Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

30-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:64

Zaaknummer

26-113/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing over de advocaat van de wederpartij van klager in een familierechtelijk geschil. Klacht is deels niet-ontvankelijk wegens te laat klagen, deels kennelijk niet-ontvankelijk omdat klager daarbij geen belang heeft, voor het overige kennelijk ongegrond. Naar het oordeel van de voorzitter is niet vast te stellen dat verweerder nodeloos en niet doelmatig heeft geprocedeerd. Verweerder mocht afgaan op de door zijn cliënte verstrekte informatie zonder nader onderzoek. Geen (wets)regel verplichtte verweerder om aan de gemachtigde van klager de contactgegevens van zijn cliënte te verstrekken.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam van 30 maart 2026 in de zaak 26-113/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh, advocaat te Voorburg

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 11 februari 2026 met kenmerk 2496949/EvR/J/KV, door de raad op dezelfde datum ontvangen, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager en zijn (ex-)echtgenote zijn op 15 januari 2016 in Iran getrouwd. In de Iraanse huwelijksakte is een bruidsgave van onder andere 514 gouden munten van klager aan de (ex-)echtgenote overeengekomen. Ook heeft de (ex-)echtgenote zich daarin verplicht om van klager te scheiden als een van de echtscheidingsgronden zoals opgenomen in de huwelijksakte zich voordoet met een plicht tot compensatie. 1.2    Op 23 mei 2019 heeft klager een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Verweerder heeft daartegen op 10 juni 2019 namens de (ex-)echtgenote verweer gevoerd en bij wijze van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht  de echtscheiding uit te spreken, alsmede klager te veroordelen tot betaling van €  146.490,- ter zake van een bruidsgave en tot de afgifte van de helft van zijn vermogen aan zijn (ex-)echtgenote.  Tijdens de mondelinge behandeling op 3 juli 2020 zijn alle verzoeken door beide partijen ingetrokken en is de procedure beëindigd.  1.3    Op 16 juni 2019 heeft de familierechtbank in Iran klager - bij verstek - veroordeeld tot betaling van de bruidsgave van 514 volledige Bahar Azadi gouden munten aan zijn (ex-) echtgenote. 1.4    Op 21 juli 2020 heeft verweerder klager namens zijn cliënte gedagvaard bij de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, en - kort gezegd - betaling van de bruidsgave door klager gevorderd. Deze zaak is met een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 maart 2022 in een bevoegdheidsincident terugverwezen naar de rechtbank. Op 26 september 2022 heeft verweerder klager namens zijn cliënte gedagvaard, om opnieuw te verschijnen in deze procedure (rolnummer: HA ZA 22-810). 1.5    Op 1 mei 2021 heeft verweerder namens zijn cliënte bij de rechtbank verlof gevraagd om het Iraanse vonnis van 16 juni 2019 ten uitvoer te leggen. Bij beschikking van 10 augustus 2021 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.  1.6    Op 31 mei 2022 heeft verweerder namens zijn cliënte (opnieuw) een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.  1.7    Op 4 oktober 2022 heeft verweerder klager namens zijn cliënte gedagvaard en gevorderd dat klager zijn medewerking verleent aan een religieuze echtscheiding (rolnummer: HA ZA 22-816). 1.8    Op 7 oktober 2022 heeft verweerder klager namens zijn cliënte gedagvaard en gevorderd te bepalen dat gezag wordt toegekend aan het Iraanse vonnis van 16 juni 2019 (rolnummer: HA ZA 22-832). 1.9    Op 9 maart 2023 heeft de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, de mondelinge behandeling in de procedure HA ZA 22-810 gevoegd met de mondelinge behandeling in de procedures HA ZA 22-816 en 22-832. 