.

2.6    Op 18 december 2023 heeft verweerder aan mr. B en aan klager onder meer geschreven:

Ik heb de dagvaarding intussen gereed. De deurwaarder geeft aan dat betekening mogelijk in Zweden plaats moet vinden.  

Ik verzoek echter om een woonplaatskeuze in Nederland te doen, omdat bij goed verhuurderschap een correspondentieadres in Nederland verwacht mag worden. Ook merk ik op dat de verhuurder via deze mail-adressen gewoon bereikbaar is gebleken en komt nu analoog betekenen in Zweden vreemd op mij over.   

Ik zie nu voor me een scenario waarbij zonder goede aanleiding huurder op kosten gejaagd wordt, terwijl bij een zitting wel een advocaat zal verschijnen en ook voor de onderhandeling in Nederland een advocaat beschikbaar was.   

Ik zal indien dat scenario zich voordoet een bijzonder verzoek doen met betrekking tot de proceskosten. (…)

2.7    Bij exploot van 22 december 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van verweerder namens zijn cliënt klager op een geheim adres in de gemeente Utrecht gedagvaard voor de rolzitting van 3 januari 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kantonrechter). De vordering heeft betrekking op terugbetaling van de borg, de servicekosten en de wettelijke rente. In de dagvaarding staat onder III: Slot 4.1 a) tot en met e) het bekende verweer van klager vermeld. 

2.8    Op 2 januari 2024 heeft verweerder aan mr. B en aan klager in zijn e-mail, dat is gericht aan mr. B, geschreven: Ondanks dat u aangaf [klager] niet meer bij te staan; hierbij digitaal afschrift van de dagvaarding die ik zojuist heb aangebracht bij de rechtbank voor de rolzitting van morgen. U kunt de dagvaarding allicht nog doorgeleiden.  Ik mail de betekende dagvaarding hierbij ook aan het mail-adres dat verhuurder aanvankelijk heeft beantwoord, dit als extra waarborg dat de dagvaarding verhuurder daadwerkelijk bereikt. 

2.9    In een brief gedateerd 6 februari 2024, verzonden op 8 februari 2024, heeft Team Huisvesting van de gemeente Utrecht aan klager als eigenaar en verhuurder van een woning in Utrecht meegedeeld dat een melding op grond van de Wet goed verhuurderschap (hierna: Wgv) is ontvangen van de advocaat van de voormalige huurder van zijn woning over onjuiste servicekosten, onjuiste verrekening van de waarborgsom en intimiderend gedrag. De gemeente heeft in het kader van handhaving aan klager een waarschuwing gegeven.

2.10    Op 15 maart 2024 heeft mr. B zich schriftelijk bij de rechtbank onttrokken als advocaat van klager en verzocht om ter rolzitting van 20 maart 2024 een termijn aan klager te verlenen voor het stellen van een nieuwe procesadvocaat.

2.11    Op de rolzitting van 17 april 2024 bij de kantonrechter heeft mr. B zich weer gesteld als de advocaat van klager en een conclusie van antwoord, tevens houdende akte inbreng producties, ingediend. 

2.12    Op 7 juni 2024 heeft de mondelinge behandeling bij de kantonrechter plaatsgevonden. Klager is bijgestaan door advocaat mr. B. In het proces-verbaal van de zitting staat onder meer:

 

De hond  

De kantonrechter: wat mij verbaast is dat ik in de conclusie van antwoord pas lees dat u met [klager] expliciet heeft gemaild over de hond. U heeft de huurovereenkomst getekend en daar staat in dat u geen hond mag hebben. Als ik uw dagvaarding lees lijkt het alsof dat niet bestaat. U wijst mij op het boeteartikel maar u stuurt de algemene voorwaarden niet toe. In uw dagvaarding moet zoveel mogelijk informatie staan. In dit geval word ik dus geïnformeerd door de gedaagde partij terwijl dat eigenlijk uw taak is.  

[Verweerder]: ik wilde u niet op het verkeerde been zetten. De boete leek mij heel onredelijk. Een boete kan ook niet worden opgelegd door een professionele huurder.  

[Mr. B]: de waarheidsplicht en substantiëringsplicht zijn geschonden. Er is duidelijk gecorrespondeerd over de hond. Meneer vraagt toestemming en heeft die niet gekregen. Er was een fout vonnis gewezen als u van ons geen fatsoenlijk beeld had gekregen.  

