Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:97
Zaaknummer
250191
Inhoudsindicatie
Klager heeft een klacht ingediend tegen zijn eigen advocaat in een familiekwestie over de kwaliteit van de geleverde bijstand. De raad van discipline heeft deze klacht ongegrond verklaard en nieuwe klachten buiten beschouwing gelaten. Het Hof van Discipline bekrachtigt de beslissing.
Uitspraak
Beslissing van 3 april 2026 in de zaak 250191
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
gemachtigde: mr. J. den Hoed, advocaat te Haarlem
tegen:
verweerster
gemachtigde: mr. H. Sytema, advocaat te Den Haag
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen zijn eigen advocaat in een familiekwestie over de kwaliteit van de geleverde bijstand. De raad van discipline (hierna: de raad) heeft deze klacht ongegrond verklaard en nieuwe klachten buiten beschouwing gelaten. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad in het ressort Amsterdam heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-917/A/A) een beslissing genomen op 19 mei 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:93 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 23 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerster; - de brief met bijlagen van de gemachtigde van klager van 29 januari 2026; - het e-mailbericht van de gemachtigde van klager van 2 februari 2026 (08:42 u), houdende een verzoek deze stukken buiten beschouwing te laten; - het e-mailbericht van de gemachtigde van verweerster van 2 februari 2026 (13:16 u); - het e-mailbericht van de gemachtigde van klager van 2 februari 2026 (14:42 u); - het e-mailbericht van de griffie van 3 februari 2026 met de mededeling dat de e-mail van 29 januari 2026 met bijlagen wordt toegelaten. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 9 februari 2026. Daar zijn partijen verschenen bijgestaan door hun gemachtigden. De gemachtigden van partijen hebben het standpunt van hun cliënt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Klager is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest.
3.2 Bij beschikking van 6 april 2023 is de huwelijksgoederengemeenschap door de rechtbank verdeeld.
3.3 Op 5 juli 2023 heeft verweerster namens klager beroep ingesteld tegen de beschikking. In het beroepschrift is onder meer het volgende gesteld:
- de rechtbank heeft de YouTube-inkomsten van de vrouw ten onrechte buiten de verdeling gehouden, terwijl ze moeten worden gerekend tot het overgespaarde inkomen; - klager en de vrouw zijn op grond van artikelen 1:83 BW en 21 Rv verplicht om elkaar juist en volledig te informeren over de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap; - een rekening van de vrouw bij de Deutsche Bank is ten onrechte buiten de verdeling gebleven. Klager kwam deze rekening op het spoor, maar de vrouw heeft er geen inzicht in willen geven. Tijdens de zitting bij de rechtbank is de rekening niet genoemd door de vrouw, klager wist toen nog niet van het bestaan ervan; - klager vermoedt dat het overgespaarde inkomen uit de YouTube-activiteiten is bijgeschreven op de Duitse bankrekening; - de onderneming van de vrouw heeft een waarde en deze moet betrokken worden in de verdeling; - de rechtbank heeft het verzoek van klager tot verdeling van de woonlasten ten onrechte afgewezen. Ook daarbij is geen rekening gehouden met de inkomsten van de vrouw uit de YouTube-onderneming; - in beroep is ook verzocht de vrouw te gelasten om de nog niet in de verdeling gebrachte bankrekeningen alsnog in te brengen en om daarvan afschriften over te leggen.
3.4 De vrouw heeft incidenteel beroep ingesteld.
3.5 Op 16 januari 2024 heeft verweerster een verweerschrift in het incidentele beroep ingediend. In dit verweerschrift is onder meer aangevoerd dat de vrouw een bedrag van ten minste € 466.744,13 “achterhoudt en niet inbrengt in de gemeenschap”. In het verweer is er nog eens op gewezen dat de vrouw volgens klager een eigen inkomen had uit zowel loondienst als onderneming en niet bijdroeg aan de kosten van de huishouding.
3.6 Op 19 februari 2024 heeft een viergesprek plaatsgevonden tussen klager en de vrouw en hun advocaten.
3.7 Op 10 maart 2024 heeft verweerster aan klager geschreven dat zij een pleitnota zou opstellen met per onderwerp een korte aanvulling op de stukken. Verweerster heeft er in haar bericht op gewezen dat alles al in de stukken staat en dat meer daarom niet nodig is. Een pleitnota zou slechts dienen ter toelichting of om informatie paraat te hebben.
