Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:98
Zaaknummer
250188
Inhoudsindicatie
Wederzijds appel. Klager verwijt zijn advocaat dat hij de belangen van klager in meerdere opzichten niet correct heeft behartigd, waarmee hij alle kernwaarden van artikel 10a Advocatenwet heeft geschonden. De raad heeft één klachtonderdeel deels gegrond verklaard (met berisping), namelijk voor zover verweerder klager niet heeft geïnformeerd dat het budget van de rechtsbijstandsverzekeraar was overschreden. Het hof vernietigt dit deel van de beslissing, omdat de raad bij de beoordeling buiten de klacht is getreden. Voor het overige volgt bekrachtiging, waarmee de klacht in alle onderdelen ongegrond is.
Uitspraak
Beslissing van 3 april 2026 in de zaak 250188
naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
gemachtigde: mr. R. Sanders
1 INLEIDING
1.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Verweerder heeft klager bijgestaan in een procedure die door de zus van klager tegen klager was aangespannen met betrekking tot een geschil over een erfgrens. Klager verwijt verweerder dat hij de belangen van klager in meerdere opzichten niet correct heeft behartigd, waarmee hij alle kernwaarden als bedoeld in artikel 10a Advocatenwet heeft geschonden. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft één klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond bevonden, namelijk voor zover verweerder klager niet heeft geïnformeerd dat het budget van de rechtsbijstandsverzekeraar was overschreden. Beide partijen zijn van de beslissing van de raad in beroep gekomen.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager en verweerder in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline 2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-909/DB/LI) een beslissing gegeven op 19 mei 2025. In deze beslissing is van de klacht van klager klachtonderdeel c) gegrond verklaard, voor zover dat klachtonderdeel is gericht op het niet informeren dat het budget van de verzekeraar was overschreden. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:81 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline 2.3 Het beroepschrift van klager tegen de ongegrond verklaarde klachtonderdelen is op 21 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Het beroepschrift van verweerder tegen het gegrond verklaarde klachtonderdeel is op 19 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.5 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - de e-mail van klager van 22 mei 2025 met bijlagen; - de e-mail van klager van 29 mei 2025 met bijlagen; - het verzoek van klager van 11 juni 2025 tot herziening van het vonnis; - reactie van klager van 20 juni 2025 op het beroepschrift van verweerder; - nagezonden stukken van klager van 20 juni 2025; - het verweerschrift van verweerder op het beroep van klager; - de brief van de gemachtigde van verweerder van 26 januari 2026 met bijlagen. 2.6 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 februari 2026. Daar zijn klager en verweerder met zijn gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager heeft een geschil met zijn zus gehad over de erfgrens tussen hun naast elkaar gelegen percelen. In het begin is klager via zijn rechtsbijstandsverzekeraar bijgestaan door mr. C. Mr. C heeft in een e-mail van 19 februari 2020 gewezen op de eigendomsakte en de kadastrale kaart en zich op het standpunt gesteld dat de zus misbruik van recht zou maken als zij zou gaan procederen.
3.3 Klager is door zijn zus op 21 februari 2021 gedagvaard. Op 3 maart 2021 is klager via de rechtsbijstandsverzekeraar terechtgekomen bij verweerder, die namens klager verweer heeft gevoerd en vorderingen in reconventie heeft ingediend.
3.4 Bij vonnis van 16 februari 2022 heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat de perceelsgrens loopt zoals door het Kadaster is vastgesteld, klager een schadevergoeding van € 7.550,40 toegekend voor het afbreken van een houthok en de zus veroordeeld tot medewerking aan het plaatsen van een mandelige scheidsmuur op de perceelsgrens.
3.5 De zus heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Daarin heeft zij onder meer gesteld dat de vordering tot verwijdering van het houthok verjaard is en dat zij mede daarom ten onrechte is veroordeeld tot een schadevergoeding voor de afbraak daarvan.
3.6 Op 1 maart 2023 heeft een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ten overstaan van de raadsheer mr. A-S.