1.10    Op 6 september 2023 heeft de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, in de drie dagvaardingsprocedures vonnis gewezen. In HA ZA 22-816 heeft de rechtbank bepaald dat klager moet meewerken aan de religieuze scheiding en stappen moet ondernemen om de Nederlandse echtscheiding via de Iraanse ambassade in Den Haag in Iran te registreren. De rechtbank heeft de vordering in HA ZA 22-832 afgewezen. In HA ZA 22-810 heeft de rechtbank de vordering  tot betaling van de bruidsgave door klager aan de cliënte van verweerder afgewezen en daarover onder meer overwogen: 4.10 Het recht op compensatie staat of valt naar Iraans recht met de vrijheid van de man om medewerking aan de echtscheiding te weigeren. In het vonnis van vandaag in de zaak met rolnummer HA ZA 22-816 bepaalt de rechtbank dat de man moet meewerken aan een religieuze echtscheiding. De man heeft dus niet de vrijheid om zijn medewerking te weigeren. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de man geen aanspraak kan maken op compensatie. Het recht op compensatie moet immers worden beoordeeld naar Iraans recht. Daarom moet bij die beoordeling de tussenkomst van de Nederlandse rechter bij de religieuze scheiding worden "weggedacht" en het beginsel van Iraans recht tot uitgangspunt worden genomen dat de man voor zijn medewerking aan de echtscheiding aanspraak kan maken op een vorm van compensatie (met inachtneming van de grenzen die de openbare orde daaraan stelt).  4. 11 Zoals hiervoor is overwogen, kan de man naar Iraans recht voor zijn medewerking aan de religieuze echtscheiding verlangen dat de vrouw afziet van de bruidsgave en levert dit geen strijd met de openbare orde op. De vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave moet daarom worden afgewezen. 1.11    Verweerder heeft namens zijn cliënte op 19 oktober 2023 tegen de vonnissen van 6 september 2023 in de procedures HA ZA 22-810 en 22-832  hoger beroep ingesteld.  1.12    Op 19 september 2023 heeft de rechtbank tussen klager en zijn (ex-)echtgenote de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 22 januari 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van Den Haag. 1.13    Bij arrest van 27 augustus 2024 heeft het gerechtshof Den Haag de in 1.11 genoemde vonnissen waartegen door verweerder namens zijn cliënte beroep was ingesteld, bekrachtigd, met compensatie van de proceskosten.  1.14    Verweerder is op enig moment daarna met zijn werkzaamheden voor zijn cliënte gestopt. 1.15    In een e-mail van 20 februari 2025: - om 15:10 uur: heeft de gemachtigde van klager in deze procedure verweerder bericht dat zij de opvolgend advocaat van klager is. Verder heeft zij daarin geschreven:  Cliënt wil nu meewerken aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding in de vorm van een khul’a en registratie van de Nederlandse scheiding in Iran via de Iraanse ambassade. Daarvoor moet een afspraak gemaakt worden met de in het vonnis van 6 september 2023 genoemde geestelijke (…). Graag ontvang ik zo spoedig mogelijk van u opgave van de verhinderdata van uw cliënte; - om 16:11 uur: heeft verweerder aan de opvolgend advocaat geantwoord dat zij zich daarvoor rechtstreeks tot zijn cliënte kan wenden; - om 16:21 uur: heeft de opvolgend advocaat verweerder verzocht om toezending van het (e-mail) adres van zijn cliënte. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.  1.16    Bij vonnis van 14 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam de ex-echtgenote van klager veroordeeld om mee te werken aan het tot stand komen van de religieuze scheiding en dat zij klager compenseert door afstand te doen van haar bruidsgave van 514 volledige gouden Bahar Azadi munten. De ex-echtgenote is niet verschenen.  1.17    Op 9 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij:   a)    vanaf 2019 namens zijn cliënte een veelheid aan onnodige procedures tegen klager heeft geëntameerd, waarbij niet doelmatig is geprocedeerd en hoge vorderingen tegen klager zijn ingesteld terwijl hij onvermogend is; b)    in die procedures de rechter heeft misleid door onjuiste en tegenstrijdige informatie aan de rechter te verstrekken en relevante informatie voor de rechter achter te houden; c)    klager heeft beschuldigd van onder andere mishandeling, huiselijk geweld, verslaving en onvruchtbaarheid, zonder deze beschuldigingen te onderbouwen; d)    niet heeft gereageerd op de e-mail van 20 februari 2025 van de advocaat/ gemachtigde van klager, waarin zij heeft verzocht om toezending van de contactgegevens van de cliënte van verweerder;  e)    zich onnodig grievend heeft uitgelaten over de gemachtigde van klager.

