Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:94

Zaaknummer

250315

Inhoudsindicatie

Klager klaagt over de informatievoorziening door zijn eigen advocaat. De raad van discipline heeft geoordeeld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klager niet schriftelijk te informeren over de termijn voor het instellen van hoger beroep. Ook heeft hij niet aan klager bevestigd dat hij geen hoger beroep zou instellen. Verweerder heeft klager daarmee de mogelijkheid ontnomen om eventueel een andere advocaat te zoeken voor het instellen van hoger beroep. De raad heeft verweerder de maatregel van een berisping opgelegd. Het Hof van Discipline vernietigt de beslissing van de raad voor zover het de opgelegde maatregel betreft en legt verweerder de maatregel van een waarschuwing op.Klager klaagt over de informatievoorziening door zijn eigen advocaat. De raad van discipline heeft geoordeeld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klager niet schriftelijk te informeren over de termijn voor het instellen van hoger beroep. Ook heeft hij niet aan klager bevestigd dat hij geen hoger beroep zou instellen. Verweerder heeft klager daarmee de mogelijkheid ontnomen om eventueel een andere advocaat te zoeken voor het instellen van hoger beroep. De raad heeft verweerder de maatregel van een berisping opgelegd. Het Hof van Discipline vernietigt de beslissing van de raad voor zover het de opgelegde maatregel betreft en legt verweerder de maatregel van een waarschuwing op.

Uitspraak

Beslissing van 3 april 2026 in de zaak 250315

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:

 

klager

tegen:

verweerder

gemachtigde: mr. dr. N.A.M.E.C. Fanoy, advocaat te Amsterdam

 

1    INLEIDING

1.1    Klager klaagt over de informatievoorziening door zijn eigen advocaat. De raad van discipline (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klager niet schriftelijk te informeren over de termijn voor het instellen van hoger beroep. Ook heeft hij niet aan klager bevestigd dat hij geen hoger beroep zou instellen. Verweerder heeft klager daarmee de mogelijkheid ontnomen om eventueel een andere advocaat te zoeken voor het instellen van hoger beroep. De raad heeft verweerder de maatregel van een berisping opgelegd. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) vernietigt de beslissing van de raad voor zover het de opgelegde maatregel betreft en legt verweerder de maatregel van een waarschuwing op.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom zowel klager als verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad in het ressort Den Haag heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-068/DH/RO) een beslissing genomen op 1 september 2025. In deze beslissing is de klacht van klager deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:181 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 14 september 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Het beroepschrift van verweerder is op 1 oktober 2025 ontvangen.

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    de verweerschriften van klager en verweerder.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 9 februari 2026. Daar is verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, verschenen. Klager is niet verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft het standpunt van verweerder toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1    Verweerder heeft, namens klager, bij de rechtbank een verzoek ingediend om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen met als doel vast te stellen dat de buurman van klager overlast veroorzaakt en de verhuurder onvoldoende doet om die overlast op te lossen. In de opdrachtbevestiging van 21 maart 2023 heeft verweerder onder meer het volgende vermeld:

“U heeft na vonnis drie maanden tijd om in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof.”

3.2    Op 15 augustus 2023 heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden voor de rechtbank Midden-Nederland. Na de zitting is de zaak besproken. Van dat gesprek heeft verweerder een notitie gemaakt waarin onder meer is vermeld:

“- cl gezegd -> gaat verliezen, nul bewijs gezegd, indien verliest, beroep mogelijk, 3 mnd, maar kansloos, nul bewijs cl -hoge kostenveroordeling gerechtshof Arnhem 2000-3000€ Hb alle kans -> als opnameapp of getuigen -> cl geen getuigen -vonnis +/- 4 weken -> laten zitten indien verlies” 

3.3    Op 16 augustus 2023 heeft klager verweerder bericht dat hij opname apparatuur had besteld.

3.4    Bij beschikking van 13 september 2023 heeft de kantonrechter klagers verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen afgewezen vanwege misbruik van bevoegdheid en hem veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de verhuurder.