3.7 Op 11 augustus 2023 heeft verweerder klager bericht naar verwachting op 16 augustus 2023 een concept memorie van antwoord te kunnen voorleggen. Op 12 augustus 2023 heeft klager daartegen bezwaar gemaakt, omdat hij dan nog te weinig tijd had om het concept te bestuderen. Op 14 augustus 2023 heeft verweerder gereageerd dat het processtuk uiterlijk 22 augustus 2023 om 10.00 uur ingediend moest worden en dat hij zo nodig nog in het weekend kon werken. Op 17 augustus 2023 heeft verweerder de concept memorie van antwoord voorgelegd aan klager.
3.8 Op 22 augustus 2023 heeft verweerder namens klager een ‘memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appèl met vermeerdering van eis’ ingediend. Verweerder heeft daarin verweer gevoerd tegen de door de zus gestelde verjaring. Ook heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten heeft gecompenseerd, omdat de procedure in feite op onterechte gronden was gebaseerd. Daarvoor heeft hij verwezen naar de e-mail van mr. C van 19 februari 2020 en aangevoerd dat klager door de langslepende procedure zijn woonhuis nog niet kon verkopen wat door de dalende huizenprijzen schade opleverde.
3.9 In de ochtend van 27 mei 2024 hebben klager en verweerder een concept pleitnota besproken. Tijdens het gesprek heeft verweerder gezegd dat hij verwachtte dat mr. A-S een van de drie raadsheren zou zijn tijdens de zitting die daags nadien zou plaatsvinden. Klager heeft gezegd dat hij een brief van de toenmalige Limburgse deken op die zitting wilde aanhalen.
3.10 Op 28 mei 2024 heeft een zitting plaatsgevonden bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Mr. A-S was niet een van de drie aanwezige raadsheren. Tijdens de zitting is een schikking bereikt, die onder meer inhoudt dat klager de kosten voor de eventuele verwijdering van het houthok voor zijn rekening zal nemen en de reeds betaalde schadevergoeding zal terugbetalen.
3.11 Nadien heeft klager bij het kantoor van verweerder een klacht ingediend op grond van het klachtreglement. Op 10 juni 2024 heeft verweerder op de klacht gereageerd. De klacht is vervolgens door de klachtenfunctionaris ongegrond verklaard.
3.12 Op 5 juni 2024 heeft klager een klacht ingediend bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Op 27 juni 2024 heeft de president van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de klacht ongegrond verklaard.
3.13 Verweerder heeft uiteindelijk € 57.510,25 gedeclareerd bij de verzekeraar. Dat was € 7.510,25 boven het maximaal verzekerde bedrag. Nadat verweerder was gebleken dat het maximaal verzekerde bedrag was overschreden, heeft hij klager op 22 augustus 2024 verzocht het verschil van € 7.510,25 te betalen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid, doordat hij niet de belangen van klager, maar van de wederpartij heeft behartigd. Verweerder heeft dit gedaan door te liegen dat hij mr. A-S niet heeft horen zeggen dat er geen ander vonnis zou komen in hoger beroep;
b) Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid, doordat hij de verjaringstermijn van vijf jaar bij natrekking over het hoofd heeft gezien. Ook heeft verweerder geen kort geding voorgesteld om het beslag op de woning op te heffen en heeft hij de brief van mr. C geweigerd in het geding te brengen. Verweerder heeft verder zijn processtukken op te late momenten voorgelegd aan klager;
c) Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit, door zich in te laten met de wederpartij en te liegen tegenover zijn eigen baas. Daarnaast heeft verweerder het volledige budget van € 50.000,- van de rechtsbijstandsverzekeraar opgemaakt en overschreden voor een simpele zaak, terwijl hij daarop ook is aangesproken door de rechtsbijstandsverzekeraar. Ook heeft verweerder klager niet geïnformeerd dat hij een eerdere tuchtrechtelijke procedure achter de rug heeft.
d) Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde vertrouwelijkheid, door informatie over de brief van de deken door te spelen aan de wederpartij waardoor een van de raadheren bij het hof vlak voor de zitting is vervangen.
