Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:95

Zaaknummer

250214

Inhoudsindicatie

Klacht tegen eigen advocaat over dienstverlening en ontijdige onttrekking ongegrond. Bekrachtiging beslissing raad.

Uitspraak

Beslissing van 3 april 2026 in de zaak 250214

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerster

 

1    INLEIDING

1.1    Klager verwijt verweerster, zijn voormalig advocaat, dat zij een strafdossier niet voor hem heeft opgevraagd en hem ook op andere wijze niet heeft ondersteund, dat zij zich ontijdig heeft onttrokken in een OTS-procedure en dat zij hem heeft beticht van het niet betalen van een niet bestaande factuur. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt die beslissing. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline 2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-880/DB/OB) een beslissing gegeven op 26 mei 2025. In deze beslissing is de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:88 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline 2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 22 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    de op 26 januari 2026 ontvangen e-mail van klager met bijlagen.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 februari 2026. Daar zijn klager en verweerster verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, klager aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Op 22 augustus 2022 heeft de deken verweerster op grond van artikel 13 Advocatenwet aangewezen om klager als advocaat bij te staan in een gerechtelijke procedure bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Deze procedure had betrekking op een geschil tussen klager en zijn ex-partner. Verweerster heeft klager in deze procedure bijgestaan, waarna zij klager ook is gaan bijstaan in een omgangskwestie.

3.3    Op enig moment heeft klagers ex-partner tegen klager aangifte gedaan van smaad, laster en belediging. In oktober 2023 heeft verweerster aan klager toegezegd dat zij het strafdossier zou opvragen. Verweerster heeft dit verzuimd. Klager is op 7 november 2023 door de politie verhoord. Bij e-mail van 1 december 2023 heeft klager verweerster bericht dat zij had verzuimd om het strafdossier op te vragen. Verweerster heeft daarop gereageerd dat zij dit inderdaad was vergeten en dat klager en verweerster elkaar na oktober 2023 niet meer over de strafzaak hadden gesproken. Klager heeft een op 18 december 2023 gedateerde strafbeschikking ontvangen, die hij in een Whatsapp-bericht aan verweerster heeft toegestuurd. Verweerster heeft in een Whatsapp-bericht aan klager medegedeeld dat zij in het ziekenhuis lag en dat hij haar de week erna kon bellen. Dit heeft klager niet gedaan. In een Whatsapp-bericht van 2 januari 2024 heeft klager aan verweerster gevraagd of zij verzet had ingesteld tegen de strafbeschikking. Verweerster heeft daarop aan klager bericht dat zij geen strafzaken doet.

3.4    Bij e-mail van 26 maart 2024 heeft verweerster aan klager een betalingsherinnering gestuurd voor een openstaande nota ten bedrage van € 321,00. Klager heeft daarop aan verweerster laten weten dat hij geen nota van € 321,00 had ontvangen. Op enig moment heeft verweerster in een Whatsapp-bericht aan klager bevestigd dat de factuur van € 321,00 was voldaan.

3.5    Op 28 maart 2024 was een mondelinge behandeling gepland van de omgangszaak. Deze zou gezamenlijk worden behandeld met de verlenging van de ondertoezichtstelling, hierna: “OTS”. De rechtbank heeft partijen met een e-mailbericht van 26 maart 2024 bericht dat op de zitting van 28 maart 2024 enkel het verzoek tot verlenging van de OTS zou worden behandeld en dat de behandeling van de omgangskwestie werd aangehouden tot 25 juni 2024. Verweerster heeft de e-mail van de rechtbank diezelfde dag aan klager doorgestuurd met de vraag of klager, nu hij en de vrouw het met de verlenging van de OTS eens waren, naar de zitting wilde gaan en of hij in de OTS-zaak door verweerster bijgestaan wilde worden. Klager heeft in een Whatsapp-bericht op verweersters vraag gereageerd met de woorden: “ik ga morgen naar de zitting en wat jij doet moet je zelf maar zien”. Verweerster heeft daarop in een Whatsapp-bericht aan klager bevestigd dat zij zich in de OTS-zaak niet als advocaat van klager zou stellen en dat zij de rechtbank zou berichten dat klager ter zitting zou verschijnen. Klager en de vrouw zijn (beiden zonder advocaat) ter zitting van 28 maart 2024 verschenen en hebben verklaard het eens te zijn met de verlenging van de OTS.

3.6    Op 7 april 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken. Verweerster heeft klager bericht dat sprake was van een vertrouwensbreuk en dat zij dan ook niet meer in de omgangskwestie voor klager kon optreden. Op 24 april 2024 heeft verweerster zich onttrokken.