3.5    Op 15 september 2023 heeft klager verweerder bericht dat mocht de uitspraak negatief uitvallen voor klager verweerder zo spoedig mogelijk een zaak tegen de buurman van klager moest starten.

3.6    Op 19 en 22 september 2023 heeft verweerder de beschikking van de kantonrechter naar klager gestuurd en daarbij aangegeven dat hij hem die week respectievelijk later zou bellen hierover.

3.7    Op 26 september 2023 heeft klager onder meer aan verweerder geschreven: 

“U zou mij nog bellen om te overleggen. Morgen ben ik niet thuis.”

3.8    Bij brief van 18 oktober 2023 heeft verweerder aan klager de originele stukken gestuurd en laten weten dat hij over zou gaan tot sluiting van het dossier.

3.9    Op 18 december 2023 heeft klager een e-mail aan verweerder gestuurd waarin onder meer staat: 

“Omdat (….) heb ik bij het Juridisch Loket geïnformeerd of ik daar nog iets tegenin kon brengen. Men vroeg of een Beroep mogelijk was. Dat is mijns inziens niet mogelijk. Toch verwees men mij naar u. De vraag is of er nog iets mogelijk is.”

3.10    Verweerder heeft daar diezelfde dag op gereageerd en aan klager laten weten dat hij een procedure tegen de buurman kon starten, zodra klager over genoeg bewijs zou beschikken.

3.11    Op 19 december 2023 hebben partijen elkaar telefonisch gesproken. Verweerder heeft een gespreksnotitie hiervan gemaakt waarin onder meer is vermeld:

“Besproken procedure tegen [buurman] proces tegen [verhuurder] kansloos 2x geprobeerd

-cl opname app (…) -ik: tv aanvragen nwe procedure”

3.12    Op 21 december 2023 heeft klager aan verweerder geschreven: 

“Op advies van het Juridisch Loket heb ik u weer benaderd. Na weer een nacht niet slapen kom ik terug op mijn verzoek aan u om een procedure tegen [buurman] te starten. Na de vorige rechtszaken heb ik niet de indruk dat u de persoon bent om dit te doen.”

3.13    Op 8 juli 2024 heeft klager per e-mail aan verweerder onder meer bericht:

“Vorige week was ik bij het Juridisch Loket. Dat omdat de manier waarop de hoorzitting, (…), is verlopen mij nog erg dwars zit. (…) Na ontvangst van de beslissing zou u mij bellen om te overleggen, dat is niet gebeurd. Ook stond er niets in de beslissing over wat ik zou kunnen doen als ik het er niet mee eens was.”

3.14     Verweerder heeft klager diezelfde dag bericht dat hij hem binnenkort zou bellen.

3.15     Op 10 juli 2024 heeft klager verweerder bericht: 

“Op 7 september heeft de Rechter een besluit genomen. Omdat het vakantietijd is en als er nog iets van hoger beroep mogelijk is, speelt de termijn van één jaar dan een rol? Het zou dan een zaak tegen de verhuurder moeten zijn.”

3.16     Op 17 juli 2024 heeft klager verweerder bericht dat hij hem niet heeft gebeld. Een dag later heeft klager de klacht tegen verweerder ingediend. Weer een dag later heeft verweerder per e-mail kort gereageerd op klagers e-mail van 8 juli 2024.

 

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

a) Verweerder zou klager na de beslissing van de kantonrechter bellen voor overleg. Dat is niet gebeurd. Klager wist niet of hij in beroep kon gaan en kon dat nergens terugvinden. Inmiddels heeft hij begrepen dat de termijn drie maanden is. Doordat verweerder klager niet heeft gebeld, is de mogelijkheid om in beroep te gaan is verstreken. b) Verweerder zou klager in reactie op zijn e-mail van 8 juli 2024 bellen, maar ook dat is niet gebeurd. Klager stelt dat verweerder terugmailde dat hij klager ‘een dezer dagen’ zou bellen, maar dat is niet gebeurd.

