Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:63
Zaaknummer
25-767/A/A
Zaaknummer
25-769/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; over en weer ingediende klachten met betrekking tot handelen van verweerders als oud-collega's in een geschil over beëindigingsafspraken en de financiële afwikkeling van een aansluitingsovereenkomst. Het gaat om een geschil van civielrechtelijke aard dat zo nodig ter beoordeling aan de civiele rechter dient te worden voorgelegd. De tuchtrechter gaat niet over dergelijke geschillen, tenzij kan worden vastgesteld dat verweerders met hun handelen het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad. Daarvan is de raad niet gebleken. De klachten zijn ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 23 maart 2026 in de zaken 25-767/A/A en 25-769/A/A naar aanleiding van de klacht van:
25-767/A/A klagers gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius
over
verweerder
25-769/A/A klagers
over
verweerder gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 25-767/A/A 1.1 Op 22 november 2024 hebben de klagers (uit Eindhoven) bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder (uit Amsterdam). 1.2 Op 6 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2390434/JS/AP van de deken ontvangen. 25-769/A/A 1.3 Op 24 december 2024 hebben de klagers (uit Amsterdam) bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant een klacht ingediend over verweerder (uit Eindhoven). 1.4 Op verzoek van de deken in Oost-Brabant heeft de voorzitter van het Hof van Discipline bij beslissing van 18 september 2025 de klacht voor verdere behandeling verwezen naar de Raad van Discipline Amsterdam in verband met de verwevenheid van voornoemde klachten. 1.5 Op 6 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2436117/JS/AP van de deken ontvangen. 25-767/A/A en 25-769/A/A 1.6 De klachten zijn behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - in de zaak 25-767/A/A klagers 1 tot en met 4, mede namens klaagster 5 (het kantoor), bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerder (uit Amsterdam). - in de zaak 25:769/A/A: klager 1, mede namens klaagster 2 (de praktijkvennootschap), en verweerder (uit Eindhoven), bijgestaan door zijn gemachtigde. 1.7 Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.8 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 en 1.5 genoemde klachtdossiers en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 00 tot en met 05.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klachten gaat de raad, gelet op de klachtdossiers en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 25-767/A/A en 25-769/A/A 2.2 De procedure met kenmerk 25-767/A/A betreft een klacht van vier advocaten uit Eindhoven (waaronder verweerder in de procedure 25-769/A/A) en hun kantoor (HL) over verweerder (uit Amsterdam) die een voormalig kantoorgenoot is. HL heeft tevens een kantoor in Amsterdam. 2.3 De procedure met kenmerk 25-769/A/A betreft een klacht van een advocaat (tevens verweerder in de procedure 25-767/A/A) en zijn praktijkvennootschap ZH (ZH) uit Amsterdam over verweerder (uit Eindhoven). 2.4 Voor de leesbaarheid van de beslissing wordt verweerder in de procedure 25-767/A/A hierna (ook) aangeduid als mr. F en verweerder in de procedure 25-769/A/A (ook) als mr. V. 2.5 Mr. F was in dienst bij V advocaten te Amsterdam samen met klagers 3 en 4 in de procedure 25-767/A/A. Mr. F heeft op 19 december 2022 via zijn praktijkvennootschap ZH een aansluitingsovereenkomst gesloten van 1 maart 2023 tot 1 maart 2024 bij HL. 2.6 In artikel 3 van de aansluitingsovereenkomst tussen HL en mr. F is het volgende opgenomen over de overeengekomen vergoeding: “1. [HL] zal de door [mr. F] verrichte werkzaamheden (excl. BTW) aan de cliënt declareren en betalingen in verband daarmee collecteren. 