3.8 Naar aanleiding van het viergesprek heeft verweerster op 25 maart 2024 aanvullende stukken met een toelichting daarop ingediend bij het gerechtshof. In het stuk is gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stellingen van de vrouw en wordt geconcludeerd dat zij “stellingen (ter waarde van € 257.422,00) deponeert zonder deze deugdelijk te onderbouwen danwel te bewijzen”. In het stuk is verder aandacht gevraagd voor de waarde van en het inkomen uit de YouTube-onderneming van de vrouw.
3.9 Op 1 april 2024 heeft verweerster gemotiveerd geantwoord op vragen van het gerechtshof over de verdelingszaak.
3.10 Op 5 april 2024 heeft het gerechtshof de kwestie mondeling behandeld. Klager en verweerster waren daarbij aanwezig. In het proces-verbaal van de behandeling van de zaak is onder meer het volgende vermeld:
- het gerechtshof heeft onderkend dat het in beroep (ook) gaat over de inkomsten uit YouTube-activiteiten. Volgens het gerechtshof staat niet ter discussie dat die inkomsten verdeeld moeten worden. Wel staat ter discussie of sprake is van een onderneming en ook of een deel van de inkomsten verduisterd is; - na de schorsing heeft verweerster onder de aandacht van het gerechtshof gebracht dat het klager niet zo zeer gaat om de waarde van de onderneming, maar om de inkomsten van de onderneming. Ze heeft verder onder de aandacht gebracht dat het klager rust zou geven als daarover duidelijkheid komt, omdat van een deel van de inkomsten niet duidelijk is waar het is gebleven; - over de vraag of de YouTube-activiteiten een onderneming zijn heeft een van de raadsheren gezegd dat de stelling van klager dat het gaat om een onderneming een “zwakke schakel” is. Het is voor het gerechtshof niet zo duidelijk of sprake is van goodwill en hoe het gewaardeerd moet worden; - over de verduisterde inkomsten op een Duitse rekening heeft het gerechtshof op de zitting gezegd dat niet kan worden vastgesteld dat die rekening er is. Als de rekening toch blijkt te bestaan en door de vrouw buiten de verdeling is gehouden, dan heeft de vrouw het saldo verbeurd volgens het gerechtshof. Klager heeft vervolgens op de zitting laten weten dat hij op dit punt begrijpt wat het gerechtshof heeft gezegd.
3.11 Nadat de zaak was besproken, hebben partijen een schikking is getroffen. De schikking is vastgelegd in een apart, kort schikkingsproces-verbaal.
3.12 Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van de vrouw. Deze is in juni 2024 mondeling behandeld. Naar aanleiding van die zitting heeft klager verweerster op 27 juni 2024 gevraagd waarom artikel 21 Rv niet was aangevoerd, terwijl hij daarom had gevraagd “aangezien onomstotelijk was bewezen dat niet de waarheid was gesproken door de vrouw”.
3.13 Verweerster heeft dezelfde dag onder meer als volgt geantwoord:
(…) Als advocaat ben je verplicht om feiten volledig naar waarheid aan te dragen. Of partijen aan deze verplichting hebben voldaan is een feitelijk oordeel van de rechter. De rechter mag ambtshalve oordelen dat een partij gehandeld heeft in strijd met 21 Rv, ook zonder dat partijen daarover specifiek hebben gedebatteerd. In het beroepschrift op de 2de pagina in punt 5 is er specifiek beroep gedaan op artikel 21 Rv. In alle namens jouw ingediende stukken is getracht gemotiveerd te onderbouwen welke stellingen van [de vrouw] niet juist waren en waarom. Er is zowel getracht de rechter te overtuigen dat [de vrouw] in eerste aanleg als in haar processtukken in tweede aanleg, de rechter onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. Het volledige beroepschrift was hierop gericht. Zowel ten aanzien van de verdeling (verzwegen gelden, onderneming) als haar inkomen. Het standpunt dat ik het artikel niet zou hebben gebruikt of niet deugdelijk is onderbouwd, is naar mijn mening onjuist. Het is echter aan de rechter(s) om te beslissen of [de vrouw] de rechtbank en later het Hof juist en volledig heeft geïnformeerd. (…)
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster ontoereikende bijstand bij de zitting bij het gerechtshof op 5 april 2024. In het klachtschrift van klager is een beroep gedaan op artikel 21 Rv (inzake verdwenen gelden door de ex-partner van klager). Klager stelt dat het zijn wens was dat verweerster tijdens de zitting bij het gerechtshof dat argument nog eens onder de aandacht zou brengen. Verweerster heeft dat niet gedaan en dat heeft in het nadeel van klager uitgepakt. Verweerster heeft klager voor de zitting ook geïnstrueerd om niets te zeggen, behalve als hem iets werd gevraagd.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft vooropgesteld dat de aanvullende klachten van klager (in een brief van 24 maart 2025 en ter zitting) buiten beschouwing worden gelaten.