 

5    BEOORDELING RAAD

5.1    Verweerder heeft de beschikking van de kantonrechter van 13 september 2023, zonder inhoudelijke informatie, een ruime week later aan klager gestuurd, met de mededeling dat hij klager daarover nog zou bellen. Verweerder heeft aangevoerd dat dit wel is gebeurd, maar kan dit niet aantonen. Dat komt volgens de raad voor zijn rekening en risico, omdat het op verweerders weg lag om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan klager te bevestigen. Verweerder had klager schriftelijk moeten informeren over de termijn voor hoger beroep. Verweerder had daarnaast aan klager moeten bevestigen dat hij geen hoger beroep voor klager zou instellen, zodat klager de mogelijkheid had om daarvoor zo nodig een andere advocaat te zoeken. Dat heeft verweerder echter nagelaten en daarvan kan hem een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De raad heeft dit klachtonderdeel dan ook gegrond verklaard.

5.2    Het andere klachtonderdeel heeft de raad ongegrond verklaard. Verweerder zou klager, in reactie op klagers e-mail van 8 juli 2024, niet hebben gebeld. Het dossier was toen echter al gesloten en verweerder stond klager niet meer bij als advocaat. Van verweerder hoefde dan ook niet verwacht te worden dat hij aan elk verzoek direct gehoor zou geven.

5.3    Voor zover klager ook andere verwijten aan het adres van verweerder heeft geuit, heeft de raad vastgesteld dat deze pas in een laat stadium naar voren zijn gebracht en geen onderdeel uitmaken van de oorspronkelijke klacht. De raad heeft deze daarom buiten beschouwing gelaten.

5.4    De raad heeft verweerder vervolgens een berisping opgelegd omdat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klager niet schriftelijk te informeren over de termijn voor hoger beroep. Ook heeft verweerder klager niet bevestigd dat hij geen hoger beroep zou instellen omdat hij de zaak kansloos achtte. Verweerder heeft klager daarmee de mogelijkheid ontnomen om eventueel een andere advocaat te zoeken om hoger beroep in te stellen. Daarmee is sprake van een dubbele fout.

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1    Klager voert aan dat hij van verweerder de uitspraak zonder pagina 4 had ontvangen en dat verweerder op 19 en 22 september 2023 had toegezegd dat hij klager zou bellen over de uitspraak. Van 10 oktober tot en met 22 november 2023 was klager met vakantie en daardoor niet bereikbaar. Op 18 december 2023 heeft klager verweerder gemaild over de problemen die hij had in verband met de verklaringen van de verhuurder en of daar nog iets aan gedaan kon worden. Verweerder gaf een antwoord over een ander onderwerp (klagers buurman). Klager heeft verweerder vervolgens gemaild dat hij geen zaak tegen zijn buurman wilde starten. Op 8 juli 2024 heeft klager verweerder een e-mail gestuurd over het Juridisch Loket en zijn problemen met de verhuurder. Toen kreeg klager de mededeling dat verweerder bij een ander kantoor werkte. Klager heeft de e-mail doorgestuurd naar het nieuwe kantoor waarna verweerder dezelfde dag heeft aangegeven dat hij klager zou bellen. Op 10 juli 2024 heeft klager verweerder gemaild en gevraagd of hij een zaak tegen de verhuurder kon starten. Op 17 juli 2024 heeft klager verweerder opnieuw gemaild en gevraagd waarom hij niet had teruggebeld.  Klager verwijt verweerder dat hij na de uitspraak van de kantonrechter geen antwoord heeft gegeven op zijn vraag of er nog iets tegen de verhuurder ondernomen kon worden. 

