Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:74

Zaaknummer

25-783/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening. Verweerster heeft een ernstige beroepsfout gemaakt door het laten verstrijken van de termijnen voor het indienen van een conclusie van antwoord in twee procedures van klaagster. Verweerster was bovendien onbereikbaar voor klaagster en heeft noch de termijnen voor het indienen van de conclusies van antwoord en het feit dat deze termijnen waren verstreken, noch de door de rechtbank bepaalde data van mondelinge behandelingen, aan klaagster gecommuniceerd. De raad rekent verweerster dit alles zwaar aan, maar heeft bij het bepalen van de hoogte van de maatregel wel rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden in het leven van verweerster en het feit dat zij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Ook is in aanmerking genomen dat verweerster zelf heeft ingezien dat zij niet langer als advocaat kon functioneren en haar verantwoordelijkheid heeft genomen door zich begin 2025 uit te schrijven als advocaat. Alles in aanmerking genomen is een berisping in dit geval passend.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 23 maart 2026 in de zaak 25-783/A/A   naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  gemachtigde: mr. D.J.P. van Omme

over

verweerster 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 11 februari 2025 is namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 11 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2457982/JS/AS van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij werd klaagster vertegenwoordigd door haar gemachtigde en was verweerster zonder voorafgaand bericht afwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06. Ook heeft de raad kennisgenomen van de namens klaagster op 4 december 2025 nagezonden stukken.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster, een internationale handelaar in sterke drank, had verweerster ingeschakeld voor de verdediging van haar belangen in een tweetal civiele procedures ter zake van merkinbreuk. De procedures waren aanhangig bij de rechtbank Den Haag.  2.3    Klaagster moest in beide procedures op 30 oktober 2024 een conclusie van antwoord nemen. Sinds oktober 2024 was verweerster echter onbereikbaar voor klaagster. De contactpersoon van klaagster, de heer G, en de gemachtigde van klaagster in deze klachtzaak (hierna de gemachtigde) hebben meerdere malen zonder succes geprobeerd verweerster te bereiken.   2.4    Op enig moment is klaagster erachter gekomen dat verweerster in beide zaken geen conclusie van antwoord had ingediend en dat in beide zaken een mondelinge behandeling was bepaald, op 17 februari 2025 respectievelijk 7 maart 2025. 2.5    Omdat het klaagster niet lukte contact te krijgen met verweerster, heeft klaagster een andere advocaat, mr. H, ingeschakeld om haar belangen in de procedures verder te behartigen. Daarnaast heeft de gemachtigde contact opgenomen met de deken met het verzoek om te bemiddelen. 2.6    De (stafmedewerker van de) deken heeft, zonder succes, meerdere pogingen gedaan om met verweerster in contact te komen. Omdat een reactie van verweerster uitbleef, heeft klaagster op 11 februari 2025 bij de deken een klacht over verweerster ingediend. Ook in het kader van de klachtprocedure heeft verweerster op geen enkel bericht van de deken gereageerd.  2.7    Op 19 maart 2025 heeft de rechtbank Den Haag in beide procedures vonnis gewezen. De rechtbank heeft in de eerste zaak (de tweede zaak is nagenoeg gelijkluidend) voor zover relevant overwogen:  “Gang van zaken 4.6 Bij vonnis in incident van 10 juli 2024 is de roldatum voor het indienen van een conclusie van antwoord door [klaagster] in de hoofdzaak bepaald op 30 oktober 2024. Nadat op deze datum geen conclusie van antwoord was ontvangen, heeft de rolgriffier van de rechtbank telefonisch contact opgenomen met [verweerster], destijds de advocaat van [klaagster]. 4.7. Naar aanleiding daarvan heeft [verweerster] op 30 oktober 2024 via een B4-formulier (‘Uitstelverzoek rolhandeling’) een uitstelverzoek gedaan, waarin zij schreef: “Door privé omstandigheden zal ik mijn advocatenpraktijk niet langer meer voortzetten en heb ik de conclusie niet kunnen afronden. Ik verzoek uw rechtbank om klemmende reden om een uitstel voor de rechtshandeling in deze procedure, Ik heb aan de Orde van Advocaten vanwege dezelfde klemmende reden mijn aanstaande uitschrijving van het tableau doorgegeven en zou graag voordien deze procedure voor mijn uitschrijving nog goed willen kunnen overdragen. Het voorgaande in combinatie met de klemmende reden vergt iets meer tijd, zodat uw rechtbank om een uitstel wordt verzocht voor de rechtshandeling.” (…) De beoordeling 4.12. De rechtbank oordeelt als volgt. De door [klaagster] aangevoerde feiten en omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat het onaanvaardbaar was om op 30 oktober 2024 de akte niet-dienen te verlenen. Er is immers niet gebleken dat de beslissing tot het verlenen van die akte niet-dienen berustte op een onjuiste of onvolledige feitelijke grondslag. Niet is komen vast te staan dat [verweerster] op 30 oktober 2024, zoals [klaagster] aanvoert, “geheel was opgehouden te functioneren als advocaat”. Dat zij op die datum wel als zodanig functioneerde, blijkt reeds uit het feit dat (i) de rechtbank [verweerster], na de vaststelling dat geen conclusie van antwoord was genomen, telefonisch heeft bereikt en (ii) [verweerster] vervolgens direct, via het daartoe bestemde rolformulier, een gemotiveerd verzoek tot uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord wegens klemmende redenen heeft ingediend. 4.13. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank niet terugkomen van het verlenen van de akte niet-dienen. Het verzoek van [klaagster] daartoe wordt afgewezen. Dat betekent dat aan [klaagster] op grond van artikel 128 lid 3 Rv het recht om verweer te voeren (definitief) is vervallen.”

