Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:73

Zaaknummer

25-790/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Van het bewust onjuist informeren van de rechters is niet gebleken. Geen schending gedragsregel 8. Verder geldt dat het toezicht op de naleving van de Wwft bij de deken berust. Aan klager komt geen klachtrecht toe ter zake van de gestelde schending van die wet- en regelgeving.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 23 maart 2026 in de zaak 25-790/A/A   naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 2 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 14 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2476798/EvR/AP van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 3 december 2025 nagezonden stukken.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager is gerechtigde van verschillende vennootschappen (die hierna, waar nodig, nader geduid worden) die in het verleden door de Fortis Bank N.V. (hierna: Fortis) werden gefinancierd. 2.3    Fortis is op enig moment met ABN AMRO Bank N.V (hierna: ABN) gefuseerd, waarbij Fortis de verdwijnende rechtspersoon en ABN de verkrijgende rechtspersoon was. Door deze fusie zijn vorderingen en rechten van hypotheek van Fortis overgegaan op ABN.  2.4    In 2017 en 2019 is de rechtsverhouding met een deel van de relaties van ABN afgesplitst aan een tweetal bedrijven, hierna te noemen SN en LN. Dat is door middel van een splitsingsvoorstel gegaan, dat bij de Kamer van Koophandel is gedeponeerd. In het splitsingsvoorstel is voor de af te splitsen vermogensbestanddelen verwezen naar een bijlage bij het splitsingsvoorstel (Bijlage C). In die bijlage is voor een nadere aanduiding van de vermogensbestanddelen die werden afgesplitst verwezen naar een Annex bij die bijlage (Annex 1). In Annex 1 waren de zogenoemde BCDB-nummers opgenomen van de relaties van ABN die aan SN respectievelijk LN werden afgesplitst.  2.5    In 2017 raakte klager in een geschil met een bedrijf, hierna te noemen: CIDAC, en met het eerder genoemde bedrijf SN. Deze bedrijven stelden zich op het standpunt dat SN en daarop volgend CIDAC vorderingen en hypotheekrechten hadden verkregen van de in 2009 opgerichte rechtsvoorganger van ABN op de management- en pensioenvennootschap van klager. SN en CIDAC werden vertegenwoordigd door (onder meer) verweerder. Klager betwist de rechtsverkrijgingen. De depotprocedure  2.6    In de depotprocedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, heeft SN/CIDAC uitbetaling gevorderd van een depot dat was gesteld ter vervanging van een door SN geclaimd hypotheekrecht.  2.7    De advocaat van klager had bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie de relevante splitsingsstukken overgelegd. Bij die stukken zat ook Annex 1 bij de bijlage bij het splitsingsvoorstel, derhalve de lijst met de BCDB-nummers van relaties wier rechtsverhouding was afgesplitst. Deze stukken, waaronder de lijst, had de advocaat van klager eerder van verweerder ontvangen.  2.8    Op 11 februari 2020 heeft comparitie van partijen plaatsgevonden. Voorafgaand hieraan heeft verweerder op 6 februari 2020 ook van zijn kant een Annex 1 in het geding gebracht. Ter toelichting gaf hij aan dat de door de advocaat van klager overgelegde lijst niet leesbaar was. In zijn begeleidende brief bij toezending van die lijst schreef verweerder dat het niet een nieuwe productie betrof, maar een beter leesbaar exemplaar van een reeds door de advocaat van klager overgelegde productie.  2.9    Na procedures in hoger beroep en cassatie, heeft de Hoge Raad de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Op 16 december 2024 heeft in de verwijzingszaak een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft verweerder spreekaantekeningen voorgedragen. Hierin staat het volgende:  “Herstel verschrijving 2.Voordat ik dat doe wil ik echter eerst een verschrijving in de processtukken herstellen. 3. De verschrijving heeft betrekking op de lijst met BCDB-nummers (Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel) dat [klager] en M(…) bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie (CvA/CvE) hebben overgelegd. 4.Omdat het door [klager] en M(…) overgelegde exemplaar van Annex I niet heel goed leesbaar was (althans, niet in het door [SN] en [CIDAC] ontvangen exemplaar van de CvA/CvE), heb ik, voorafgaand aan de comparitie van partijen, op 6 februari 2020 een beter leesbaar exemplaar van de lijst met BCDB-nummers naar de Rechtbank gezonden. 