Beroepsgronden verweerder

6.2    Verweerder kan zich niet verenigen met de gegrondverklaring van klachtonderdeel a) en de opgelegde berisping. Na de zitting bij de kantonrechter – die een kritische houding innam – hebben klager en verweerder gezamenlijk geconcludeerd dat klager geen beroep zou instellen indien hij in het ongelijk zou worden gesteld. Verweerder heeft klager toen wel gewezen op andere mogelijkheden, zoals het verzamelen van bewijs. Verweerder meent dat het feitenoverzicht als weergegeven in de beslissing van de raad op een aantal punten onjuist is en op een aantal punten te summier is weergegeven. Verweerder heeft de beschikking van de kantonrechter eerder naar klager gestuurd, verweerder heeft klager in zijn opdrachtbevestiging van 21 maart 2023 expliciet schriftelijk gewezen op de beroepstermijn van drie maanden en verweerder heeft klager ook direct na afloop van de zitting aangegeven dat hoger beroep kansloos leek. Ook hebben verweerder en klager andere mogelijkheden verkend om zelf bewijs tegen de buurman te verzamelen. Bovendien was het de wens van klager om bij afwijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor de focus te leggen op een procedure tegen de buurman. Volgens verweerder dient klachtonderdeel a) dan ook alsnog ongegrond te worden verklaard. Achteraf beschouwd ziet verweerder in dat het beter was geweest om zekerheidshalve ook na ontvangst van de beschikking van de kantonrechter klager (nogmaals) schriftelijk te wijzen op de appeltermijn en tevens schriftelijk te bevestigen dat geen appel zou worden ingesteld tegen de beschikking. Uit de reacties van klager heeft verweerder destijds afgeleid dat klager het door verweerder voorgestelde plan van aanpak begreep en daarmee instemde.  Verder verwijt klager verweerder niet dat verweerder niet aan klager heeft bevestigd dat hij geen hoger beroep zou instellen. De raad is met de formulering van dit verwijt buiten de klachtomschrijving getreden, zodat dit verwijt buiten beschouwing moet blijven. Voor zover het hof zou menen dat dit verwijt wel binnen de klachtomschrijving valt, wijst verweerder er nogmaals op dat hij wel degelijk meermaals met klager heeft besproken dat hij bij afwijzing van het verzoek tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor geen appel zou instellen. Klager had het starten van een zaak tegen de buurman voor ogen. Concrete aanwijzingen dat klager enige verwachting had dat verweerder appel zou instellen tegen de beschikking van de kantonrechter zijn door klager niet gesteld, noch aannemelijk gemaakt. Klager heeft evenmin gesteld dan wel aannemelijk gemaakt in welk opzicht hij in zijn belangen zou zijn geschaad doordat verweerder niet schriftelijk heeft bevestigd dat hij geen appel zou instellen. Verweerder meent dat hij op goede gronden heeft kunnen concluderen dat een appel kansloos was, gelet op (de onderbouwing van) de conclusie van de kantonrechter dat sprake was van misbruik van bevoegdheid en gelet op de omstandigheid dat – voor zover verweerder bekend – klager de door hem gestelde onrechtmatige overlast door de buurman nog steeds op geen enkele wijze aannemelijk had kunnen maken. Klager had in deze kwestie jarenlang honderden klachten en aangiftes ingediend bij diverse instanties. Uit de vele onderzoeken van gemeente, verhuurder en politie is voor zover verweerder bekend nooit enige aanwijzing gevonden voor de door klager gestelde overlast van de buurman. In de gegeven omstandigheden acht verweerder het onaannemelijk dat klager een andere advocaat bereid had kunnen vinden om appel in stellen. Mocht het hof het klachtonderdeel toch gegrond verklaren dan wijst verweerder erop dat hij een smetteloos tuchtrechtelijk verleden heeft en dat hij klager zo’n drie jaar lang naar eer en geweten steeds oprecht heeft geprobeerd te helpen, wat maakt dat een lichtere maatregel passender is. 

6.3    Klager en verweerder hebben gemotiveerd verweer gevoerd in de beroepen van elkaar. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van beide beroepen.

