Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:71
Zaaknummer
26-095/A/A
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening in een strafzaak. Niet gebleken is dat verweerder onvoldoende moeite of tijd in de zaak van klager heeft willen steken of anderszins tekortgeschoten is in zijn dienstverlening aan klager. De klacht is kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 23 maart 2026 in de zaak 26-095/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 4 februari 2026 met kenmerk 2510730/EvR/AP, door de raad ontvangen op 4 februari 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Verweerder was advocaat in het arrondissement Den Haag en heeft zich per 2 april 2025 ingeschreven als advocaat in het arrondissement Amsterdam. 1.2 Klager werd verdacht van het plegen van huiselijk geweld en bedreiging. Klager heeft de verdenkingen ontkend. Toen verweerder nog in Den Haag werkzaam was heeft hij klager als advocaat in deze strafzaak bijgestaan. Hij was met klager op 13 november 2024 aanwezig op de zitting bij de politierechter in Den Haag. Verweerder heeft tijdens die zitting een pleitnota voorgedragen. Hij heeft verweer gevoerd tegen de verdenking van mishandeling en bedreiging en bepleit dat klager van beide feiten moest worden vrijgesproken. Verder is verweerder ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van klager. 1.3 De politierechter heeft ter zitting uitspraak gedaan en aan klager een taakstraf opgelegd. 1.4 Op 20 november 2024 heeft klager aan verweerder een spraakbericht gestuurd, waarin klager zegt: “Ik had een vraagje [voornaam verweerder]. Bij wie moest ik ook alweer die behandeling doen? Bij (…) toch? En eh de taakstraf moet ik bij iemand anders doen of via u doen of via de reclassering? Laat me alsjeblieft weten. Dank je wel man. Fijne dag nog. Werkze.” 1.5 Op 29 november 2024 heeft verweerder klager een factuur gestuurd voor de eigen bijdrage ter hoogte van € 165,-. Bij zijn factuur heeft verweerder een urenspecificatie gevoegd. 1.6 Op 26 mei 2025 (om 11:36 uur) heeft het voormalig kantoor van verweerder in Den Haag (hierna: het kantoor) aan klager laten weten dat hij de eigen bijdrage in de zaak die verweerder had behandeld nog niet had voldaan. 1.7 Klager heeft diezelfde dag om 11:52 uur geantwoord: “ik heb dat inderdaad nog niet betaald. Ik ben in behandeling voor verschillende verslavingen, heb duizenden aan schulden en krijg binnenkort bewindvoering. U kunt t met hun bespreken of wat u ook wil met die dreigmail wil bereiken” 1.8 Klager heeft op 21 juli 2025 een klacht ingediend bij het kantoor. De klachtfunctionaris van het kantoor heeft klager bij e-mail van 28 juli 2025 meegedeeld dat hij geen klachtwaardig handelen heeft kunnen vaststellen. Klager is gewezen op de mogelijkheid om een klacht bij de deken in te dienen. 1.9 Op 2 augustus heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: a) verweerder heeft de zaak van klager met onvoldoende deskundigheid behandeld. Tijdens het uitspreken van het vonnis van de politierechter heeft verweerder niet naar voren gebracht dat er geen bewijs was voor huiselijk geweld; b) verweerder is niet in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de politierechter van 13 november 2024.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING 4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klachtonderdeel a) 4.2 Klager stelt dat verweerder namens hem onvoldoende verweer heeft gevoerd. Hij had aandacht moeten vragen voor de omstandigheid dat er onvoldoende bewijs was voor de verdenkingen. Als professioneel rechtsbijstandsverlener had verweerder naar voren moeten brengen dat tussen de zogenaamde mishandeling en het moment dat de politie kwam, een aantal uren zat en dat de aangeefster toen de blauwe plekken zelf zou kunnen hebben aangebracht. Ook op het moment dat de politierechter haar oordeel gaf en te kennen gaf dat zij niet geloofde dat de blauwe plekken door een duwtje waren ontstaan, heeft verweerder niets gezegd. Klager kreeg de indruk dat verweerder niet te veel moeite en tijd in zijn zaak wilde steken. 4.3 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzitter voldoende onderbouwd toegelicht dat hij de standpunten van klager, zowel tijdens het pleidooi als bij dupliek, uitvoerig naar voren heeft gebracht en heeft toegelicht. Hoewel de politierechter de verweren van klager heeft meegenomen in de beoordeling van de zaak, is zij helaas tot een ander oordeel gekomen dan door verweerder was bepleit. Verweerder heeft verwezen naar zijn pleitnota (zie randnummer 1.2) waarin de verweren zijn opgenomen. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in een mogelijkheid om als advocaat tijdens of na het uitspreken van het oordeel nog het woord te voeren. Daarom heeft verweerder dat ook niet gedaan. 4.4 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder onvoldoende moeite of tijd in de zaak van klager heeft willen steken of anderszins tekortgeschoten is in zijn dienstverlening aan klager. Uit de door verweerder overgelegde urenspecificatie blijkt bijvoorbeeld dat verweerder 5,35 uur aan de zaak van klager heeft besteed, waaronder 2,5 uur aan het schrijven van zijn pleitnota voor de politierechterzitting. Dat de uitkomst van de zaak nadelig was voor klager, kan verweerder niet tuchtrechtelijk verweten worden. 4.5 Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) 4.6 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Uit de spraakopname blijkt volgens klager niet dat hij de taakstraf accepteerde; hij vroeg daarin slechts waar of bij wie hij de taakstraf moest uitvoeren. Verweerder had klager moeten wijzen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan. Verweerder was op de hoogte van de verslavingsziekte van klager en dat hij hierdoor niet in staat was om helder na te denken. 4.7 Ook voor dit klachtonderdeel biedt het klachtdossier onvoldoende feitelijke grondslag. Verweerder heeft toegelicht dat hij na het bestuderen van het dossier klager al duidelijk had gemaakt dat de kansen op een vrijspraak laag waren. Desondanks heeft verweerder in overleg en samenspraak met klager, in zijn pleidooi ingezet op vrijspraak en dit een en ander uitvoerig met klager voorbereid. De politierechter achtte echter voor de verdenking voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig en de alternatieve scenario’s die door de verdediging naar voren waren gebracht onvoldoende overtuigend. Verweerder heeft verder aangevoerd dat hij direct na afloop van de zitting met klager het vonnis heeft besproken en daarbij heeft aangegeven dat het vonnis conform verwachting was. Verweerder heeft klager direct na de zitting geïnformeerd over de mogelijkheid binnen veertien dagen hoger beroep in te stellen. Klager heeft volgens verweerder op geen enkel moment duidelijk gemaakt dat hij wilde dat hoger beroep werd ingesteld. Integendeel. Klager wilde volgens verweerder juist de opgelegde taakstraf accepteren en uitvoeren en dit wordt ook bevestigd in het spraakbericht van klager van 20 november 2024, waarin hij vraagt hoe en waar hij de taakstraf kan gaan uitvoeren (zie randnummer 1.4). 4.8 Op basis van hetgeen klager naar voren heeft gebracht stelt de voorzitter vast dat de gang van zaken anders is geweest dan verweerder heeft beschreven. Het feit dat klager in zijn spraakbericht niet expliciet zegt dat hij de taakstraf accepteerde, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Klachtonderdeel b) is gelet hierop eveneens kennelijk ongegrond.
BESLISSING De voorzitter verklaart: - de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