5.Bij de voorbereiding van dit pleidooi is mij gebleken dat de lijst die bij mijn brief van 6 februari 2020 (althans, bij het exemplaar van de brief dat ik in mijn dossier heb) was gevoegd niet Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel was, maar Annex I bij Bijlage 3 bij de cessieakte. Die twee lijsten zijn vrijwel gelijk - op beide lijsten staan 49 BCDB-nummers van 46 afgesplitste relaties van [ABN] -, maar het enige verschil is dat in Bijlage 3 bij Annex I bij de cessieakte naast het BCDB-nummer ook nog een Master CR Facility nummer en de naam van de afgesplitste relatie staat. 6.Voortbordurend daarop schreef ik onder randnummer 16 van de memorie van antwoord na verwijzing dan ook dat bij nummer 40 op Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel “BCDB-nummer 194766659 [de management- en pensioenvennootschap]” wordt vermeld. Dat laatste is echter niet juist. In Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel wordt, bij nummer 40, niet BCDB-nummer “194766659 [pensioenvennootschap]” vermeld, maar slechts BCDB-nummer “194766659”. 7.Voor de beslechting van dit geschil maakt dat naar mening van [SN] en [CIDAC] niet uit, omdat [klager] en (…) niet hebben betwist dat [de management- en pensioenvennootschap] BCDB-nummer 194766659 had. Het leek [SN] en [CIDAC] echter wel goed deze verschrijving te herstellen. De juiste Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel is door [klager] en (…) bij CvA/CvE als Productie 21 en bij hun memorie na verwijzing als Productie 1 overgelegd.” 2.10    Bij e-mail van 13 januari 2025 heeft de advocaat van klager aan verweerder geschreven:  “Naar ik heb begrepen heeft in december jl. in de verwijzingszaak een mondelinge behandeling plaatsgevonden en heeft u in uw spreekaantekeningen aangegeven dat in alle procedures tot dat moment onjuiste stukken zijn ingediend door uw cliënt. Ik begrijp dat de betwistte bijlage van de annex inderdaad niet de juiste is en dat u in de verwijzingszaak de gestelde juiste alsnog heeft overgelegd. Het verbaast mij dat u deze informatie niet met mij heeft gedeeld. Het speelt in 'onze' zaak bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch immers ook. Het verbaast mij nog meer dat u deze fout bij genoemd hof niet corrigeert en aldus bewerkstelligt dat het hof een uitspraak gaat doen op basis van erkend onjuiste informatie. Ik begrijp dat u in de verwijzingszaak heeft gesteld dat de verschillen niet veel uitmaken, dat is echter niet aan u om te beoordelen. Ik meen dat u deze informatie niet van mij en het hof had mogen onthouden. Graag verneem ik van u waarom u geen contact met mij heeft opgenomen en waarom u deze essentiële gegevens niet deelt met het hol.” 2.11     Verweerder heeft hierop bij e-mail van 17 januari 2025 als volgt gereageerd:  “U bent onjuist geïnformeerd. Om te beginnen heb ik niet in mijn spreekaantekeningen in de verwijzingsprocedure geschreven dat in alle procedures onjuiste stukken zijn ingediend. Wat ik in mijn spreekaantekeningen heb geschreven is dat, omdat Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel dat [klager] en M(…) [de echtgenote van klager] in de depotzaak hadden overgelegd niet goed leesbaar was, ik in die depotzaak, voorafgaand aan de comparitie van partijen van 11 februari 2020, een beter leesbaar exemplaar van Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel heb willen overleggen, maar dat ik er bij de voorbereiding van het pleidooi in de verwijzingsprocedure achter was gekomen dat de lijst die ik in de depotzaak, voorafgaand aan de comparitie van partijen, naar de Rechtbank had gezonden niet Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel was, maar Annex I bij Bijlage 3 bij de cessieakte (anders dan in Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel staan in Annex I bij Bijlage 3 bij de cessieakte de namen van de leningnemers achter de BCDB-nummers vermeld). Bijgaand treft u de relevante pagina's uit mijn spreekaantekeningen ten behoeve van het pleidooi van 16 december 2024 bij het Hof Arnhem-Leeuwarden in de verwijzingsprocedure aan (die u ongetwijfeld al lang bekend zijn, omdat [klager] daarbij aanwezig was). In de procedure waarin u mevrouw M(…)bijstaat (de procedure waarin zij de door [CIDAC] in het faillissement van [pensioenvennootschap] ingediende vordering betwist) is wel de juiste productie overgelegd, te weten het splitsingsvoorstel+ Bijlage C daarbij + Annex I bij Bijlage C. Bijgevoegd treft u die productie aan (anders dan in Annex I bij Bijlage 3 bij de cessieakte worden in die Annex de namen van de leningnemers niet bij de BCDB-nummers vermeld). Verder is het ook onjuist dat ik in de verwijzingsprocedure alsnog de juiste lijst heb overgelegd. Dat was ook niet nodig, omdat die in die procedure al door uw cliënte en [klager] was overgelegd (namelijk, als Productie 21 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie en als Productie 1 bij