2. [ZH] is gerechtigd tot een jaarlijkse vergoeding van EUR 200.000 (zegge: tweehonderdduizend Euro).” (…) 3. Daarnaast zullen Partijen de (door HL te collecteren) omzet per kalenderjaar in verband met de door [verweerder Amsterdam] verrichte werkzaamheden vanaf EUR 200.000 (zegge: tweehonderdduizend Euro) (het “Surplus”) 80%-20% (zegge: tachtig-twintig procent verdelen (in het voordeel van [ZH]), met dien verstande dat de aan [HL] toekomende 20% (zegge: twintig procent) gemaximeerd zal zijn op EUR 40.000 (zegge: veertigduizend Euro) per kalenderjaar. Dat betekent dat het Surplus vanaf EUR 400.000 (zegge: vierhonderdduizend Euro) per kalenderjaar voor 100% (zegge: honderd procent) toekomt aan [ZH].” 2.7 Op 27 december 2022 heeft mr. F zijn arbeidsovereenkomst met V advocaten opgezegd. Klagers 3 en 4 zijn per 1 maart 2023 op basis van een arbeidsovereenkomst bij HL in dienst getreden. Met de komst van mr. F en klagers 3 en 4 heeft HL een vestiging in Amsterdam geopend. 2.8 Op 29 november 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen mr. F en HL. Mr. F heeft in dat gesprek laten weten dat hij zijn overeenkomst met HL niet wilde verlengen en per 1 januari 2024 wilde vertrekken. Ook HL wilde de aansluitingsovereenkomst niet voortzetten. Partijen hebben vervolgens onderhandeld over de voorwaarden van een mogelijk eerder vertrek. 2.9 Op 29 november 2023 heeft HL aan mr. F een voorstel voor het beëindigen van de samenwerking gedaan met ingang van 1 januari 2024. Partijen hebben hierover veelvuldig gecorrespondeerd en hun standpunten uitgewisseld maar zijn hierover niet tot overeenstemming gekomen. In januari 2024 moest er conform de aansluitingsovereenkomst (zie randnummer 2.5) een financiële afwikkeling plaatsvinden met mr. F van de omzet over 2023. 2.10 Met ingang van 31 december 2023 had mr. F persoonlijk een bedrag van € 628.960,05 exclusief kantoorkosten en btw gefactureerd. HL heeft de factuur van ZH van 23 januari 2024 volgens de regeling - artikel 3 van de aansluitingsovereenkomst - volledig betaald. 2.11 Klagers (in de procedure 25-767/A/A) wilden, gelet op de afspraken over de afrekening en de tussen partijen ontstane situatie, nagaan of de declaraties van mr. F wel correct waren. In dat kader hebben zij in een drietal dossiers geconstateerd dat de door mr. F gefactureerde uren voor onderling telefonisch overleg (tussen mr. F en collega’s van kantoor) en telefonisch overleg met derden (waarbij collega’s van kantoor aanwezig waren), significant hoger waren dan de bestede tijd die uit de telefoonrekeningen van de betrokken collega’s bleek. Het gaat om in totaal 60 uur aan gefactureerde tijdsregels. 2.12 Klagers (in de procedure 25-767/A/A) van het kantoor in Eindhoven wilden met één cliënt, T, in overleg treden over deze discrepanties, maar daarvan had T aangegeven een overleg niet op prijs te stellen en laten weten dat ook als de gedeclareerde tijd niet zou kloppen, geen terugbetaling werd verlangd (zie verder hierna). Een andere cliënt, B, had zich wel beklaagd over de discrepanties in de declaraties en HL heeft B daarop een compensatieregeling aangeboden. 2.13 Klagers (in de procedure 25-767/A/A) hebben mr. F bij e-mails vanaf 10 januari 2024 meerdere malen verzocht om opheldering te geven over de discrepanties in de facturen en hem verzocht zijn uren te verantwoorden. Mr. V schrijft mr. F over het dossier T het volgende: “Zoals aangekondigd zijn we de declaraties gaan bekijken in de dossiers waar jij verantwoordelijk voor bent. We zijn begonnen met [T]. Jij hebt altijd heel duidelijk gezegd en benadrukt dat jij héél secuur bent in het schrijven van jouw tijd. Wij nemen die toezegging dan ook als uitgangspunt. Een eerste beoordeling van de declaraties in voornoemd dossier levert voor