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdelen a) en d) 5.1 Klager stelt dat mr. A-S op de comparitie zou hebben gezegd dat er geen ander vonnis zou komen dan dat van de rechtbank en hij verwijt verweerder dat niet te erkennen. Ook zou verweerder de brief van de Limburgse deken aan de wederpartij hebben doorgespeeld aan de wederpartij, zodat mr. A-S vervangen kon worden door een raadsheer die wel deskundig zou zijn op het gebied van natrekking. Klager is van mening dat verweerder daarmee de wederpartij heeft geholpen, die daardoor geen schadevergoeding hoefde te betalen voor het onnodig procederen tegen klager.
5.2 De raad heeft samengevat het volgende overwogen. Klager is er niet in geslaagd om te onderbouwen dat mr. A-S tijdens de comparitie gezegd zou hebben dat er geen ander vonnis zou komen. Het volgt niet uit het proces-verbaal van de zitting. De raad acht het ook weinig aannemelijk dat een raadsheer een dergelijke ‘toezegging’ zou doen, anders dan als een voorlopig oordeel tijdens de comparitie om partijen in beweging te krijgen om tot een schikking te komen. Ook de stelling van klager dat verweerder heeft geholpen om een raadsheer te vervangen door een raadsheer die op de hand van de wederpartij was, acht de raad niet aannemelijk. Het verwijt dat verweerder de brief van de Limburgse deken zou hebben doorgestuurd naar de wederpartij is niet onderbouwd. Bovendien heeft de president van het gerechtshof in de brief van 27 juni 2024 aan klager uitgelegd dat mr. A-S om logistieke/agendatechnische redenen geen deel uitmaakte van de zittingscombinatie en dat dit bij aanvang van de zitting is gemeld. De raad heeft de klachtonderdelen a) en d) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b) 5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b) heeft de raad samengevat het volgende overwogen. Verweerder heeft erkend dat hij de verjaring van de vordering niet als risico heeft genoemd, maar dat hij wel onder meer heeft gewezen op het risico van natrekking. Klager diende er op die grond al rekening mee te houden dat de vordering zou worden afgewezen. De rechtbank had deze vordering echter toegewezen. In hoger beroep is anders dan in eerste aanleg wel expliciet door de wederpartij een beroep op verjaring gedaan, maar zijn partijen tot een schikking gekomen. Mede gelet op de ruiterlijke erkenning van verweerder dat hij de verjaring ook als risico had moeten benoemen en de omstandigheid dat de eis in reconventie toch is toegewezen, heeft de raad overwogen dat dit geen schending van de kernwaarde deskundigheid oplevert.
5.4 Volgens de raad is niet gebleken dat er beslag op klagers woning is gelegd. Verweerder kon dus ook geen kort geding starten om enig beslag op te laten heffen. Dat een mogelijke verkoop van klagers woning lastiger werd door de lopende procedure over de erfgrens, is niet aan verweerder te wijten omdat hij die procedure niet is gestart. Voor zover klager heeft bedoeld dat zijn zus misbruik van recht maakte door hem voor de civiele rechter te dagen en verweerder daarom de procedure had moeten tegenhouden via een kort geding, heeft de raad klager daarin niet gevolgd. Daarvoor is een kort geding niet bedoeld. Dat mr. C meende dat sprake was van misbruik van recht omdat klager een eigendomsakte had en de kadastrale kaart in het voordeel van klager sprak, berust volgens de raad op een verkeerde uitleg van het recht. De eigendomssituatie uit een eigendomsakte of kadastrale kaart kan immers achterhaald zijn als bijvoorbeeld sprake is van verkrijgende verjaring. Om dat vast te laten stellen, kan een procedure bij de civiele rechter worden gestart. Dat levert niet snel misbruik van recht op. Overigens heeft de raad vastgesteld dat verweerder de brief van mr. C in hoger beroep wel heeft aangehaald. Tot slot heeft de raad overwogen dat verweerder zijn processtukken niet te laat heeft voorgelegd aan klager en dat er voldoende tijd is geweest om de stukken te bespreken en aan te passen. De raad heeft klachtonderdeel b) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c) 5.5 Ten aanzien van klachtonderdeel c) heeft de raad het volgende overwogen. Voor zover verweerder wordt verweten dat hij zou hebben gelogen tegen zijn baas, begrijpt de raad die klacht zo dat verweerder in zijn reactie van 10 juni 2024 niet heeft gezegd dat hij mr. A-S heeft horen zeggen dat er geen ander vonnis zou komen. Daarover is al geoordeeld in klachtonderdeel a). De raad kan niet vaststellen dat verweerder daarover zou hebben gelogen.
