Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:96

Zaaknummer

250207

Inhoudsindicatie

Verwijt aan advocaat van de wederpartij dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten. De raad heeft de klacht gegrond verklaard met waarschuwing opgelegd. Het hof volstaat met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel. Verweerder heeft de onjuistheid gecorrigeerd (het ging om belaging en niet om mishandeling) en de vermelding had een functioneel karakter. 

Uitspraak

Beslissing van 3 april 2026 in de zaak 250207

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

verweerder

 

tegen:

 

klager      

 

 

1    INLEIDING

1.1    Klager verwijt verweerder, de advocaat van zijn ex-echtgenote, dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten door in een processtuk te stellen dat klager de vrouw ernstig zou hebben mishandeld. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klacht gegrond verklaard en verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Het hof is van oordeel dat kan worden volstaan met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline 2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-807/DB/LI) een beslissing gegeven op 19 mei 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:76 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline 2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 12 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.    2.4    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 februari 2026. Daar is verweerder verschenen. Klager was zonder bericht afwezig. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Klager is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Verweerder staat de vrouw bij.

3.3    Op 19 oktober 2021 heeft verweerder een bespreking gehad met de vrouw, waarin zij heeft medegedeeld dat zij op 20 augustus 2021 was mishandeld door klager en dat zij genoodzaakt was de echtelijke woning te verlaten. Van de mishandeling is op enig moment aangifte gedaan door de vrouw tegen klager. De aangifte is door de officier van justitie geseponeerd. Er heeft geen artikel 12 Sv-procedure plaatsgevonden. Verweerder is niet betrokken geweest bij deze strafrechtelijke procedure.

3.4    Op 2 november 2021 heeft de vrouw aangifte gedaan tegen klager wegens stalking/belaging, smaad/laster en tevens van ID-fraude en computervredebreuk.

3.5    Op 22 december 2022 heeft verweerder een nadere bespreking met de vrouw gevoerd. Tijdens het gesprek heeft de vrouw verweerder medegedeeld dat klager inmiddels was veroordeeld voor mishandeling en heeft zij verweerder een brief van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) van 15 november 2022 overhandigd, waarin staat:

“(…)  Uw kenmerk Belaging (…)  U krijgt deze brief omdat u slachtoffer bent van een misdrijf. U heeft eerder van mij een brief gehad waarin stond dat de verdachte op 07 november 2022 voor de rechter moest komen. Ik wil u laten weten dat de rechter op maandag 07 november 2022 over de strafzaak heeft besloten en uitspraak heeft gedaan. (…) De rechter heeft de verdachte veroordeeld tot T.a.v. feit 1, feit 2: Een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. T.a.v. feit 1, feit 2: Een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. (…)”

3.6    Klager is tegen zijn veroordeling in hoger beroep gegaan en heeft vervolgens, nadat de veroordeling is bekrachtigd, cassatie ingesteld. De uitspraak van het gerechtshof is in cassatie in stand gebleven. 

3.7    Op 23 januari 2023 heeft verweerder in de echtscheidingsprocedure een verweerschrift ingediend, waarin staat:

“(…) De man verzoekt uw rechtbank te bepalen dat de vrouw met ingang van 24 september 2021 tot aan de datum van de verdeling van de eigendom van de echtelijke woning de helft dient te betalen van alle eigenaarslasten verbonden aan die woning. De vrouw verzet zich tegen dit verzoek. De man doet het in zijn verweer voorkomen alsof hij het slachtoffer is van een hoop zaken die de vrouw hem zou hebben aangedaan. De vrouw betwist de lezing van de man dat zij hem zou hebben bedrogen. De man gaat in het geheel niet in op de door hem gepleegde ernstige strafbare feiten ten opzichte van de vrouw. Zo heeft de man zich op ernstige wijze strafbaar gemaakt aan stalking ten opzichte van de vrouw in de periode tussen 20 april 2021 en 2 november 2021. De vrouw heeft van die ernstige strafbare feiten aangifte tegen de man gedaan. (Bijlage 4) Het is evenwel niet bij stalking gebleven. Al bij inleidend verzoekschrift heeft de vrouw aangegeven dat zij door de man op ernstige wijze is mishandeld. De man gaat op die stelling in zijn processtuk in het geheel niet in, althans probeert de man daarop vooral niet de aandacht te vestigen. De man zwijgt ook in alle toonaarden over het feit dat hij inmiddels strafrechtelijk veroordeeld is wegens mishandeling. Op 7 november 2022 is de man vanwege (onder meer) mishandeling van de vrouw veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. (…)”  

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij onterecht heeft gesteld dat klager de vrouw ernstig zou hebben mishandeld. Verweerder heeft zich daarmee onnodig grievend uitgelaten over klager.