5.2 De raad heeft het verwijt van klager dat de bijstand van verweerster ontoereikend was en dat zij zijn standpunten onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht, verworpen. Uit de processtukken en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het gerechtshof is gebleken dat verweerster telkens gemotiveerd naar voren heeft gebracht waarom de stellingen van de vrouw onjuist waren, dat de vrouw vermogensbestanddelen buiten de verdeling trachtte te houden en dat de vrouw het gerechtshof onjuist en onvolledig informeerde. Verweerster heeft daarmee feitelijk invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 21 Rv.
5.3 Verder heeft verweerster verklaard dat zij klager heeft uitgelegd dat de raadsheren tijdens de zitting de regie voeren, dat het gesprek via de raadsheren verloopt en dat het niet de bedoeling is om met raadsheren in discussie te gaan. De raad heeft overwogen dat het behoort tot de taken van een advocaat om de cliënt voor te bereiden op een zitting, wat van de rechters of raadsheren tijdens een zitting valt te verwachten en welke vragen mogelijk zullen worden gesteld. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster hierin is tekort geschoten. Dat klager aan de zitting het gevoel heeft overgehouden dat hij kort is gehouden, valt verweerster niet aan te rekenen. Dat alle in de zaak ingenomen standpunten opnieuw de revue passeren tijdens een mondelinge behandeling berust op een misvatting van klager. De raad heeft de klacht dan ook ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Volgens klager heeft de raad ten onrechte geoordeeld dat verweerster heeft gehandeld in overeenstemming met de zorgplicht en de geldende gedragsregels voor advocaten.
6.2 Verweerster heeft tijdens de zitting bij het gerechtshof nagelaten artikel 21 Rv in te roepen ondanks zijn dringende verzoek daartoe. Daardoor heeft verweerster klagers recht op hoor en wederhoor niet adequaat beschermd (beroepsgrond 1).
6.3 Tijdens de schorsing van de zitting op 5 april 2024 heeft verweerster onjuiste en misleidende informatie over cassatie gegeven. In de overtuiging dat de rechtsmiddelen waren uitgeput heeft klager ingestemd met de schikking ondanks dat zijn grieven over de verdwenen inkomsten van de vrouw niet zijn behandeld. Daarbij heeft verweerster klager onthouden van relevante informatie (de gewijzigde uitleg van de vrouw over de verdwenen gelden), heeft verweerster niet actief opgetreden tijdens de zitting en heeft zij een schikking onderschreven die al eerder buiten klager om was afgestemd. De raad heeft deze feiten onvoldoende onderzocht en miskend (beroepsgrond 2).
6.4 Verweerster heeft nagelaten bezwaar te maken tegen de sturende en denigrerende bejegening door de rechters tijdens de zitting waardoor zijn belangen onvoldoende werden beschermd (beroepsgrond 3).
6.5 Verweerster is haar toezegging tot een pleitnotitie niet nagekomen. In die pleitnotities had zij in heldere bewoordingen aandacht kunnen vragen voor de kern van klagers bezwaar: de wijze waarop de vrouw bewust en structureel onjuiste financiële informatie had verstrekt aan het gerechtshof met het kennelijke doel een financieel nadelige beslissing voor klager uit te lokken. De raad heeft dit element ten onrechte niet of slechts marginaal meegewogen (beroepsgrond 4).
6.6 Verweerster had (de gerechtsjurist van) het hof moeten wijzen op het ontbreken van twee essentiële grieven van klager (de marktwaarde van het YouTube kanaal van de vrouw en de verklaring van de substantiële geldstromen en vermogensverschuivingen binnen de gemeenschap) op de zittingsagenda. Door dit na te laten heeft verweerster haar plicht tot adequate en actieve belangenbehartiging ernstig veronachtzaamd.
