Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:100

Zaaknummer

260070

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Een klacht over een deken is geen middel om de inhoud van een aanwijzingsbeslissing van een deken ter discussie te stellen. Hetgeen verweerster heeft geschreven aan klager over de wijze waarop een advocaat wordt aangewezen en de werkwijze van de aangewezen advocaat is bovendien juist. De mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen is een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem of haar bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat alsook dat de deken niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door een klager gewenste procedure te voeren (Hof van Discipline 26 januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:24).

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

van 19 maart 2026

in de zaak 260070

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerster

 

1 HET VERZOEK

De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 26 februari 2026 van klager waarin klager een klacht indient over verweerster in haar hoedanigheid van deken. Klager stelt (naar aanleiding van de brief van verweerster van 7 januari 2026) dat verweerster met de wijze van aanwijzing van een advocaat hem niet in staat stelt zijn procedurele zaak tegen de staat af te ronden doordat verweerster daar een nieuwe, andere, oneigenlijke zaak van heeft gemaakt.

 

2 DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 Uit de door klager meegestuurde stukken leidt de voorzitter af dat de klacht van klager ziet op de aanwijzing door verweerster (in haar hoedanigheid van deken) van een advocaat aan klager op grond van artikel 13 Advocatenwet. In het aanwijzingsbesluit van 22 augustus 2025 is opgenomen dat de aangewezen advocaat (mr. S) eerst een procesadvies zal uitbrengen. Daarop heeft klager op 15 september 2025 schriftelijk gereageerd. In zijn bericht aan verweerster schrijft klager onder meer dat hij rechtsbijstand vraagt en de opdrachtgever is alsook dat klager geen juridische advisering heeft gevraagd. Klager wil een dagvaarding uitbrengen.

2.3 Nadien heeft klager geruime tijd discussie gevoerd met (het ordebureau van) verweerster en mr. S over de aanvraag van een toevoeging. Op 7 januari 2026 heeft verweerster schriftelijk uitgelegd aan klager dat de advocaat die wordt aangewezen de cliënt duidelijk dient te maken hoe hij te werk wil gaan en waartoe hij wel of niet bereid is, omdat de advocaat bij de behandeling van de zaak de leiding heeft en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid bepaalt met welke aanpak de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend. Daarom heeft verweerster in de aanwijzingsbeslissing opgenomen dat mr. S eerst een procesadvies zal uitbrengen en dat mr. S klager niet bijstaat als hij geen kansen ziet voor een geslaagde procedure. Dit maakt volgens verweerster dat de door klager gestelde voorwaarde, dat mr. S de op gezag van zijn vorige advocaat tot stand gekomen dagvaarding zal uitbrengen, niet zonder meer kan worden ingewilligd. Mr. S zal eerst een inschatting moeten maken van de kans van slagen van de door klager gewenste procedure. In het geval klager geen overeenstemming kan bereiken met mr. S wordt klager door verweerster geadviseerd zelf een advocaat te zoeken.

2.4 De voorzitter overweegt dat een klacht over een deken geen middel is om de inhoud van een aanwijzingsbeslissing van een deken ter discussie te stellen. Hetgeen verweerster heeft geschreven aan klager over de wijze waarop een advocaat wordt aangewezen en de werkwijze van de aangewezen advocaat is bovendien juist. De voorzitter voegt daar nog aan toe dat de mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen, een aanvullende voorziening is voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem of haar bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat alsook dat de deken niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door een klager gewenste procedure te voeren (Hof van Discipline 26 januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:24).

2.5 In het geval klager wenst dat een advocaat direct overgaat tot het aanbrengen van de procedure op basis van een dagvaarding die klager door een ander heeft laten opstellen, staat het klager vrij  een advocaat te zoeken die daartoe bereid is. De voorziening tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet reikt niet zover en biedt daarvoor geen grondslag.

2.6 Gelet hierop zal de voorzitter de klacht over verweerster niet verwijzen.

 

3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

 

-wijst het verzoek tot verwijzing af.

 

Deze beslissing is genomen op 19 maart 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 19 maart  2026.