Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

30-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:82

Zaaknummer

25-718/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Raadbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Gedragsregel 27 is geschonden. De aan de rechter overgelegde correspondentie bevat schikkingsonderhandelingen over bijkomende zaken die niet rechtstreeks zien op het conflict waarover de aan de rechter voorgelegde zaak gaat, maar die wel de perceptie van de rechter kunnen beïnvloeden. Indien verweerder niet wilde volstaan met citeren uit de correspondentie, had hij ofwel de betreffende passages moeten weglakken ofwel de advocaat van de wederpartij om toestemming moeten vragen. Klacht gegrond. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 30 maart 2026 in de zaak 25-718/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

 

1    INLEIDING

1.1    Klager verwijt verweerder dat hij e-mails over gevoerde schikkingsonderhandelingen met de rechtbank heeft gedeeld zonder toestemming van klager. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde e-mailcorrespondentie geen schikkingsonderhandelingen bevat.

1.2    De raad zal eerst het verloop van de procedure, de feiten waarop deze beslissing is gebaseerd, en de klacht op een rij zetten. Daarna zal de raad een oordeel geven over de klacht.

 

2    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

2.1    Op 6 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

2.2    Op 20 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/19 van de deken ontvangen. 

2.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Daarbij waren klager, de advocaat van klager in de procedure bij de voorzieningenrechter en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

2.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

 

3    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

3.1    Klager en de heer V. zijn enig bestuurder van hun respectievelijke holdings S. Holding B.V. (hierna: S. Holding) en V. Holding B.V. (hierna: V. Holding). Beide holdings hebben in 2020 de besloten vennootschap S. B.V. opgericht. De holdings waren gezamenlijk aandeelhouders en bestuurders van deze vennootschap.

3.2    De verstandhouding tussen partijen is verstoord geraakt en de aandelen zijn door V. Holding overgedragen aan S. Holding, die ook enig statutair bestuurder van S. B.V werd.

3.3    Door klager en zijn vennootschap S. Holding is een civiele procedure gestart tegen de heer V. en zijn vennootschap V. Holding. In deze procedure werden de heer V. en V. Holding bijgestaan door verweerder.

3.4    Klager heeft beslag laten leggen op een aantal privé- en zakelijke bankrekeningen van de heer V., het woonhuis van de heer V. in privé en een pand waarvan de heer V. in privé mede-eigenaar was samen met klager in privé.

3.5    Op 30 oktober 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen een vonnis gewezen waarbij de heer V. is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan klager. 

3.6    Bij e-mail van 4 november 2024 heeft verweerder aan de advocaat van klager laten weten zo spoedig mogelijk te willen betalen en dat aan het vonnis kon worden voldaan door betaling vanuit de door klager beslagen bankrekeningen van de heer V.

3.7    Bij e-mail van 20 december 2024 heeft de advocaat van klager voorgesteld dat de heer V. het uit hoofde van het vonnis te betalen bedrag deels zou voldoen doordat de heer V. in privé zijn aandeel in het gezamenlijke pand zou overdragen aan klager, waarbij de aan de heer V. toekomende helft van de overwaarde van het pand aangewend zou worden voor voldoening van de schuld aan klager. Hij heeft daarbij een koopprijs genoemd die is gebaseerd op een taxatie die hij al had laten uitvoeren. 

3.8    In zijn e-mail van 7 januari 2025 heeft verweerder laten weten dat zijn cliënt niet akkoord gaat met de door de wederpartij gestelde voorwaarden aan betaling via een verdeling van de gezamenlijke woning. 

3.9    Bij e-mail van 20 januari 2025 heeft de advocaat van klager de heer V. gesommeerd om tot betaling over te gaan van hetgeen waartoe hij op grond van het vonnis verplicht is. Bij het uitblijven van die betaling zou worden overgegaan tot executie van het vonnis en zou de verdeling van het gezamenlijk onroerend goed worden gevorderd.

3.10    Partijen hebben bij e-mails van 24 en 27 januari 2025 hun standpunten herhaald.

3.11    Bij e-mail van 29 januari 2025 heeft verweerder klager gesommeerd om te verklaren niet tot executie over te gaan, maar mee te werken aan de wijze van betaling zoals eerder door de heer V. was voorgesteld. Bij uitblijven van een dergelijke verklaring zou verweerder in kort geding een verbod op het nemen van executoriale maatregelen vorderen. De advocaat van klager heeft hier niet op gereageerd. Hij heeft de deurwaarder het vonnis aan de heer V. laten betekenen.

3.12    Verweerder heeft in zijn e-mail van 31 januari 2025 zijn sommatie herhaald. Hij heeft verzocht te bevestigen dat de wederpartij in ieder geval zou wachten met executie van het vonnis van de rechtbank totdat de voorzieningenrechter in het aan te spannen kort geding uitspraak heeft gedaan. De advocaat van klager heeft niet op deze e-mail gereageerd. 

3.13    Verweerder heeft op 6 februari 2025 namens zijn cliënten een dagvaarding in kort geding uit laten brengen tegen klager en zijn vennootschap. Verweerder heeft de hierboven vermelde e-mailcorrespondentie toegevoegd als producties bij de dagvaarding.

