Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

07-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:45

Zaaknummer

25-794/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat in hoedanigheid van deken. Vast staat dat klaagster pas na twee maanden na indiening van het aanwijzingsverzoek een inhoudelijke reactie van het Ordebureau heeft ontvangen. Met klaagster is de raad van oordeel dat dit onzorgvuldig is. Echter, er is hier sprake geweest van een onder verweersters verantwoordelijkheid gemaakte menselijke fout, waarvoor excuses zijn aangeboden en vast staat dat alsnog een advocaat is aangewezen. In de zaak waarvoor klaagster rechtsbijstand wenste, is geen (fatale) termijn verlopen. Het feit dat ten gevolge van de onder verweersters verantwoordelijkheid gemaakte fout vertraging is ontstaan in de behandeling van het aanwijzingsverzoek is naar het oordeel van de raad niet zodanig ernstig dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Ook voor het overige niet gebleken dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Ongegrond. 

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 7 april 2026

in de zaak 25-794/DB/ZWB  

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij e-mail van 3 juni 2025 heeft klaagster bij het Hof van Discipline een klacht tegen verweerster ingediend. Bij beslissing van 12 juni 2025 (kenmerk 250197) heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de zaak verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).

1.2    Op 17 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-047 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 februari 2026. Verschenen zijn klaagster en verweerster, bijgestaan door mr. B, stafjurist.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en de nagekomen e-mails met bijlagen van klaagster van 8 december 2025. De raad wijst het in klaagsters nagekomen e-mail met bijlagen van 6 februari 2026 geformuleerde verzoek, om de onderhavige klacht en de (tweede) klacht van klaagster tegen verweerster d.d. 12 november 2025 gevoegd te behandelen, af omdat de deken het onderzoek van de (tweede) klacht d.d. 12 november 2025 nog niet heeft afgerond en het klachtdossier nog niet aan de raad heeft doorgezonden. 

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Op 27 december 2023 is een auto op klaagsters geparkeerde auto ingereden en op 21 juni 2024 is klaagster van haar fiets gevallen doordat een auto te laat had geremd. Klaagster stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden en is van mening dat de verzekeringsmaatschappij verwijtbaar heeft gehandeld. 

2.3    Klaagster wilde optreden tegen de verzekeringsmaatschappij, maar kon geen advocaat vinden. Klaagster heeft daarom op 11 februari 2025 op de website van het Ordebureau een webformulier met een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. Klaagster heeft daarop een automatisch gegenereerde ontvangstbevestiging ontvangen. 

2.4    Bij e-mail van 15 april 2025 heeft een medewerker van het Ordebureau aan klaagster bericht dat het webformulier aan de aandacht was ontsnapt en aan klaagster aanvullende vragen gesteld. Klaagster heeft op 30 april 2025 gereageerd en de gevraagde informatie aangeleverd. 

2.5    Bij e-mail van 27 mei 2025 heeft klaagster haar ongenoegen over het uitblijven van een reactie aan verweerster kenbaar gemaakt en indiening van een klacht aangekondigd indien verweerster op 1 juni 2025 nog geen advocaat had aangewezen.

2.6        Bij e-mail van 3 juni 2025 heeft klaagster bij het Hof van Discipline een klacht tegen verweerster ingediend. Bij beslissing van 12 juni 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de zaak verwezen naar de deken.

2.7    Bij brief van 14 juli 2025 heeft verweerster haar excuses aan klaagster aangeboden voor de lange duur van de behandeling van het aanwijzingsverzoek en alsnog een advocaat, gespecialiseerd in de behandeling van letselschadezaken, aangewezen. Deze advocaat heeft een advies aan klaagster uitgebracht en was bereid om voor klaagster in de aansprakelijkheidskwestie(s) aan de slag te gaan, maar zag geen mogelijkheden om klaagster bij te staan in de door klaagster gewenste procedure wegens moreel verval, schending van gedragscodes en ethiek.