ons op dat je dan misschien wel secuur bent op het schrijven van je eigen tijd, maar dat ben je niet wat de tijd van [klagers 3 en 4] aangaat. Die heb je namelijk niet gecontroleerd. Dat kunnen we namelijk alleen al vaststellen op basis van een vergelijking tussen (i) de tijd die jij hebt geschreven in overleg met [klagers 3 en/of 4] en (ii) wat [klagers 3 en/of 4] in verband met dat overleg hebben geschreven. Het gaat daarbij niet om marginale verschillen. In bijgevoegd pdf-bestand kun je zien dat onze eerste beoordeling al heeft opgeleverd dat er ruim 56,4 uur te weinig is gedeclareerd. Dat zijn de uren die jij wel en [klagers 3 en/of 4] niet hebben geschreven en gedeclareerd in verband met jullie onderling overleg in het dossier [T]. Het is onaanvaardbaar dat je vóórafgaand aan het uitsturen van de declaraties niet bent nagegaan of [klagers 3 en 4] alle tijd volledig en correct hadden geschreven en, nu dat niet zo was, dat ook niet hebt gecorrigeerd. Aangezien jij als enige dossierverantwoordelijke bent, viel dat namelijk wel van jou te verwachten. Jij bent immers degene die [naam] heeft gevraagd om deze declaraties te maken, jij bent degene die de declaraties vervolgens beoordeelt (althans, dat behoor je in ieder geval te doen; ook op grond van de Gedragsregels) en jij bent ook degene die ze vervolgens uitstuurt aan (in dit geval) [T] met het verzoek om de declaraties te betalen. Als gevolg van deze nalatigheid lijdt [HL] schade. Die schade bestaat uit de omzet die [HL] misloopt als gevolg van de uren die [klagers 3 en 4] ten onrechte niet hebben geschreven (wat jij, als gezegd, had behoren te voorkomen). Dat gaat om € 15.673,50 exclusief btw. Wij stellen je in staat om deze schade te herstellen door deze € 15.673,50 exclusief btw alsnog te declareren aan [T]. We geven je daarvoor tot 19 januari 2024, 17.00 uur, de tijd. Voor zover je wil zeggen dat dit niet haalbaar is omdat [klager 3] met vakantie is, willen we benadrukken dat dat niet het geval is. Wij kunnen in overleg met [klager 3] de nog niet geschreven en gedeclareerde tijd namens hem in het systeem opvoeren. Herstel je de schade niet tijdig, dan zullen we ons beraden over vervolgstappen. We hopen dat het niet zover hoeft te komen. We [hebben] overigens daarnaast geconstateerd dat je tijdsregels dubbel hebt geschreven. We doen daar nog nader onderzoek naar en komen daar bij je op terug zodra dat kan.” 2.14 Mr. F heeft in antwoord hierop bij e-mail van 11 januari 2024 zijn kant van het verhaal uitgelegd en aan de hand van een uitgebreid memorandum laten weten dat (en waarom) hij niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de door (klagers 3 en 4) verantwoorde tijd. Iedere advocaat heeft namelijk een eigen verantwoordelijkheid in verband met de door hem of haar verantwoorde tijd. De wijze waarop de advocaat zijn of haar praktijk uitoefent en de rol die hij of zij binnen een kantoor vervult, brengen daarin geen verandering. Voor zover de door klagers 3 en 4 ingevoerde tijd vooraf moest worden gecontroleerd, lag dat op de weg van mr. V, aldus mr. F. Hij betwist dan ook de inhoud van de e-mail van 10 januari 2024 en dat sprake is van een tekortkoming van zijn kant. Hij zag geen aanleiding om op welke manier enige schade te herstellen. 2.15 Mr. V heeft op 15 januari 2024 als volgt gereageerd: “(…) Het is van tweeën één: 1. Jij hebt (substantieel) meer tijd geschreven dan er is gewerkt; 2. [Klagers 3 en 4] hebben (substantieel) minder tijd geschreven dan er is gewerkt. We willen uiterlijk morgen vóór 15.00 uur van jou horen wat het is: 1 of 2. Horen we niets, dan gaan wij ervan uit dat het onder 2. Genoemde van toepassing is. Wij treden dan zelf wel in overleg met de cliënt over deze tijd (waarbij we volledig transparant zullen zijn), nu jij dat niet wil doen om schade die [HL] lijdt weg te nemen. We beraden ons nog op wat dit vanuit [HL] richting jou betekent. We vervolgen overigens met de analyse van de overige dossiers.” 