3    VERWEER Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingsmaatstaf 4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 4.2    Daarbij geldt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. 4.3    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen. 4.4    De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 4.5    De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen. Klachtonderdeel a) 4.6    Verweerder stelt zich op het standpunt dat klager (deels) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit klachtonderdeel omdat klager buiten de wettelijke driejaarstermijn heeft geklaagd.  4.7    De voorzitter stelt vast dat klager op 9 juni 2025 bij de deken heeft geklaagd over verweerder. Klager wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel a) voor zover dat ziet op het handelen van verweerder vóór 9 juni 2022. Naar aanleiding van het aan verweerder verweten handelen vanaf 9 juni 2022 overweegt de voorzitter als volgt.  4.8    Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat verweerder namens zijn cliënte een veelheid aan procedures tegen klager heeft gevoerd in jaren. Dat deze procedures nodeloos en niet doelmatig waren heeft klager, tegenover de betwisting door verweerder, niet concreet onderbouwd zodat de voorzitter dit niet kan vaststellen. Dat is ook uit de stukken niet gebleken, terwijl daaruit wel volgt dat de rechtbank op 6 september 2023 een deel van de vorderingen van de cliënte van verweerder wèl heeft toegewezen.  4.9    Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder met zijn handelwijze de belangen van klager niet onnodig of onevenredig zonder doel heeft geschaad en dat hij daarmee de grenzen van de hem toekomende vrijheid van handelen niet heeft overschreden. Klachtonderdeel a) wordt deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Klachtonderdelen b) en c) 4.10    De voorzitter stelt vast dat klager op 9 juni 2025 bij de deken heeft geklaagd over verweerder. Klager wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen b) en c) voor zover die verwijten zien op het handelen van verweerder vóór 9 juni 2022. Naar aanleiding van het in deze onderdelen aan verweerder verweten handelen vanaf 9 juni 2022 overweegt de voorzitter als volgt.  4.11    Verweerder betwist dat sprake is geweest van misleiding, het verstrekken van onjuiste en tegenstrijdige informatie aan de rechter en/of het achterhouden van relevante informatie. Dat de vermeende mishandeling van zijn cliënte door klager volgens de rechtbank onvoldoende is onderbouwd, betekent volgens hem niet dat er geen mishandeling kan hebben plaatsgevonden. Voor het leveren van bewijs van die en andere beschuldigingen was verweerder afhankelijk van zijn cliënte. Verweerder beschikte over voldoende stukken en signalen om te vermoeden dat de door zijn cliënte gestelde mishandeling heeft plaatsgevonden. Alleen klager kon het tegendeel daarvan bewijzen, maar heeft dat nagelaten.  In verband met de echtscheidingsgrond naar Iraans recht en het recht op een bruidsgave moest hij die standpunten in het belang van zijn cliënte ook naar voren brengen in de procedures.  4.12    Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder afgaan op de van zijn cliënte verkregen informatie zonder nader onderzoek. Voor zover de door verweerder in de procedure namens zijn cliënte ingenomen standpunten al onjuist waren, lag het op de weg van de advocaat van klager om daartegen verweer te voeren. De voorzitter is uit de stukken niet gebleken dat verweerder in de procedures bewust onjuiste informatie heeft verschaft en de rechter heeft misleid of zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten. Het enkele feit dat klager de door verweerder namens zijn cliënte ingenomen standpunten en feitelijke onderbouwing daarvan als grievend heeft ervaren, maakt nog niet dat verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt.   4.13    Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder met zijn handelwijze de belangen van klager niet onnodig of onevenredig zonder doel heeft geschaad en dat hij daarmee de grenzen van de hem toekomende vrijheid van handelen niet heeft overschreden. Klachtonderdelen b) en c) worden deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.  Klachtonderdeel d) 4.14    Naar het oordeel van de voorzitter bestaat er geen (wets)regel die verweerder verplicht om aan de gemachtigde van klager de contactgegevens van zijn cliënte te verstrekken. Alhoewel het zorgvuldiger was geweest als verweerder aan de gemachtigde van klager had bericht dat hij die gegevens niet kon verstrekken vanwege de angst van zijn cliënte voor klager en vanwege haar geheime verblijfplaats of omdat hij haar niet meer bij stond, dan nog is het uitblijven van een reactie niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klager en zijn gemachtigde waren immers bekend met deze situatie van een geheim adres van de ex-echtgenote. 4.15    Nu verweerder in deze niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, wordt klachtonderdeel d) kennelijk ongegrond verklaard. Klachtonderdeel e) 4.16    Verweerder betwist dat hij zich onnodig grievend over de advocaat van klager heeft uitgelaten.  4.17    Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager geen eigen rechtstreeks belang bij dit verwijt, omdat hij door de vermeende grievende uitlatingen over zijn advocaat niet rechtstreeks in zijn belang is geraakt. De advocaat zelf kan daarover klagen. Klager wordt dan ook kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel e). 

BESLISSING De voorzitter verklaart:  -    klager in klachtonderdeel a) deels niet-ontvankelijk, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, en deels kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet; -    klager in klachtonderdelen b) en c) deels niet-ontvankelijk, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, en deels kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet;  -    klachtonderdeel d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond; -    klager in klachtonderdeel e), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.       M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 30 maart 2026