Rechtspraak
Uitspraakdatum
07-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:49
Zaaknummer
25-857/DB/LI
Inhoudsindicatie
herstelbeslissing
Uitspraak
Herstelbeslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 7 april 2026
in de zaak 25-857/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
Bij e-mail van 23 maart 2026 heeft verweerder de raad verzocht om een herstelbeslissing af te geven. Verweerder heeft daartoe gesteld dat hij is veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor door klager gemaakte reiskosten, terwijl klager niet ter zitting is verschenen. Klager is bij e-mail van 24 maart 2026 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek van verweerder om een herstelbeslissing af te geven. Klager heeft bij e-mailbericht van 24 maart 2026 gereageerd. Klager heeft gesteld dat hem een vergoeding voor reiskosten toekomt. Klager heeft voorts gesteld: “Ik ben tijdens de zitting wel bij de Raad van Discipline geweest. Ik zag daar echter [verweerder] en het leek mij voor mijn gemoedstoestand, en zeker voor zijn lichamelijke gesteldheid, beter hem te ontlopen.” De raad is van oordeel dat de stelling van klager, dat hij “tijdens de zitting wel bij de raad van discipline is geweest” feitelijke grondslag mist. De raad heeft namelijk ter zitting van 9 februari 2026 geconstateerd dat klager, ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting was verschenen. In het proces-verbaal van de zitting is dan ook vastgelegd dat klager niet is verschenen. Daags na de zitting heeft de griffier van de raad bij e-mail van 10 februari 2026 aan klager medegedeeld: “(…) U bent ter zitting niet verschenen. De raad zal op 23 maart a.s. uitspraak doen. (…)” De beslissing van de raad, waarin is vermeld dat klager niet ter zitting is verschenen, is op 23 maart 2026 aan klager toegezonden. Vast staat kortom dat klager niet ter zitting is verschenen, zodat er geen grond is voor een veroordeling van verweerder tot betaling van een vergoeding van reiskosten. De raad concludeert dan ook dat onder de randnummers 7.2 en 7.3 en in het dictum van de beslissing van 23 maart 2026 een kennelijke fout staat, die zich leent voor herstel.
BESLISSING
De raad van discipline:
herstelt voornoemde beslissing van 23 maart 2026 in die zin, dat:
- de volledige tekst onder randnummer 7.2 wordt vervangen door de volgende tekst:
“ 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.”
- de volledige tekst onder randnummer 7.3 wordt verwijderd.
- randnummer 7.4 wordt hernummerd naar randnummer 7.3.
- de volledige tekst onder de kop “BESLISSING” wordt vervangen door de volgende tekst:
“De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel 1 sub a niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdeel 1 sub b ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.”
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. A.A.T. van Ginderen, S.M.P.T. Ruijs-Kreté, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 7 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 april 2026