2.16 Mr. F heeft over de ontstane kwestie advies ingewonnen bij emeritus prof. W (die bijzonder hoogleraar Advocatuur is geweest). In haar advies van 19 januari 2024 kwam zij tot de conclusie dat mr. F “niet geacht kan worden jegens [HL] verantwoordelijk te zijn (geweest) voor de (controle van de) juiste tijdsregistratie door [zijn] kantoorgenoten. Noch gedragsrechtelijk, noch verbintenisrechtelijk.” Mr. F heeft dit advies op 19 januari 2024 aan mr. V gestuurd. 2.17 Op 26 januari 2024 heeft de cliënt (de heer G) in het dossier T aan mr. F geschreven: “Het voorgaande betekent dat wij geen redenen zien om ons op basis van een analyse van [HL], zover die erop neerkomt dat jij te veel tijd hebt geschreven, te beklagen over de hoogte van de declaraties. Omgekeerd zien we ook geen redenen om op basis van een analyse van [HL], voor zover die [erop] neerkomt dat [klagers 3 en 4] te weinig tijd hebben geschreven, alsnog te betalen voor dat eventuele tekort aan geschreven uren. ” 2.18 Mr. F heeft deze e-mail op 31 januari 2024 aan mr. V doorgestuurd, die daarop reageert dat mr. F hen geen andere keuze laat dan verdere stappen te ondernemen. 2.19 Op 2 februari 2024 heeft mr. V vervolgens een e-mail aan de heer G gestuurd zonder mr. F in kopie, als reactie op zijn e-mail van 26 januari 2024 (r.o. 2.16): “[Mr. F] presenteerde gisteren de email van de heer [G] van vrijdag 26 januari 2024 in de vorm zoals aangehecht. Ik vind het spijtig dat ik u met het onderstaande moet belasten. Wij hebben kennis genomen van de inhoud van deze email en specifiek van het feit dat de heer [G], namens [T], haar aandeelhouders en de achterliggende familie, de door [mr. F] geschreven en gedeclareerde tijd niet richting [HL] ter discussie wenst te stellen. Helaas heeft [mr. F] ons niet in staat gesteld om de significante discrepanties in de gedeclareerde tijd uit te klaren – ondanks het feit dat wij dit gedurende de afgelopen periode herhaaldelijk hebben gevraagd. U zult begrijpen dat in ieder geval [HL] er belang bij heeft om de kwestie volledig helder te krijgen en wij zien ons dan ook genoodzaakt om dit voor te leggen aan de bevoegde instanties. Indien u daar prijs op stelt zijn wij zeer graag beschikbaar om met u het een en ander te bespreken. Aangezien wij hechten aan volledige transparantie adresseer ik dit schrijven aan alle stakeholders.” 2.20 De heer G heeft bij e-mail van 5 februari 2024 aan mr. V geantwoord dat hij het erbij wil laten. Mr. F is in de e-mail in cc opgenomen. Mr. V heeft geantwoord dat hij het vervelend vindt een cliënt hiermee te belasten, maar hij het hier niet bij kan laten zitten. 2.21 Mr. F heeft bij de deken Oost-Brabant diverse signalen over mr. V afgegeven. De eerste melding van 26 februari 2024 luidt voor zover relevant: “De hierboven gereleveerde gang van zaken wettigt geen andere slotsom dan dat [Mr V] heeft gehandeld in strijd met de wettelijke betamelijkheidsnorm van artikel 46 van de Advocatenwet en aldus heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 1. Voorts heeft [mr V] gehandeld in strijd met gedragsregel 7 door zich op ongepaste (en ongefundeerde) wijze over mij uit te laten, ook tegenover mijn cliënt. En door de verhoudingen met mij, mijn cliënt en mijn kantoorgenoten onnodig op scherp te zetten en ieder gesprek uit de weg te gaan, heeft [mr V] bovendien gehandeld in strijd met gedragsregel 24 (onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen).” 2.22 Klagers van het kantoor in Eindhoven (25-767/A/A) hebben naar aanleiding van dit signaal, de ontstane situatie in een gesprek met de deken Oost-Brabant op 15 maart 2024 besproken. Met ingang van 1 maart 2024 is de samenwerking tussen HL en mr. F door tijdsverloop van rechtswege geëindigd en op 1 maart 2024 is mr. F zijn eigen kantoor begonnen. 