[Klager]: ik heb een klacht ingediend bij de orde van advocaten. (…)  

De zitting wordt geschorst om partijen de gelegenheid te geven een minnelijke regeling te onderzoeken. Partijen hebben op dat moment geen regeling kunnen treffen. Zij laten woensdag 12 juni 2024 weten of het alsnog gelukt is.  

De kantonrechter deelt mee dat op 24 juli 2024 uitspraak zal worden gedaan, in het geval partijen geen regeling hebben getroffen. 

 

3    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    begin 2024 bij de gemeente Utrecht een premature, ongefundeerde klacht over klager als verhuurder in te dienen op grond van de Wvg, terwijl op dat moment een procedure bij de kantonrechter liep en daardoor de (financiële) belangen van klager onnodig en zonder doel te schaden;

b)    in de onder a) genoemde schriftelijke melding bij de gemeente opzettelijk onjuiste feiten op te nemen en zich onnodig grievend over klager uit te laten, waardoor onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van klager als verhuurder;

c)    klager rauwelijks te dagvaarden om hem zo onevenredig onder druk te zetten;

d)    zich niet te houden aan het bepaalde in de artikelen 21 en 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en daardoor niet integer te handelen, met tendentieus taalgebruik en leugens richting de rechter, waardoor klager onevenredig in zijn belangen is geschaad;

e)    misbruik te maken van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand door kunstmatig de vordering van zijn cliënt/ de huurder boven de daartoe bepaalde grens van € 500,- te stellen, zodat aan zijn cliënt een toevoeging werd verleend, terwijl klager daardoor kosten moest maken;

f)    druk uit te oefenen op de advocaat van klager nadat hij zich als advocaat had onttrokken, om persoonsgegevens van klager te verkrijgen.

 

4    VERWEER 

Op het gemotiveerde verweer van verweerder wordt voor de leesbaarheid hierna ingegaan bij de beoordeling van de verschillende klachtonderdelen. 

 

5    BEOORDELING

Maatstaf 

5.1    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

5.2    De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

5.3    De raad zal de klachtonderdelen aan de hand van deze maatstaf beoordelen.  Klachtonderdeel a)

begin 2024 bij de gemeente Utrecht een premature, ongefundeerde klacht over klager als verhuurder in te dienen op grond van de Wvg, terwijl op dat moment een procedure bij de kantonrechter liep en daardoor de (financiële) belangen van klager onnodig te schaden;  

Toelichting klager

5.4    Op het moment van beëindiging van de huurovereenkomst in april 2023 gold de Wvg niet, zodat voor klager onduidelijk is op grond waarvan verweerder begin 2024 de melding bij de gemeente heeft kunnen doen. Die melding was ook ongefundeerd en prematuur. In de civiele procedure bij de kantonrechter was op dat moment nog niet geoordeeld over de juistheid van de door verweerder namens zijn cliënt ingenomen standpunten. Daartegen is namens klager ook verweer gevoerd. De servicekosten hoefde klager pas uiterlijk 30 juni 2024 definitief te maken, zodat van tekortschieten van zijn kant op dat punt geen sprake was. Evenmin was sprake van de vermeende ‘onjuiste’ verrekening door klager van de borg met de door de huurder verschuldigde kosten voor herstel aan het gehuurde. De huurder had schriftelijk aan klager deels toestemming gegeven voor gedeeltelijke verrekening en dat wist verweerder of had hij kunnen weten. Klager betwist verder dat hij de voormalig huurder of anderen zou hebben geïntimideerd. Terwijl de melding bij de gemeente door verweerder namens de cliënt geen noemenswaardig voordeel opleverde, heeft die melding voor klager tot onevenredig nadeel geleid. Een gemeente kan op grond van de Wvg na drie gegronde klachten aan een verhuurder een boete opleggen van € 90.000,-. Als gevolg van de door verweerder bij de gemeente gedane premature en ongefundeerde melding is aan klager een waarschuwing opgelegd. Om dit verwijtbare optreden recht te zetten moet verweerder zijn melding intrekken, aldus klager tijdens de zitting van de raad.

Verweer verweerder

5.5    Volgens verweerder was geen sprake van een premature en ongefundeerde klacht maar van een terechte melding (signaal), over het handelen van klager als verhuurder bij de gemeente Utrecht op grond van de Wgv. 