6.7 De raad heeft voornoemde tekortkomingen niet onderkend en de gevolgen voor klagers procespositie ten onrechte gebagatelliseerd. Klager verzoekt het hof dan ook de beslissing van de raad te vernietigen, te oordelen dat verweerster toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar professionele verplichtingen jegens klager en dat zij daardoor tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zodat het opleggen van een passende maatregel geboden is. Verweer verweerster
6.8 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Omvang beroep
7.1 Klager heeft in beroep meerdere nieuwe klachten over verweerster geformuleerd. Zo heeft klager aangevoerd dat verweerster heeft nagelaten bezwaar te maken tegen de toegestuurde zittingsagenda en tegen het schikkingsvoorstel van de raadsheer, dat klager onder druk tot een schikking heeft moeten komen met een verkeerde voorstelling van zaken (cassatie zou niet mogelijk zijn en hij zou een hoog bedrag aan alimentatie moeten betalen) en dat verweerster informatie over contact met de advocaat van de wederpartij voorafgaand aan de zitting niet, althans te laat heeft gedeeld. Het hof moet deze nieuwe verwijten buiten beschouwing laten. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. artikel 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.
Toetsingsmaatstaf
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Bijstand op de zitting van 5 april 2024 bij het gerechtshof
7.3 Klager verwijt verweerster ontoereikende bijstand bij de zitting van het gerechtshof op 5 april 2024. In de kern komt de klacht van klager er op neer, zo heeft hij tijdens de zitting bij de raad en het hof bevestigd, dat verweerster had moeten benadrukken dat de wederpartij onjuiste stellingen innam over bepaalde door haar gedane uitgaven en een banksaldo (voldoening belastingclaim van € 62.794, een hypotheekaflossing van € 175.500 en een banksaldo van € 19.128, tezamen een bedrag van € 257.422), die niet konden kloppen, en waarvoor ook geen deugdelijk bewijs bestond. Volgens klager had verweerster een beroep moeten doen op artikel 21 Rv (waarheidsplicht) en ter zitting bij het gerechtshof de onjuistheid van de stellingen van de wederpartij moeten benadrukken. Verder verwijt klager verweerster dat hij haar ten onrechte heeft geïnstrueerd om niets te zeggen tijdens de zitting, behalve als hem iets gevraagd werd.
7.4 Vooropgesteld wordt dat alle processtukken in de appelprocedure in overleg met klager zijn opgesteld. Verweerster heeft op zitting onweersproken verklaard dat stukken meestal vijf tot tien keer ‘op en neer’ gingen tussen klager en verweerster. Bovendien is er voorafgaand aan het indienen van die processtukken veel onderzoek gedaan, hetgeen ook blijkt uit de stukken. Er is dus veel tijd besteed aan de onderbouwing van stellingen en de voorbereiding van de zitting. Uit die stukken blijkt dat namens klager is aangevoerd dat de wederpartij stellingen inneemt die niet zijn onderbouwd en daarmee onjuist zijn. Zo is artikel 21 Rv in het beroepschrift van 5 juli 2023 onder 5. uitdrukkelijk vermeld en is in het verweerschrift in het incidentele beroep van 16 januari 2024 onder 27. en in de brief van 25 maart 2024 onder de punten 22, 23 en 31. geconcludeerd dat sprake is van verduistering van gelden door de wederpartij en dat stellingen van de wederpartij (ter waarde van € 257.422) niet zijn onderbouwd. Verweerster heeft hiermee steeds onderbouwd dat de stellingen van de wederpartij niet klopten en feitelijk invulling gegeven aan artikel 21 Rv. Het hof is evenwel niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak vanwege de ter zitting tussen partijen getroffen regeling, maar verweerster had het hof voldoende handvatten gegeven voor de betwisting en mogelijke verwerping van de door de wederpartij ingenomen standpunten. Verweerster valt op dit punt dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.
7.5 Verder is uit door verweerster overgelegde WhatsApp berichten van 2 april 2024 gebleken dat verweerster met klager had besproken om geen pleitnota op te stellen nu alles al in de stukken stond en verweerster als laatste de brief van 25 maart 2024 met bijlagen had ingebracht. Van belang in dat verband is nog dat de zitting het moment is in de procedure dat de rechters hun vragen aan partijen kunnen stellen. Het is niet de bedoeling dat partijen gaan herhalen wat al in de stukken staat.