2.8    Bij e-mails van 16 en 28 juli 2025 en bij brief van 4 augustus 2025 heeft verweerster klaagster uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek, waarin verweerster (nogmaals) haar excuses wilde aanbieden en wilde toelichten waarom de behandeling van klaagsters aanwijzingsverzoek zo lang had geduurd. Op 16 juli 2025 heeft verweerster klaagsters voicemail ingesproken. Op 25 september 2025 heeft de deken klaagster uitgenodigd voor een bemiddelingsgesprek, bij gelegenheid waarvan verweerster haar excuses zou aanbieden. Klaagster heeft geen van de hiervoor genoemde uitnodigingen geaccepteerd. Bij brief van 2 oktober 2025 heeft verweerster nogmaals haar excuses aangeboden aan klaagster. 

 

KLACHT  

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

Verweerster heeft klaagsters verzoek om aanwijzing van een advocaat niet op voortvarende, zorgvuldige en juiste wijze behandeld.

Toelichting: Pas twee maanden na indiening van het verzoek om aanwijzing van een advocaat heeft klaagster van het Ordebureau een inhoudelijke reactie ontvangen. Verweerster heeft klaagsters naam verkeerd gespeld en in een voicemailbericht ook verkeerd uitgesproken. De door verweerster aangewezen advocaat sluit niet aan bij klaagsters verzoek. Het is vreemd dat verweerster lopende de klachtprocedure alsnog een advocaat heeft aangewezen en klaagster heeft uitgenodigd voor een gesprek.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    Toetsingskader

Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van deken, dan blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd met de norm van artikel 46 Advocatenwet.

5.2    Beoordeling

Vast staat dat klaagster pas na twee maanden na indiening van het aanwijzingsverzoek een inhoudelijke reactie van het Ordebureau heeft ontvangen. Met klaagster is de raad van oordeel dat dit onzorgvuldig is. Echter, er is hier sprake geweest van een onder verweersters verantwoordelijkheid gemaakte menselijke fout, waarvoor excuses zijn aangeboden en vast staat dat alsnog een advocaat is aangewezen. In de zaak waarvoor klaagster rechtsbijstand wenste, is geen (fatale) termijn verlopen. Het feit dat ten gevolge van de onder verweersters verantwoordelijkheid gemaakte fout vertraging is ontstaan in de behandeling van het aanwijzingsverzoek is naar het oordeel van de raad niet zodanig ernstig dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Hetzelfde geldt voor de onder verweersters verantwoordelijkheid gemaakte spelfout en het verkeerd uitspreken van klaagsters naam. De raad begrijpt uit de overgelegde stukken dat onder verweersters verantwoordelijkheid is verzuimd om het tussenvoegsel “van” in klaagsters achternaam te vermelden. Dit was voor klaagster kennelijk storend, maar naar het oordeel van de raad is die fout van onvoldoende gewicht om verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te maken. 

5.3    De raad acht voorts begrijpelijk dat verweerster naar aanleiding van de aan het aanwijzingsverzoek ten grondslag gelegde informatie een in letselschade gespecialiseerde advocaat heeft aangewezen. De aangewezen advocaat was bereid om met de aansprakelijkheidskwestie(s) aan de slag te gaan. Dat de aangewezen advocaat geen mogelijkheden zag om een procedure voor klaagster te voeren wegens “moreel verval, schending van gedragscodes en ethiek” kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden verweten. 

5.4    Ook van het feit dat verweerster lopende de klachtprocedure alsnog een advocaat heeft aangewezen en klaagster heeft uitgenodigd voor een gesprek kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Verweerster heeft daarmee het aanwijzingsverzoek alsnog afgehandeld en wilde aan klaagster excuses aanbieden en een toelichting geven op de opgetreden vertraging. Dat door de aanwijzing en de uitnodiging het vertrouwen in de advocatuur is geschaad, is de raad geenszins gebleken.

5.5    De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. 

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, mrs. J.A. Bloo, I.K. Decupere, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 7 april 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 7 april 2026