5.6    Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat hij meende dat hij, ondanks de beëindiging van de huurovereenkomst van zijn cliënt in april 2023, die melding begin 2024 kon doen namens zijn cliënt omdat de huurovereenkomst nog altijd niet correct was afgewikkeld, specifiek niet ten aanzien van de servicekosten en de borg. Verweerder stelt dat hij bij de verdere afdoening door de gemeente na zijn melding niet betrokken is geweest. Pas uit de stukken heeft hij begrepen dat de gemeente op 6 februari 2024 aan klager op grond van de Wgv een waarschuwing heeft opgelegd. 

5.7    Volgens verweerder stond het hem vrij om gelijktijdig met de procedure bij de kantonrechter begin 2024 ook de melding over klager bij de gemeente te doen. De Wgv maakt het mogelijk om meer structureel te kijken naar het gedrag van een verhuurder. Volgens verweerder is klager als verhuurder ‘vaste klant’ bij de rechtbank en de Huurcommissie. Klager meent dat reserveringen en stelposten bij wijze van ‘fonds’ kunnen gelden als ‘servicekosten’ terwijl dat niet zo is. Ook geeft klager structureel de borg niet terug aan huurders om wisselende redenen en is klager stellig in zijn mening dat hij geen gevolgen hoeft te verbinden aan eerdere uitspraken. De procedure van zijn cliënt bij de kantonrechter tegen klager was gericht op individuele compensatie en geschilbeslechting. Als voorlopig oordeel heeft de kantonrechter tijdens een zitting volgens verweerder ook aangegeven dat de onderbouwing van de servicekosten van klager ‘rammelt’. Klager is uiteindelijk ook veroordeeld om een bedrag van € 1.177,- inclusief servicekosten aan de cliënt van verweerder terug te betalen.   

Oordeel raad

5.8    Naar het oordeel van de raad stond het verweerder vrij om op verzoek van zijn cliënt een melding bij de gemeente over klager te doen terwijl de procedure bij de kantonrechter nog liep. Van een premature melding was in die zin dan ook geen sprake. 

5.9    Vast staat dat de gemeente aan klager op 6 februari 2024 op grond van de Wgv een waarschuwing heeft opgelegd. Of dat op grond van alléén de melding van verweerder is gebeurd of op grond van meerdere meldingen over klager, is de raad uit de stukken en verklaringen tijdens de zitting niet duidelijk geworden. Verweerder heeft tijdens de zitting verklaard dat hij na het doen van zijn melding niets meer van de gemeente heeft gehoord. Klager heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zich meent te herinneren dat zijn advocaat zijn belangen bij het onderzoek door de gemeente na de melding heeft behartigd. Feit is dat de melding of meldingen over klager door de gemeente op grond van de Wgv gegrond zijn verklaard zodat de raad niet is gebleken van een ongefundeerde melding door verweerder.

5.10    Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder met zijn handelwijze niet de belangen van klager onnodig of onevenredig heeft geschaad. Nu aldus van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder niet is gebleken, wordt klachtonderdeel a) ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel b)

in de onder a) genoemde schriftelijke melding bij de gemeente opzettelijk onjuiste feiten op te nemen en zich onnodig grievend over klager uit te laten, waardoor onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van klager als verhuurder;  

Toelichting klager

5.11    Klager verwijst naar zijn toelichting onder a). Met de melding begin 2024 bij de gemeente heeft verweerder klager getreiterd en ook buitenproportioneel gereageerd omdat het geschil maximaal over een bedrag van € 500,- ging.

Verweer verweerder

5.12    Verweerder stelt dat hij zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van klager, ook toen hij begin 2024 de melding bij de gemeente deed. Volgens verweerder heeft klager als verhuurder een financieel belang bij het niet doorbelasten van feitelijke servicekosten, maar van ‘stelposten/ reserveringen’ en het niet teruggeven van de borg. Voor dat laatste kan een goede reden bestaan maar in de zaak van zijn cliënt zag verweerder geen aanwijzingen dat klager gevolg zou geven aan de uitspraken van de Huurcommissie en de kantonrechter. Dat heeft klager verweerder met zoveel woorden ook gezegd. Volgens verweerder stond het hem dan ook vrij om de namens zijn cliënt ingenomen standpunten in de kantonprocedure en de intimidatie door klager ook te vermelden in de melding bij de gemeente. Het was daarna aan de gemeente om daarover te oordelen.