7.6 Dat verweerster klager heeft geïnstrueerd om niets te zeggen op zitting (tenzij hem iets werd gevraagd) is niet ongebruikelijk en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verder geldt dat de regie op een zitting bij de behandelend rechter(s) ligt.
7.7 In het onderhavige geval hebben de raadsheren aan de hand van een vooraf toegestuurde zittingsagenda grotendeels bepaald welke onderwerpen zouden worden behandeld. De agenda is aan het begin van de zitting besproken en partijen hebben daarmee ingestemd. De gestelde verduistering van gelden maakte onderdeel uit van de agenda zoals die aan het begin van de zitting met partijen is besproken (zie blad 2 van het proces-verbaal). Dat het hof duidelijk was wat het standpunt van klager over de YouTube-inkomsten was, blijkt ook uit het proces-verbaal van de zitting. Op blad 7-8 van het proces-verbaal is te lezen dat een van de raadsheren aangeeft waar de knelpunten zitten. De verduistering van de YouTube-inkomsten wordt daarbij expliciet aan de orde gesteld. Aan het aan de orde stellen en benadrukken van het verduisteren van die inkomsten is verweerster evenwel niet toegekomen omdat er van de zijde van een van de raadsheren het voorstel werd gedaan om te kijken of de zaak kon worden geregeld, nog voordat dat onderwerp werd besproken. Toen het voorstel om te schikken werd gedaan heeft verweerster, zo blijkt uit het proces-verbaal (zie blad 8), nog wel geprobeerd het aan te kaarten. Uit het proces-verbaal blijkt dat verweerster het volgende heeft opgemerkt: “Twee dingen. Fiscaal gezien. Er is afgedragen. En die afdracht is ook onder partijen verdeeld. Wat meneer voornamelijk bedoelt, het is niet zozeer de waarde van de onderneming maar wel de inkomsten uit de onderneming. Dat heeft hij in zijn aanvullend verzoek geprobeerd aan te geven. Van een deel van die inkomsten is niet verklaarbaar waar het gebleven is. Dat zou hem rust geven, als daar duidelijkheid over komt.” In reactie daarop heeft de betreffende raadsheer direct gereageerd: “Man en vrouw hoeven geen rekening en verantwoording af te leggen. Dus u komt niet verder bij ons. Als dat u rust geeft, is dat bij deze.” 7.8 Naar het oordeel van het hof was er op dat moment tijdens de zitting bij het gerechtshof dan ook geen ruimte voor verder debat over dit punt (“de verdwenen gelden”); het gerechtshof wilde dat niet. Partijen hebben zich daarnaar te gedragen. Het gerechtshof bepaalt de regie op een zitting. Het optreden van de raadsheren (ten aanzien van dit punt) kan dan ook niet worden toegerekend aan verweerster en haar kan ook geen verwijt worden gemaakt van het geen bezwaar maken hiertegen. Verweerster is professioneel met de ontstane wending op de zitting omgegaan. Toen partijen eenmaal een regeling hadden getroffen, zo heeft verweerster terecht aangevoerd, was er geen ruimte en aanleiding meer voor verder debat tussen partijen. Verweerster valt naar het oordeel van het hof dan ook geen verwijt te maken dat zij onvoldoende actief op de zitting is geweest.
7.9 Ook uit de verdere inhoud van het proces-verbaal van de zitting bij het gerechtshof valt niet op te maken dat verweerster tekort is geschoten in het behartigen van de belangen van klager. Alle relevante onderwerpen zijn besproken waarbij het standpunt van klager voldoende duidelijk is ingebracht. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om dhr. B als getuige te horen, zoals door klager is verzocht.
7.10 Tot slot heeft klager gewezen op een tabel in de pleitnota van de wederpartij. Daarin zou een onjuist bedrag zijn opgenomen hetgeen verweerster niet zou hebben weersproken. Maar die pleitnota is, zo blijkt uit het proces-verbaal, slechts beperkt voorgedragen (enkel de punten 9, 12 en 18), de tabel (punt 8) is niet aan de orde gekomen. Dat de pleitnota door de advocaat van de wederpartij niet integraal is voorgelezen, kan niet aan verweerster worden verweten. Verweerster kan dan ook niet worden verweten punt 8 niet te hebben weersproken.
7.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepsgronden van klager niet slagen. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 19 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-917/A/A.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en M.J.J.M. van Roosmalen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 april 2026.