2.23 Op 13 april 2024 heeft mr. F een persoonlijke brief gestuurd aan de bestuurder B, en cliënt van HL. Hierin schrijft hij het volgende: ‘Sinds mijn vertrek bij [HL] op 1 maart jl. ben ik ervan uitgegaan dat ik geen werkzaamheden meer voor je zal verrichten. Deze brief schrijf ik dan ook op persoonlijke titel en dus niet als advocaat. Hoewel ik altijd met plezier voor je heb gewerkt, beoog ik met deze brief nadrukkelijk niet om naar werk te solliciteren. Wel hoop ik langs deze weg contact met je te krijgen om te begrijpen waarom je onze communicatie plotseling lijkt te hebben verbroken. Als gezegd, vind ik dat ontzettend jammer, juist vanwege de persoonlijke band die we met elkaar hebben opgebouwd. Ik hoop van harte dat je naar aanleiding van deze brief iets van je zou willen laten horen.’ 2.24 Op 21 mei 2024 en 11 november 2024 heeft mr. F bij de deken Oost-Brabant opnieuw signalen over mr. V gegeven. In het laatste signaal betwist mr. F het wekken van de suggestie dat hij een andere versie van een memorandum van prof. W zou hebben gedeeld met (de gemachtigde van) mr. V. Mr. F beschouwt de suggestie als het verspreiden van lasterlijke informatie over zijn persoon. 2.25 Op 22 november 2024 hebben klagers in de procedure 25-767/A/A bij de deken Amsterdam een klacht over mr. F ingediend. Op 24 december 2024 heeft mr. F (mede namens ZH) in de procedure 25-769/A/A een klacht over mr. V ingediend bij de deken Oost-Brabant.
3 KLACHTEN 25-767/A/A 3.1 De klacht inzake 25-767/A/A houdt, zakelijk weergegeven, in dat mr. F tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten mr. F het volgende: a) géén rekening en verantwoording af te leggen over de door klagers geconstateerde discrepanties in declaraties. Dit betreft de discrepanties die klagers op basis van een vergelijking van specificaties van de telefoonrekeningen van klagers 3 en 4 hebben geconstateerd. Vooralsnog gaat het om 60 declarabele uren. b) niet redelijk en accuraat de tijdsverantwoording en declaraties uit te voeren. Twee cliënten van HL hebben geklaagd over de kosten in verhouding tot het door mr. F verrichte werk. c) in februari 2023 buiten medeweten van zijn voormalig kantoor (waar hij toen nog in dienst was) via HL aan cliënten te declareren. d) schending van gedragsregel 28 doordat mr. F op 13 april 2024 - na zijn vertrek bij HL op 1 maart 2024 - rechtstreeks aan de bestuurder van B een persoonlijke brief heeft gestuurd, gericht aan het huisadres. 25-769/A/A 3.2 De klacht inzake 25-769/A/A houdt, zakelijk weergegeven, in dat mr. V tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten mr. V het volgende: a) mr. V heeft klager 1 onder druk gezet om (zonder rechtsgrond) over het jaar 2023 extra declaraties naar een cliënt (T) te sturen, terwijl mr. V een eigen eindverantwoordelijkheid had voor de urenverantwoording van zijn werknemers en bij klager 1 een controleplicht ontbrak. Ook had mr. V geen inhoudelijke kennis van het dossier van de betreffende cliënt en heeft mr. V enige vorm van overleg met klager 1 dan wel met de twee betrokken medewerkers geweigerd. Dit handelen van mr. V heeft de verhoudingen tussen hem en klager 1 en ook de verhouding tussen klager 1 en de cliënt (T) en bovendien de verhouding tussen klager 1 en zijn kantoorgenoten bij HL onnodig op scherp gezet; b) mr. V heeft zich in een e-mail van 2 februari 2024 (r.o. 2.18) onnodig grievend over klager 1 uitgelaten. Mr. V heeft klager 1 gepoogd zwart te maken bij een cliënt (de heer G) door, buiten klager 1 om, te insinueren dat klager 1 onbetrouwbaar zou zijn. De e-mail van 2 februari 2024 is ook aan de aandeelhouders gestuurd.