Oordeel raad

5.13    De raad kan niet vaststellen of verweerder zich bij het doen van de melding bij de gemeente onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van klager. Stukken die dat standpunt van klager zouden kunnen onderbouwen, zoals de processtukken van de kantonprocedure en de stukken van de procedure bij de gemeente, ontbreken. De verwijten van klager, dat verweerder opzettelijk onjuiste feiten in de melding heeft opgenomen en zich daarin onnodig grievend over klager heeft uitgelaten, missen dan ook een feitelijke onderbouwing, zodat de raad niet kan vaststellen dat deze terecht zijn gemaakt. 

5.14    Dat leidt daartoe dat de raad klachtonderdeel b) ongegrond zal verklaren. 

 

Klachtonderdeel c)

klager rauwelijks te dagvaarden om hem zo onevenredig onder druk te zetten;  

Toelichting klager

5.15    Volgens klager heeft verweerder meermalen telefonisch aan zijn advocaat en aan hem laten weten uit te zijn op een schikking. Op gedane voorstellen van klager heeft verweerder op enig moment niet meer gereageerd maar klager onverwachts laten dagvaarden. Dit terwijl verweerder wist dat klager de afrekening van de servicekosten op dat moment nog niet aan de voormalige huurder hoefde te verstrekken.

Verweer verweerder

5.16    Verweerder betwist dat hij klager rauwelijks heeft gedagvaard zonder te proberen om middels een schikking tot een vergelijk te komen. Hij verwijst naar daarover gevoerde en overgelegde correspondentie, waaronder de e-mails van 26 september 2023. De agressieve houding van klager, ook tijdens contact met hem, heeft verweerder zodanig onprettig ervaren dat dit uiteindelijk een schikking met zijn cliënt mogelijk in de weg heeft gestaan. 

Oordeel raad

5.17    Naar het oordeel van de raad is van rauwelijks dagvaarden van klager door verweerder geen sprake geweest. Gelet op de inhoud van de e-mails tussen verweerder en de advocaat van klager van 26 september 2023, opgenomen onder de feiten hiervoor, moet voor mr. B en zijn cliënt - klager - duidelijk zijn geweest dat een procedure tegen klager dreigde als geen schikking tussen partijen werd bereikt. Dat een procedure in de lucht hing, verklaart ook waarom mr. B in zijn e-mail van 3 november 2023 aan verweerder kenbaar heeft gemaakt dat het adres van klager in de huurovereenkomst achterhaald was vanwege diens verhuizing naar Zweden. Omdat geen schikking tussen partijen is bereikt, heeft verweerder klager op 22 december 2023 laten dagvaarden.   

5.18    Een feitelijke grondslag voor een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen ontbreekt. De raad ook klachtonderdeel c) ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel d) zich niet te houden aan het bepaalde in de artikelen 21 en 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en daardoor niet integer te handelen, met tendentieus taalgebruik en leugens richting de rechter, waardoor klager onevenredig in zijn belangen is geschaad;

Toelichting klager

5.19    Verweerder heeft in strijd met de (wettelijke) procesregels niet de essentiële stukken bij de dagvaarding gevoegd of alsnog ingebracht, zoals de eindafrekening, toezeggingen van zijn cliënt aan klager, de ondertekende eindinspectie of de weigering van toestemming voor een huisdier in het gehuurde. Ook heeft verweerder in de dagvaarding ten onrechte gesteld dat klager zou hebben geweigerd om de servicekosten-afrekening toe te zenden. Verweerder wist, of kon weten, dat klager daarvoor op grond van artikel 7:259 lid 2 BW nog de tijd had tot 30 juni 2024. Door in de dagvaarding eerst te verwijzen naar een uitspraak van de Huurcommissie en daar in een later processtuk weer op terug te komen, heeft verweerder zich schuldig gemaakt aan stemmingmakerij. In de dagvaarding heeft verweerder namens zijn cliënt de terugbetaling van de gehele servicekosten gevorderd. Niet alleen heeft verweerder dat gedaan om zo opzettelijk boven de grens van € 500,- voor gefinancierde rechtsbijstand voor zijn cliënt uit te komen. Daarmee heeft verweerder ook een onjuiste voorstelling van zaken gegeven omdat zijn cliënt als voormalig huurder ook servicekosten (€ 100,- per maand) verschuldigd was. Door de relevante informatie weg te laten of in strijd met de waarheid feiten op te nemen in de dagvaarding kon de kantonrechter - ook in het geval van een verstekvonnis - geen juist oordeel vellen. Klager moest zich daardoor in de procedure bij de kantonrechter stellen en verweer voeren en is daardoor onnodig op kosten gejaagd. 