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:

1.    Verweerster heeft verzuimd het strafdossier op te vragen, heeft klager niet ondersteund en was niet aanwezig bij het verhoor en heeft geen verzet aangetekend tegen de strafbeschikking;

2.    Verweerster heeft zich in de procedure ter zake de ondertoezichtstelling, waarbij ook de omgang en het gezag ter sprake zouden komen, 24 uur voor de zitting onttrokken als advocaat;

3.    Verweerster heeft klager beticht van het niet betalen van een factuur van € 321,00, die nimmer aan klager is verzonden en mogelijk ook niet bestaat.

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft het volgende overwogen.

5.2    Klachtonderdeel 1 – bijstand strafzaak

De raad volgt verweerster in haar verweer dat zij aan klager had toegezegd om het strafdossier op te vragen en dat zij dit heeft verzuimd, maar dat zij geen strafzaken behandelt en van klager ook niet de opdracht heeft aanvaard om hem in de strafzaak bij te staan. Dat verweerster aan klager heeft beloofd om het strafdossier op te vragen en dat zij heeft gezegd dat hij haar kon bellen over de strafbeschikking, is onvoldoende om aan te nemen dat verweerster de opdracht heeft aanvaard om klager in de strafzaak bij te staan. Niet is gebleken dat verweerster klager heeft toegezegd dat zij hem in de strafzaak zou bijstaan. Bij die stand van zaken kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden verweten dat zij niet aanwezig is geweest bij het politieverhoor en dat zij geen verzet heeft ingesteld tegen de strafbeschikking. Dat verweerster haar toezegging om het strafdossier op te vragen niet is nagekomen, is onzorgvuldig maar van onvoldoende gewicht om haar een tuchtrechtelijk verwijt te maken. 

5.3    Klachtonderdeel 2 – onttrekking OTS-zaak

De raad volgt verweerster ook in haar verweer dat zij van klager geen opdracht heeft gekregen om hem bij te staan in de procedure ter zake de (verlenging van) de OTS, dat zij zich in die procedure niet voor klager heeft gesteld en zich dus ook niet heeft onttrokken. Uit het dossier blijkt dat verweerster klager uitdrukkelijk heeft gevraagd of klager wilde dat zij ook in deze procedure voor hem zou optreden. Toen een bevestigende reactie uitbleef, heeft verweerster schriftelijk aan klager bevestigd dat zij zich niet voor hem als advocaat zou stellen. In zijn op 16 maart 2025 nagezonden bericht heeft klager de raad overigens nog bericht dat hij verweerster nimmer heeft gevraagd om hem in de omgangskwestie en de procedure over de OTS-verlenging bij te staan en dat verweerster enkel was aangewezen om hem in de appelprocedure bij te staan. Omdat verweerster klager in de OTS-procedure niet heeft bijgestaan, is ook geen sprake van (ontijdige) onttrekking. 

5.4    Klachtonderdeel 3 – factuur die niet is verzonden en mogelijk niet bestaat

Dat verweerster klager heeft beticht van het niet betalen van een niet verzonden of niet bestaande factuur blijkt niet uit de overgelegde stukken. De raad heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard, omdat de feitelijke grondslag ontbreekt.

6    OMVANG HOGER BEROEP

Klager heeft in beroep nieuwe verwijten tegen verweerster geformuleerd. Het hof laat deze buiten beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.

7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager 7.1    Klager heeft in hoger beroep het navolgende aangevoerd:

1.    Verweerster heeft toegezegd het strafdossier op te vragen, dit is niet gebeurd. Ook heeft ze tijdens een telefonisch onderhoud gezegd dat iemand van kantoor contact met klager zou opnemen hierover. 2.    Verweerster is uitsluitend aangesteld om de appelprocedure te doen. Er is nimmer gevraagd om andere procedures te gaan doen. Dit is zij op eigen initiatief gaan doen zonder dat klager hierom verzocht heeft. Verweerster heeft wel degelijk de OTS-procedure gedaan en zich later teruggetrokken. Het bevreemdt klager dat de raad overweegt dat verweerster zich niet gesteld heeft in die procedure, dat zij zich dus ook niet onttrokken heeft en zelfs dat zij klager niet zou hebben bijgestaan in de OTS-procedure. Verweerster heeft gezegd dat zij van de gezinsvoogd gehoord had dat klager het eens zou zijn met de verlenging van de OTS. Dat heeft ze dus niet van klager. 3.    Verweerster heeft het zelf over een onbetaalde factuur van € 321,00 en later over een betaalde factuur van € 321,00, die er niet is en ook nooit naar klager verstuurd is.

Verweer 7.2    Verweerster heeft in beroep geen schriftelijk verweer gevoerd.

8    BEOORDELING HOF

Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt de beroepsgronden van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.

9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    bekrachtigt de beslissing van 26 mei 2025 van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-880/DB/OB.

Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. K. van Dijk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 3 april 2026.