5.6 Wat betreft de facturering van verweerder, heeft de raad overwogen dat het geen simpele zaak betrof en dat er omvangrijke processtukken door beide partijen zijn gewisseld. Klager denkt te lichtvaardig over de omvang van een juridische discussie over onder meer bevrijdende verjaring. Dat hij op papier eigenaar is van het perceel, betekent nog niet dat de juridische werkelijkheid ook zo is. Vast staat echter dat verweerder het budget van de verzekeraar ruimschoots heeft overschreden. Klager is daardoor na afloop van de procedure geconfronteerd met een factuur van ruim € 7.500,-, zonder dat hij was geïnformeerd dat het budget van de verzekeraar verbruikt was. Dat had verweerder wel moeten doen en daarmee heeft verweerder dan ook in strijd gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit. De raad vindt dat het verweerder wel zou sieren als hij die factuur aan klager crediteert.
5.7 Dat verweerder klager niet bij aanvang heeft gemeld dat er eerder een tuchtrechtelijke procedure tegen hem heeft gelopen, is volgens de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, omdat daarvoor geen verplichting geldt. Overigens betrof het een ongegrond verklaarde klacht, zodat niet helder is wat met de vermelding daarvan bereikt zou worden.
5.8 Klachtonderdeel c) is in zoverre door de raad gegrond verklaard met oplegging van de maatregel berisping, omdat de kernwaarde (financiële) integriteit is geschonden.
6 OMVANG HOGER BEROEP
Klager heeft in beroep nieuwe verwijten tegen verweerder geformuleerd. Het hof laat deze buiten beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEREN
7.1 Beide partijen zijn van de beslissing van de raad in hoger beroep gekomen.
Beroepsgronden klager 7.2 Klager heeft aangevoerd dat de raad de ongegrond verklaarde klachtonderdelen onvoldoende heeft beoordeeld. De raad heeft de financiële en juridische gevolgen voor klager onvoldoende meegewogen. Ook heeft de raad belangrijke en doorslaggevende informatie weggelaten. Klager heeft het hoger beroep als volgt onderbouwd.
7.3 Verweerder heeft volgens klager de volgende beroepsfouten gemaakt: 1. Verweerder heeft op 28 mei 2024 bewust een onware verklaring afgelegd over wat mr. A-S op de comparitie heeft gezegd. Ook heeft verweerder daarover de deken en de raad niet juist geïnformeerd. Dit gedrag duidt op bewuste misleiding en een gebrek aan integriteit. 2. Verweerder heeft de eigendomsakte genegeerd en geprocedeerd zonder juridische grond. 3. Verweerder heeft vijf jaar lang geprocedeerd in plaats van de zaak efficiënt en rechtvaardig af te handelen. 4. Verweerder heeft opzettelijk de eis in reconventie gehandhaafd, zodat niet opviel dat de eisen in conventie ook verjaard waren. 5. Verweerder heeft ten onrechte de kadastermeting van mei 2021 niet gebruikt in de procedure. 6. Klager kreeg onvoldoende tijd om te reageren op concept-stukken. Daardoor kon klager ook niet bij andere advocaten informatie inwinnen. Verweerder heeft ook geen uitstel gevraagd, wat de wederpartij iedere keer deed. 7. Verweerder heeft ten onrechte de brief van mr. C niet gebruikt, terwijl daarin werd vastgesteld dat klager onomstotelijk eigenaar was en dat verdere juridische stappen een onrechtmatige daad zouden vormen. 8. Verweerder heeft geen actie ondernomen om verdere escalatie te voorkomen toen de wederpartij het bemiddelingsgesprek eenzijdig afbrak. 9. Het in rekening gebrachte bedrag voor de zaak is disproportioneel. 10. Verweerder had moeten zeggen dat hij al bekend was bij het hof. Klager wil geen advocaat aanstellen die mogelijk al gestraft is.