Verweer verweerder

5.20    Dit verwijt heeft betrekking op de civielrechtelijke (rechts)verhouding en procedure en daarover dient een civiele rechter te oordelen, niet de tuchtrechter.

5.21    Verweerder betwist bewust onwaarheden naar voren te hebben gebracht of onjuiste feiten te hebben gesteld in de processtukken. Tijdens de zitting bij de kantonrechter kwam naar voren dat verweerder onvoldoende informatie zou hebben aangebracht over de verrekening met een boete voor de hond, maar dat was volgens verweerder niet juist. De kantonrechter gaf aan dat zij het had gewaardeerd als verweerder ook de e-mail van zijn cliënt aan klager had gemeld waarin hij als huurder om toestemming voor een hond in het gehuurde vroeg met de afwijzing daarvan door klager. In de dagvaarding heeft hij het beroep van klager op een boete voor de hond van zijn cliënt vermeld en ook erkend dat zonder de toestemming van de verhuurder een hond een aantal dagen in het gehuurde is geweest. Ook heeft hij in de dagvaarding besproken hoe hij het beroep op verrekening heeft beoordeeld. Volgens verweerder heeft hij de feiten en het verweer daarop voldoende in beeld gehouden. 

Oordeel raad

5.22    Uit het proces-verbaal van de zitting op 7 juni 2024 is de raad gebleken dat verweerder volgens de kantonrechter niet alle relevante informatie meteen in de dagvaarding heeft opgenomen. Ook volgt uit datzelfde proces-verbaal dat verweerder daartegen toen gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Of de kantonrechter aan het ontbreken van relevante informatie of stukken gevolgen heeft verbonden wegens strijdigheid met de door klager genoemde artikelen 21 en 111 Rv kan de raad niet vaststellen. Het vonnis van de kantonrechter is niet overgelegd, waaruit dat mogelijk zou kunnen blijken. 

5.23    Uit de overgelegde stukken is de raad wel gebleken dat verweerder in de dagvaarding het verweer van klager heeft opgenomen zoals dat ook wettelijk is vereist. Of verweerder namens zijn cliënt, al dan niet bewust, onjuiste feiten en onjuiste standpunten heeft ingenomen in de procedure bij de kantonrechter, is een inhoudelijk oordeel dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven onder 5.1 en 5.2 genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de raad niet gebleken. Het enkele feit dat verweerder voor de standpunten van zijn cliënt in de procedure bij de kantonrechter stevige bewoordingen over klager heeft gebruikt, is onvoldoende om hem daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Andere feiten of omstandigheden die dat standpunt van klager wel kunnen onderbouwen, ontbreken.

5.24    Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de hem, als advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid, heeft overschreden. Ook klachtonderdeel d) wordt ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel e)

misbruik te maken van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand door kunstmatig de vordering van zijn cliënt/ de huurder boven de daartoe bepaalde grens van € 500,- te stellen, zodat aan zijn cliënt een toevoeging werd verleend, terwijl klager daardoor kosten moest maken;

Toelichting klager

5.25    Verweerder heeft zijn cliënt gefaciliteerd door de vordering zo op te kloppen en, zoals volgt uit klachtonderdeel d) relevante stukken niet over te leggen, dat zijn cliënt aanspraak kon maken op gefinancierde rechtsbijstand. Mr. B heeft verweerder gewaarschuwd dat de feitelijke vordering van zijn cliënt onder de toevoegingsgrens van € 500,- lag. Om een procedure uit te sparen, en daarmee kosten voor klager, heeft mr. B veel voorstellen voor een schikking gedaan. Daarmee instemmen was kennelijk niet het (financiële) belang van verweerder die wilde procederen.

Verweer verweerder

5.26    Volgens verweerder heeft klager bij dit verwijt geen eigen belang omdat het valt onder de advocaat-cliënt relatie. Hij kan het verwijt ook niet volgen, omdat zijn cliënt voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking kwam en hij dat om die reden moest aanvragen. 