4 VERWEER 4.1 Verweerders in beide zaken heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING 5.1 Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft het advocatentuchtrecht op hem van toepassing, maar in een dergelijk geval toetst de tuchtrechter slechts aan de beperkte maatstaf of de advocaat zich in die andere hoedanigheid zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Als dat het geval is zal in het algemeen sprake zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. 5.2 De raad stelt vast dat het in de onderhavige, over en weer ingediende klachten niet gaat om het optreden van verweerders (mrs. F en V) in hun hoedanigheid van advocaat, maar om hun handelen in hoedanigheid van oud-collega’s met betrekking tot een geschil over beëindigingsafspraken en de financiële afwikkeling van de aansluitingsovereenkomst. Het gaat daarbij om een geschil van civielrechtelijke aard dat zo nodig ter beoordeling aan de civiele rechter dient te worden voorgelegd. De tuchtrechter gaat niet over dergelijke geschillen, tenzij kan worden vastgesteld dat verweerders in hun onderlinge geschil met hun handelen het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad.
procedure 25-767/A/A 5.3 Klagers hebben gesteld dat mr. F niet integer zou hebben gedeclareerd en hem in dat verband verweten dat hij zijn tijdsverantwoording niet redelijk en accuraat zou hebben uitgevoerd. Tevens zou hij geen verantwoording hebben afgelegd over de door klagers geconstateerde discrepanties tussen zijn declaraties en die van klagers 3 en 4 (klachtonderdelen a) en b)). De raad volgt klagers niet in dit standpunt en overweegt dat verweerder uitgebreid gemotiveerd heeft toegelicht wat de mogelijke achtergrond van deze verschillen kan zijn geweest, bijvoorbeeld het gebruik van andere omschrijvingen dan klagers 3 en 4 voor de met de werkzaamheden gemoeide tijd. De raad kan niet vast stellen dat verweerder met zijn declaratiewijze het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Klachtonderdelen a) en b) zijn daarmee ongegrond. Ook in de verwijten in klachtonderdelen c) en d) ziet de raad geen grond voor het oordeel dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur zou hebben geschaad. Dat mr. F met zijn brief van 13 april 2024 gedragsregel 28 (overnemen van cliënten) zou hebben geschonden, volgt op geen enkele wijze uit de inhoud van deze brief. Mr. F heeft die brief op persoonlijke titel geschreven en benadrukt daarin dat hij niet naar werk aan het solliciteren is (zie r.o. 2.23). Klachtonderdelen c) en d) zijn daarmee eveneens ongegrond. procedure 25-769/A/A 5.4 De raad is van oordeel dat de verwijten in de klachtonderlenen a) en b) zo nauw samen hangen met het onderliggende geschil over de afwikkeling van de samenwerking, dat hierin geen taak voor de tuchtrechter is weggelegd. Wellicht heeft mr. V met zijn handelen in het onderliggende geschil de verhoudingen nog meer op scherp gezet en wellicht was het beter geweest als hij zijn e-mail van 2 februari 2024 niet naar de cliënt (de heer G) had gestuurd, maar de raad ziet hierin - gegeven het criterium weergegeven onder r.o. 5.1 en 5.2 - geen handelingen die de conclusie rechtvaardigen dat mr. V het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De klachtonderdelen a) en b) zijn dan ook ongegrond.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart de klacht in de procedure 25-767/A/A ongegrond; - verklaart de klacht in de procedure 25-769/A/A ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026