7    BEOORDELING HOF

Omvang beroep

7.1.    Partijen hebben over en weer beroep ingesteld, waardoor beide klachtonderdelen ter  beoordeling voorliggen bij het hof. Voor zover klager in beroep nieuwe verwijten tegen verweerder heeft geformuleerd, laat het hof deze buiten beschouwing. Het hof kan immers slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.

Toetsingsmaatstaf

7.2      Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld  in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

7.3    Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.

Ad klachtonderdeel a): nazorg na beschikking van de kantonrechter

7.4    Verweerder heeft erkend dat hij klager na de beslissing van de kantonrechter had moeten bellen voor overleg over het eventueel instellen van hoger beroep. Verweerder heeft weliswaar gespreksnotities overgelegd, waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat met klager is besproken dat het instellen van hoger beroep kansloos was vanwege gebrek aan bewijs, maar deze notities dateren van vóór de uitspraak. Dit terwijl de klacht juist ziet op het niet bellen van klager direct, althans kort nadat de beschikking was gegeven en opgestuurd aan klager. Voor zover de stelling van verweerder juist is dat direct na afloop van de zitting al duidelijk was dat er geen appel zou worden ingesteld, geldt dat verweerder dit schriftelijk had moeten vastleggen zodat klager dit had kunnen nalezen. In de opdrachtbevestiging is, los van de vraag of klager deze heeft ontvangen, weliswaar de termijn vermeld waarbinnen hoger beroep moest worden ingesteld, maar daarmee kan niet worden volstaan. Verweerder had klager dit na afloop van de zitting, althans na het geven van de beschikking (nogmaals) schriftelijk moeten laten weten, zodat voor klager duidelijk was wat zijn mogelijkheden waren. 

7.5    Het hof is evenwel van oordeel dat daarmee geen sprake is van een ‘dubbele fout’ zoals de raad heeft overwogen. Immers de klacht van klager houdt niet ook in dat hem door het niet bellen de mogelijkheid is ontnomen om een andere advocaat te raadplegen en eventueel hoger beroep in te stellen. 

7.6    Nu verweerder heeft nagelaten om na het ontvangen van de beschikking met klager te bespreken of wel of niet hoger beroep zou worden ingesteld, heeft hij tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de advocaat om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de vraag of er wel of niet hoger beroep wordt ingesteld. Dit maakt dat klachtonderdeel a) gegrond blijft.

Ad klachtonderdeel b): het contact in juli 2024

7.7    Ruim een half jaar nadat de advocaat-cliëntrelatie tussen partijen was beëindigd, heeft klager verweerder een e-mail gestuurd. In reactie daarop heeft verweerder laten weten dat hij hem zou bellen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verweerder heeft hiermee een verwachting gewekt bij klager. Het was beter geweest om gevolg te geven aan die belofte. Maar er bestond niet langer een advocaat-cliëntrelatie, zodat de gedraging van verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar kan worden geacht. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Slotsom

7.8    Klachtonderdeel a) blijft gegrond en klachtonderdeel b) ongegrond. 

 

8    MAATREGEL

De raad heeft klager een berisping opgelegd. Het hof zal de beslissing op dat punt vernietigen en verweerder de maatregel van een waarschuwing opleggen. De klacht is beperkt tot geen contact opnemen met klager over eventueel hoger beroep na de uitspraak. Verder laat het hof meewegen dat verweerder inzicht in zijn handelen heeft getoond en dat hij een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft. Een zakelijk terechtwijzing is dan op zijn plaats.

9    PROCESKOSTEN

Omdat het hof een lichtere maatregel aan verweerder oplegt, wordt géén proceskostenveroordeling opgelegd voor de procedure in beroep.  

 

10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1 vernietigt de beslissing van 1 september 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 25-068/DH/RO, voor zover het de opgelegde maatregel betreft;

en doet opnieuw recht:

10.2     legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op.

10.3     bekrachtigt de beslissing van de raad voor het overige. 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en M.J.J.M. van Roosmalen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 3 april 2026.