Oordeel raad

5.27    De raad begrijpt dit verwijt aldus dat verweerder volgens klager (financieel) niet integer heeft gehandeld. Volgens klager heeft verweerder op een slinkse wijze de vordering van zijn cliënt zodanig opgeklopt dat zijn cliënt voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking kwam. Omdat verweerder weigerde om met klager tot een schikking te komen maar - op basis van onjuiste feiten en stellingnames - een procedure is gestart, is verweerder daar financieel beter van geworden. Dit terwijl klager door deze handelwijze van verweerder onnodig op kosten is gejaagd. 

5.28    Op grond van de stukken ziet de raad onvoldoende aanknopingspunten voor dit verwijt van klager. Verweerder heeft toegelicht dat zijn cliënt voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking kwam en hij gehouden was dat aan te vragen. Dat verweerder hierbij zijn eigen financiële belang zou hebben vooropgesteld, mede doordat verweerder een schikking met klager heeft tegengehouden, is naar het oordeel van de raad een ernstige aantijging van klager. Omdat die aantijging door klager niet met stukken is onderbouwd, kan de raad de juistheid daarvan niet vaststellen. Daarbij merkt de raad op dat het de keuze van een cliënt is om al dan niet in te stemmen met een schikkingsvoorstel van een wederpartij. Voor zover verweerder op dat punt buiten de instructies van zijn cliënt heeft gehandeld, is het aan de cliënt om verweerder daarover te beklagen; niet aan klager. Feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat verweerder in deze tuchtrechtelijk heeft gehandeld, zijn verder niet door klager gesteld of uit de stukken gebleken. 

5.29    De raad komt dan ook op grond van vorenstaande tot het oordeel dat klachtonderdeel e) ongegrond moet worden verklaard. 

Klachtonderdeel f) druk uit te oefenen op de advocaat van klager nadat hij zich als advocaat had onttrokken, om persoonsgegevens van klager te verkrijgen;  

Toelichting klager

5.30    Mr. B heeft zich op zijn verzoek onttrokken aan de zaak omdat de kosten niet in verhouding stonden tot het geringe financiële belang van de zaak van circa € 500,-. Op 3 november 2023 heeft mr. B dit aan verweerder gemeld. Toch stuurde verweerder daarna aan mr. B een e-mail met een verzoek om toezending van de adresgegevens van klager. Die mocht mr. B niet geven en dat heeft mr. B ook zo aan verweerder bericht. Ook daarna heeft verweerder aan mr. B een e-mail gestuurd met een verzoek om woonplaatskeuze omdat klager in Zweden woont. De dagvaarding is vervolgens door verweerder betekend op kantoor van mr. B. Dit is een ontoelaatbare werkwijze waardoor verweerder klager opnieuw op kosten heeft gejaagd.

Verweer verweerder

5.31    Verweerder betwist dat het hem niet vrij stond om de (toen even) voormalig advocaat van klager, mr. B, te benaderen over de woonplaats van klager. Als dat niet zou mogen, dan zou klager niet mogen dagvaarden vanwege de privacy van klager. Dat voert veel te ver. Klager had een geheim adres in Nederland en op dat adres heeft de deurwaarder uiteindelijk de dagvaarding betekend. De privacy van klager is gewaarborgd doordat de deurwaarder aan verweerder niet dat adres heeft verstrekt. Verweerder heeft met zijn e-mail aan mr. B willen waarborgen dat klager de dagvaarding zou bereiken door mr. B op de hoogte te brengen en te vragen naar mogelijkheden voor betekening daarvan op een adres in Nederland (zonder betekening in Zweden).

Oordeel raad

5.32    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in deze als partijdig advocaat de belangen van zijn cliënt behartigd en daarbij ook voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klager. Vast staat dat klager niet meer woonachtig was op het adres zoals dat in de huurovereenkomst met de cliënt van verweerder stond vermeld maar, zoals op 3 november 2023 door mr. B aan verweerder gemeld, naar Zweden was verhuisd. Het belang om de dagvaarding voor klager in Nederland te laten betekenen, was in het (financiële) belang van beide partijen. Verweerder mocht naar het oordeel van de raad in de omstandigheden van dit geval mr. B aanschrijven over de woonplaatskeuze van klager zoals hij dat heeft gedaan. Niet valt in te zien op welke manier klager daardoor in zijn belangen is geschaad. 

5.33    Dit leidt er toe dat de raad ook klachtonderdeel f) ongegrond verklaart. 

 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mrs. M. Lont en H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.

Griffier    Voorzitter

  Verzonden op : 7 april 2026