Rechtspraak
Uitspraakdatum
30-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:65
Zaaknummer
26-134/A/A
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. De voorzitter is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster feiten heeft gesteld waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, noch dat verweerster zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 30 maart 2026 in de zaak 26-134/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster gemachtigde: mr. H.A. Lewin
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 20 februari 2026 met kenmerk 2491636, door de raad ontvangen op 20 februari 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Tussen klaagster en een gemeente in Nederland (hierna: de gemeente) heeft vanaf 2010 een dienstverband bestaan. Klaagster heeft zich tijdens dit dienstverband in 2022 ziekgemeld. De gemeente is eigen risicodrager voor de WIA. Tussen klaagster en de gemeente is sprake van een langlopend geschil in het kader waarvan diverse gerechtelijke procedures hebben plaatsgevonden. In het arbeidsrechtelijke geschil met klaagster staat verweerster de gemeente als advocaat bij. 1.2 Tijdens het dienstverband met de gemeente is klaagster ook bij een andere werkgever in loondienst geweest. Ook tijdens dat andere dienstverband heeft zij zich ziekgemeld. Na beëindiging van dat andere dienstverband heeft klaagster een uitkering op grond van de Ziektewet aangevraagd. Op het in dat verband door klaagster ingevulde aanvraagformulier heeft zij op de vraag: “Heeft u naast de functie (dus tegelijkertijd) die u heeft aangegeven nog een of meer andere functies waarvoor u zich ook heeft ziekgemeld?” geantwoord: “Nee”. 1.3 Tussen klaagster en de gemeente is een appelprocedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aanhangig geweest. In deze procedure werd klaagster bijgestaan door een advocaat. Verweerster heeft namens de gemeente een verweerschrift ingediend bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In dit verweerschrift heeft verweerster namens de gemeente onder meer het volgende naar voren gebracht: “(52) [Klaagster] had de drie laatste door haarzelf gestarte procedures, inclusief dit hoger beroep, kunnen voorkomen door open, eerlijk en transparant te zijn richting de bedrijfsarts, [E], [de gemeente] en de Kantonrechter. In plaats van eerlijkheid, openheid en transparantie kiest [klaagster] steeds voor het tegenovergestelde. Zij heeft inmiddels tijdens al deze geschillen een rechtsbijstandsverzekering afgesloten, in ieder geval vóór de tweede kort geding procedure en dit hoger beroep. Dat daar sprake van is wordt niet gemeld. Dat is overigens wederom in strijd met artikel 21 Rv.” 1.4 Tijdens de mondelinge behandeling bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 maart 2025 heeft verweerster onder meer het volgende namens de gemeente naar voren gebracht: “In de aanvraag voor de Ziektewet heeft ze niet opgegeven dat ze nog een andere werkgever had. Dat is liegen. Al sinds 2010 werkt ze bij de Gemeente. Het Aanvraagformulier Ziektewet is simpel in te vullen, je hoeft daarin maar twee antwoorden te geven, en zij vult welbewust nee in. Ze heeft ook geprobeerd haar persoonsgegevens te wijzigen zodat dat niet bekend zou worden.” 1.5 Op 2 mei 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende. a) Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling van 19 maart 2025 zonder feitelijke onderbouwing ongegronde en grievende beschuldigingen aan het adres van klaagster gedaan over de door klaagster ingediende Ziektewetaanvraag. b) Verweerster heeft zich in het verweerschrift grievend over klaagster uitgelaten doordat zij ten onrechte, zonder onderbouwing en zonder bij klaagster navraag te hebben gedaan, in het verweerschrift heeft gesteld dat klaagster voor of tijdens de procedure in juli 2024 een rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten en dat zij dit onder schending van artikel 21 Rv bewust heeft verzwegen. Verweerster heeft ten onrechte verzocht om klaagster te veroordelen in de proceskosten.
3 VERWEER 3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING 4.1 Toetsingskader Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 4.2 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten verder te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 4.3 Gedragsregel 8 bepaalt dat een advocaat geen feiten mag stellen waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen.
4.4 Beoordeling De klachtonderdelen hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Verweerster heeft beide klachtonderdelen gemotiveerd weersproken en het verweer gevoerd dat zij geen feiten heeft gesteld waarvan zij de onjuistheid kende en dat zij zich evenmin onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten. Ter zake klachtonderdeel a heeft verweerster ter onderbouwing van haar verweer het door klaagster ingevulde aanvraagformulier overgelegd en gemotiveerd toegelicht dat klaagster dit formulier niet naar waarheid had ingevuld. Ter zake klachtonderdeel b heeft verweerster gesteld dat klaagsters toenmalige advocaat aan verweerster heeft verteld dat klaagster een rechtsbijstandsverzekering had afgesloten. Verweerster heeft gesteld dat het in het belang van de gemeente (als eigen risicodrager voor de WIA) was om in de gerechtelijke procedure naar voren te brengen dat klaagster niet transparant was geweest over haar verdiensten en mate van arbeidsongeschiktheid. Verweerster heeft voorts gesteld dat het, gelet op de door klaagster gevorderde vergoeding van advocaatkosten, in het belang van de gemeente was om in de gerechtelijke procedure naar voren te brengen dat klaagster was verzekerd voor de kosten van rechtsbijstand en dit had verzwegen. De voorzitter overweegt als volgt. 4.5 Het was de taak van verweerster om de belangen van haar cliënte te behartigen. In dat verband stond het verweerster vrij om op basis van de van haar cliënte verkregen informatie de standpunten van haar cliënte naar voren te brengen. Ook stond het verweerster vrij om namens haar cliënte de processtukken in te richten op een wijze die haar, met het oog op de door haar te behartigen belangen, juist voor kwam. Naar het oordeel van de voorzitter zijn de door verweerster namens haar cliënte geponeerde stellingen niet onnodig grievend. Verweerster heeft genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat en waarom het in het belang van haar cliënte was om de gerechtelijke procedure naar voren te brengen dat klaagster het aanvraagformulier niet naar waarheid had ingevuld en dat klaagster was verzekerd voor de kosten van rechtsbijstand en dit had verzwegen. 4.6 Dat klaagster zich niet in de door verweerster naar voren gebrachte standpunten kan vinden, betekent nog niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van de voorzitter is niet gebleken dat verweerster feiten heeft geponeerd waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen. Het door klaagster ingevulde aanvraagformulier biedt voldoende feitelijke grondslag voor de stelling dat klaagster het aanvraagformulier niet naar waarheid heeft ingevuld. Dat verweerster reden had om te twijfelen aan de mededeling van klaagsters voormalig advocaat, dat klaagster was verzekerd voor de kosten van rechtsbijstand, is niet gebleken. Verweerster mocht dan ook namens haar cliënte stellen dat klaagster was verzekerd voor de kosten van rechtsbijstand en zij mocht de rechter tevens namens haar cliënte verzoeken om klaagster te veroordelen in de proceskosten. Indien en voor zover klaagster het met de door verweerster naar voren gebrachte standpunten niet eens was, konden zij en haar advocaat zich daartegen in de civiele procedure verweren. De voorzitter overweegt dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. Het is aan de civiele rechter, en niet aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven. 4.7 De voorzitter komt tot de slotsom dat niet is gebleken dat verweerster feiten heeft gesteld waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, noch dat verweerster zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten. Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 30 maart 2026