 

5    BEOORDELING RAAD

De raad heeft overwogen dat verweerder, anders dan hij stelt, wel aanleiding had moeten zien om te twijfelen aan de informatie die hij van zijn cliënte had gekregen, inhoudende dat klager was veroordeeld wegens mishandeling. Uit het kenmerk van de brief van het Openbaar Ministerie volgt immers al dat het ging om belaging. Dat had verweerder kunnen lezen toen hij de brief van zijn cliënte kreeg. Dat samengenomen met het feit dat in de brief geen melding wordt gemaakt van mishandeling en slechts ‘feit 1 en feit 2’ stond weergegeven, had verweerder voldoende aanleiding moeten geven om eerst nader onderzoek te doen naar de strafbaar verklaarde feiten of om de gewraakte passage achterwege te laten. Dat verweerder zijn fout uiteindelijk heeft geredresseerd richting de rechtbank - wat door klager wordt betwist en door verweerder ook niet is onderbouwd - verandert niet dat hij destijds onzorgvuldig heeft gehandeld.

 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder 6.1    Verweerder verzoekt het hof de klacht ongegrond te verklaren, althans geen maatregel op te leggen. Hij heeft aangevoerd dat hij mocht uitgaan van de door zijn cliënte verstrekte informatie dat de veroordeling van klager betrekking had op mishandeling. Dat verweerder de brief van het OM had moeten herkennen als uitsluiting van mishandeling is een vergaande interpretatie. Verweerder heeft bovendien zijn interpretatiefout gecorrigeerd. Hij heeft op 10 december 2024 in een brief aan de rechtbank gemeld dat klager niet voor mishandeling, maar voor belaging is veroordeeld. Hij heeft het gerechtshof gevraagd voor “veroordeling wegens mishandeling” steeds te lezen “veroordeling wegens belaging”. Dat verweerder zijn fout heeft gecorrigeerd, hoort in zijn voordeel van betekenis te zijn voor de zwaarte van de maatregel. Verweerder heeft niet beoogd om de situatie te laten escaleren, maar handelde in het belang van zijn cliënte, die zich onveilig en belast voelde door gedragingen van klager. Hij heeft niet bewust onjuiste informatie verstrekt of klager willen grieven. 

Verweer klager 6.2    Klager heeft in beroep geen schriftelijk verweer gevoerd.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf 7.1    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

7.2    Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval tot geval afwegen: –           het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, –           het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, –           het verloop van het geschil tot dan toe, –           en de kans op succes van een procedure. Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Overwegingen hof 7.3    Vast staat dat klager is veroordeeld voor belaging en niet voor mishandeling. Vast staat ook dat in de brief van het OM van 15 november 2022, bij de algemene gegevens zoals contactgegevens, onderwerp en datum staat vermeld “uw kenmerk Belaging” en dat in de brief zelf niet nader is gesubstantieerd wat de feiten 1 en 2 inhielden. Met de raad is het hof van oordeel dat verweerder bij een nadere beschouwing van de brief van 15 november 2022 in de onderwerpregel had kunnen zien dat de veroordeling geen mishandeling, maar belaging betrof. In zoverre heeft de raad de klacht van klager dan ook terecht gegrond verklaard. 

7.4    Anders dan de raad is het hof evenwel van oordeel dat er aanleiding bestaat om verweerder geen maatregel op te leggen. De door verweerder gemaakte fout is invoelbaar, aangezien zijn cliënte de echtelijke woning heeft moeten verlaten nadat zij zich door klager ernstig bedreigd had gevoeld (zoals blijkt uit het arrest van het gerechtshof in de strafzaak) en omdat zij destijds daadwerkelijk aangifte van mishandeling heeft gedaan. Ook heeft verweerder, nadat hij kennis had genomen van (de inhoud van) het arrest van het gerechtshof, de rechtbank in de civiele zaak bericht dat hij in zijn verweerschrift van 23 januari 2023 ten onrechte had vermeld dat er sprake was van een veroordeling vanwege mishandeling. Bovendien is het hof van oordeel dat vermelding van de strafrechtelijke veroordeling van klager in de familiezaak een functioneel karakter had en niet als onnodig of onevenredig beschadigend jegens klager kan worden beschouwd. Klager had de rechtbank immers verzocht om te bepalen dat de vrouw de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning moest betalen tot de datum van de verdeling van die woning. Vermelding van de strafrechtelijke veroordeling was relevant en nuttig in het kader van het door verweerder tegen dat verzoek gevoerde verweer dat de vrouw de echtelijke woning noodgedwongen heeft moeten verlaten.

Slotsom 7.5    De conclusie uit het voorgaande is dan ook dat de beslissing van de raad zal worden vernietigd, voor zover aan verweerder de maatregel van waarschuwing is opgelegd en verweerder is veroordeeld tot betaling van de reiskosten van klager en de proceskosten. 

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    vernietigt de beslissing van 19 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-807/DB/LI, voor zover daarin aan verweerder de maatregel van waarschuwing is opgelegd en verweerder is veroordeeld tot betaling van de reiskosten aan klager en de proceskosten;

-    bekrachtigt de beslissing van 19 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-807/DB/LI, voor het overige.

Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. K. van Dijk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 3 april 2026.