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:  a)    verweerster heeft de termijn voor het indienen van een conclusie van antwoord in twee procedures ongebruikt laten verstrijken. Het gevolg hiervan is dat namens klaagster in de procedures geen conclusie van antwoord is ingediend. Verweerster heeft hiermee het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad en niet de vereiste zorgvuldigheid betracht (en daarmee in strijd met gedragsregel 1 gehandeld).  b)    verweerster heeft en niet vooraf en niet naderhand gecommuniceerd met klaagster over de termijn van het indienen van de conclusie van antwoord, en evenmin over het feit dat de termijn was verstreken. Hierdoor heeft verweerster haar informatieplicht, neergelegd in gedragsregel 16, geschonden.  3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht geen verweer gevoerd. 

5    BEOORDELING Maatstaf  5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft in de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  5.2    Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Oordeel  5.3    De raad overweegt dat verweerster een ernstige beroepsfout heeft gemaakt door het laten verstrijken van de termijnen voor het indienen van een conclusie van antwoord in beide procedures. Deze fout heeft ernstige gevolgen gehad voor de procespositie van klaagster die hiermee in beide procedures definitief de mogelijkheid werd ontnomen om een conclusie van antwoord te nemen. Het laten verstrijken van een dergelijke termijn kan niet anders worden aangemerkt dan als een grove veronachtzaming van de beroepsplichten van een advocaat (gedragsregel 1).  5.4    Daarnaast heeft verweerster op geen enkel moment contact opgenomen met klaagster. Verweerster heeft noch de termijnen voor het indienen van de conclusies van antwoord en het feit dat deze termijnen waren verstreken, noch de door de rechtbank bepaalde data van mondelinge behandelingen, aan klaagster gecommuniceerd. Hiermee heeft verweerster niet voldaan aan haar informatieplicht als neergelegd in gedragsregel 16 lid 1. De raad begrijpt uit de stukken en uit de toelichting van de gemachtigde van klaagster op zitting dat verweerster kampt met persoonlijke problemen, maar deze omstandigheid kan niet als rechtvaardiging dienen voor het verzuim om tijdig contact op te nemen met klaagster. Het verzoek om uitstel van verweerster op 30 oktober 2024 toont aan dat verweerster zich wel degelijk bewust was van de verstrijkende termijnen en de gevolgen daarvan. De raad gaat er daarom van uit dat verweerster ondanks haar persoonlijke omstandigheden in staat was om klaagster ten minste over de lopende termijnen en de door de rechtbank bepaalde data van de mondelinge behandelingen te informeren. Door dit na te laten heeft verweerster haar zorgplicht ten opzichte van klaagster ernstig veronachtzaamd. De klacht is gelet hierop in zijn geheel gegrond. 

6    MAATREGEL 6.1    Vast staat dat verweerster een beroepsfout heeft gemaakt. Hiermee heeft zij niet alleen haar zorgplicht ten opzichte van klaagster ernstig veronachtzaamd, maar ook het vertrouwen in de advocatuur ondermijnd. De raad rekent dit verweerster zwaar aan, maar zal bij het bepalen van de hoogte van de maatregel wel rekening houden met de persoonlijke omstandigheden in het leven van verweerster en het feit dat zij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Verder neemt de raad in aanmerking dat verweerster zelf heeft ingezien dat zij niet langer als advocaat kon functioneren en haar verantwoordelijkheid heeft genomen door zich begin 2025 uit te schrijven als advocaat.  Alles in aanmerking genomen komt de raad tot de conclusie dat de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden is.    

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht gegrond; -    legt aan verweerster de maatregel van berisping op; -    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.

Aldus beslist door mr. mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 23 maart 2026