3.14    De voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant heeft na een spoedzitting op 6 februari 2025 bij wijze van ordemaatregel klager verboden de executie uit te voeren totdat op de zaak in kort geding is beslist.

 

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in strijd te handelen met gedragsregel 27.

Toelichting

Verweerder heeft de e-mailcorrespondentie over de gevoerde schikkingsonderhandelingen over de uitvoering van het vonnis met de rechtbank gedeeld. Verweerder had daarvoor geen toestemming van klager of de advocaat van klager. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de advocaten van partijen aan het onderhandelen waren over de oplossing van meerdere geschillen: de afwikkeling/executie van het vonnis van 30 oktober 2024, de afwikkeling van een managementovereenkomst, de verkoop van bepaalde aandelen en de afwikkeling/verdeling van het gezamenlijke pand. De voorzieningenrechter die had te beslissen over het kort geding heeft deze onderhandelingen volledig kunnen meelezen, wat ertoe heeft geleid dat de voorzieningenrechter zonder toepassing van hoor en wederhoor en zonder belangenafweging een ordemaatregel heeft opgelegd. 

 

5    VERWEER 

5.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

 

6    BEOORDELING  

Maatstaf 

6.1    Deze zaak betreft een klacht over verweerder als advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 

6.2    Bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke normen, daarbij wel van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Beoordeling van de klacht

6.3    Klager verwijt verweerder dat hij in een procedure bij de voorzieningenrechter de schriftelijke correspondentie tussen de advocaten zonder toestemming van de advocaat van klager als producties bij de dagvaarding heeft gevoegd, terwijl deze schikkingsonderhandelingen bevat.

6.4    De raad stelt voorop dat advocaten over de inhoud van tussen hen gevoerde schikkingsonderhandelingen niets aan de rechter aan wiens oordeel de zaak is onderworpen mogen meedelen zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij. Dit verbod is neergelegd in gedragsregel 27. De achtergrond hiervan is dat advocaten onderling vrijuit moeten kunnen spreken om een oplossing voor het geschil tussen hun cliënten te kunnen beproeven.

6.5    Vaststaat dat verweerder de gehele e-mailcorrespondentie tussen hem en de advocaat van de wederpartij als producties aan de voorzieningenrechter heeft overgelegd. Verweerder heeft in zijn verweer betoogd dat in deze e-mails geen schikkingsonderhandelingen voorkomen. De raad deelt dit standpunt niet. Afgezien van de eerste e-mail van verweerder van 4 november 2024, gaan de e-mails over meer dan alleen de wijze van executie van het vonnis van de rechtbank. Ze bevatten ook passages over bijkomende zaken waarover nog overeenstemming tussen partijen moest worden bereikt, zoals hoe en voor welke prijs het gezamenlijke pand zou worden verdeeld, de tussen partijen gesloten managementovereenkomst en de verkoop van aandelen. Naar het oordeel van de raad hadden deze passages het karakter van schikkingsonderhandelingen, waarop gedragsregel 27 van toepassing is. Voorbeelden hiervan zijn de laatste twee alinea’s van de e-mail van verweerder van 7 januari 2025 - waarin hij een tegenvoorstel doet voor verdeling van het gezamenlijke pand en opmerkt dat de wederpartij in het geheel niet heeft gereageerd op een eerder door hem gedaan totaalvoorstel voor afwikkeling van de zaken tussen partijen - en de reactie daarop in de e-mail van 20 januari 2025 waarin de advocaat van klager dit eerdere totaalvoorstel alsnog afwijst omdat het niet redelijk en niet reëel is en tevens het tegenvoorstel inzake het pand afwijst. Dergelijke bijkomende zaken zien niet rechtstreeks op het conflict waarover de aan de voorzieningenrechter voorgelegde zaak gaat, maar kunnen wel de perceptie van de rechter beïnvloeden. Indien verweerder niet wilde volstaan met citeren uit de e-mailcorrespondentie, had hij ofwel de betreffende passages moeten weglakken ofwel de advocaat van de wederpartij om toestemming moeten vragen. Aangezien verweerder de gehele e-mailcorrespondentie als productie aan de rechter heeft overgelegd zonder toestemming te vragen van de advocaat van de wederpartij met betrekking tot de daarin vermelde schikkingsonderhandelingen over bijkomende zaken, heeft hij in strijd met gedragsregel 27 gehandeld. De raad acht dit tuchtrechtelijk verwijtbaar. De klacht zal dan ook gegrond worden verklaard.

 

7    MAATREGEL 

7.1    De klacht is gegrond. In dit geval is de maatregel van waarschuwing naar het oordeel van de raad passend en geboden, waarbij de raad er rekening mee heeft gehouden dat verweerder geen tuchtrechtelijk verleden heeft.

 

8    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

8.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

8.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager, b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c)    € 500,- kosten van de Staat.

8.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

8.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 8.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.4.

 

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. P.Th. Mantel en E.M.G. Pouls, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.

 

Griffier    Voorzitter

 

Verzonden op : 30 maart 2026