7.4 Klager stelt dat hij aanzienlijke financiële schade heeft geleden, onder meer doordat zijn huis niet verkoopbaar was. Verweerder wist dat klager overwoog om te verkopen. Klager meent dat het passend is als het hof de maatregel schrapping overweegt. Klager vraagt voorts om een schadeloosstelling.
Beroepsgronden verweerder 7.5 Verweerder heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een schending van de (financiële) integriteit en dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. Doordat voor het hoger beroep zowel bij de rechtsbijstandsverzekeraar een nieuw dossier is aangemaakt als bij verweerder, is het maximale budget bij beiden uit het zicht geraakt en is de budgetoverschrijding onopgemerkt gebleven. Er is sprake van een domme fout en niet van een bewust verwijtbaar handelen. Inmiddels stuurt het kantoor van verweerder de declaraties niet alleen aan de verzekeraar, maar ook aan de cliënt. Verweerder heeft klager éénmaal verzocht het aan de verzekeraar gecrediteerde bedrag te betalen. Er is niet aan klager gefactureerd.
Verweer klager/verweerder 7.6 Klager heeft verweer gevoerd op het door verweerder ingestelde beroep en verweerder op het door klager ingestelde beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid beroep verweerder 8.1 Klager heeft aangevoerd dat het hof het op 19 juni 2025 door verweerder ingediende beroepschrift en het op 22 juli 2025 door verweerder ingediende verweerschrift op het beroep van klager buiten beschouwing dient te laten. Klager stelt dat het in beide gevallen gaat om een ‘incidenteel appel dat juridisch niet-ontvankelijk is’, omdat het hof niet de mogelijkheid kent tot het instellen van incidenteel hoger beroep.
8.2 Het hof volgt klager niet in zijn redenering. Artikel 56 Advocatenwet bepaalt dat hoger beroep kan worden ingesteld binnen 30 dagen na de verzending van de uitspraak van de raad met een met redenen omklede memorie. Het is inderdaad niet mogelijk om bij het hof in een verweerschrift - na afloop van de beroepstermijn van 30 dagen - alsnog zelfstandig beroepsgronden tegen de beslissing van de raad te formuleren (incidenteel appel). Verweerder heeft zijn hoger beroep echter binnen de door artikel 56 Advocatenwet genoemde termijn ingediend, met weergave van de gronden van zijn beroep. Daarmee is verweerder ontvankelijk in het hoger beroep. Ook het verweerschrift in het door klager ingediende hoger beroep is volgens de regels ingediend. Dat verweerder in de ingediende stukken spreekt over partijen “in principaal appel” en “in incidenteel appel” doet daaraan niet af.
Maatstaf 8.3 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
8.4 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Het door klager ingestelde beroep 8.5 Behalve nieuwe verwijten aan verweerder, die zoals hiervoor (onder 6) overwogen door het hof niet in behandeling kunnen worden genomen, heeft klager geen argumenten aangedragen die voor het hof aanleiding zijn om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt de beroepsgronden van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen, voor zover de klachten van klager ongegrond zijn verklaard.
Het door verweerder ingestelde beroep 8.6 Het door de raad gegrond verklaarde gedeelte van klachtonderdeel c) luidt dat verweerder het volledige budget van € 50.000,- van de rechtsbijstandsverzekeraar heeft opgemaakt en overschreden voor een simpele zaak. De raad heeft - terecht - overwogen dat het geen simpele zaak betrof en dat er omvangrijke processtukken door beide partijen zijn gewisseld. De raad heeft gegrond verklaard dat verweerder, zonder klager te informeren over de overschrijding van het budget, het meerdere bij klager in rekening heeft gebracht. Dit was echter niet de klacht. De raad is naar het oordeel van het hof dan ook buiten de grondslag van de klacht getreden. De beslissing van de raad dient daarom te worden vernietigd. Het hof zal klachtonderdeel c) alsnog ongegrond verklaren.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
9.1 vernietigt de beslissing van 19 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-909/DB/LI, voor zover daarin klachtonderdeel c) gegrond is verklaard, de maatregel van een berisping is opgelegd en verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten;
en doet opnieuw recht:
9.2 verklaart klachtonderdeel c) ongegrond;
9.3 bekrachtigt de beslissing van 19 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-909/DB/LI, voor het overige.
Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. K. van Dijk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 april 2026.