memorie na verwijzing). Onjuist is dus ook de stelling dat dit ook in ‘onze’ zaak bij het Hof Den Bosch zou spelen. Er is dus geen enkele reden het Hof Den Bosch hierover te berichten en het Hof Den Bosch zal dus ook geen uitspraak doen op grond van onjuiste informatie. Overigens is het - los van het bovenstaande - nog maar de vraag of een en ander enige invloed zal hebben op de nog te wijzen arresten; zowel in de renvooiprocedure bij het Hof Den Bosch (de procedure waarin u mevrouw M(…) bijstaat) als in de verwijzingszaak (de procedure waarin mr. S(…) [klager] en mevrouw M(…) bijstaat) lijkt het er immers op dat de Hoven in die zaken niet zullen toekomen aan de stelling van uw cliënte (en van [klager] en mevrouw M(…) in de depotzaak) dat de vermogensbestanddelen onvoldoende nauwkeurig in het splitsingsvoorstel zijn omschreven, omdat uw cliënte respectievelijk [klager] en mevrouw M(…) die stellingen in beide procedures te laat (in strijd met de twee-conclusie-regel) hebben ingenomen. Ik wijs u in dit verband ook op de conclusie van de A-G in de cassatie van de renvooiprocedure in het faillissement van H(…) B.V. Graag vertrouw ik erop uw vragen hiermee te hebben beantwoord.” De renvooiprocedure 2.12    In de renvooiprocedure inzake het faillissement van het bedrijf H bij de rechtbank Oost-Brabant is klager toegelaten als schuldeiser. Ook CIDAC had een vordering ingediend die klager ter verificatievergadering heeft betwist. Daarop heeft CIDAC een eis tot verificatie ingediend bij de Rechtbank Oost-Brabant.  2.13    In de renvooiprocedures inzake het faillissement van de management- en pensioenvennootschap bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft CIDAC een vordering ingediend, die klager heeft betwist. Dat leidde tot een verificatiegeschil. CIDAC heeft zijn eis op 29 december 2021 ingediend. 2.14    Klager diende op zijn beurt vorderingen in in de faillissementen, die CIDAC heeft betwist.  Beide zaken zijn in eerste aanleg behandeld door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Klager is verder als schuldeiser betrokken geweest in een procedure waarin ook LN betrokken was. Verweerder staat SN, LN en CIDAC bij.  2.15    Klager heeft in alle procedures de door CIDAC gestelde rechtsverkrijging betwist. Die discussies in de verschillende procedures mondden onder meer uit in de vraag of bij de afsplitsingen door ABN AMRO naar SN in 2017 en LN in 2019 wel of geen vorderingen (en accessoire rechten) op de management- en pensioenvennootschap en H zijn overgegaan.  2.16    Op 2 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:  a)    verweerder heeft de rechters en klager niet volledig en juist geïnformeerd in diverse rechtszaken tussen SN, LN en CIDAC enerzijds en klager en/of aan klager gelieerde vennootschappen anderzijds;   b)    verweerder heeft voorafgaand aan de behandeling van de zaken die hij voor SN, LN en CIDAC heeft behandeld geen Wwft-melding gedaan, terwijl sprake is van een schijnconstructie. 3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Maatstaf   5.1    De zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten verder te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.3    Gedragsregel 8 bepaalt dat een advocaat geen feiten mag stellen waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen. Klachtonderdeel a)  5.4    Voordat de raad toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen dient getoetst te worden of dit klachtonderdeel tijdig is ingediend. Een klacht over een advocaat moet namelijk worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn de beschikking krijgt over informatie (en daar ook niet eerder over kon beschikken) over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). 5.5    Klager klaagt erover dat verweerder op 6 februari 2020 een onjuiste lijst aan de rechtbank heeft toegezonden, ter vervanging van een eerder door klagers advocaat slecht leesbare lijst. Hoewel klager hierover pas op 2 maart 2025 een klacht heeft ingediend, is de raad van oordeel dat dit tijdig is gedaan. Daarvoor is van belang dat verweerder zelf heeft aangevoerd dat de betreffende lijsten vrijwel identiek waren en dat hij hierdoor abusievelijk een onjuiste lijst aan de rechtbank had gestuurd. Bij het indienen van de lijst heeft verweerder in zijn begeleidende brief geschreven dat het niet een nieuwe productie betrof, maar een beter leesbaar exemplaar van de reeds door de advocaat van klager overgelegde lijst. Onder deze omstandigheden hoefde van klager en zijn advocaat in redelijkheid niet te worden verwacht dat zij destijds constateerden dat de lijsten van elkaar afweken.  5.6    Klager heeft ter zitting gesteld dat hij op enig moment in een procedure bij de Hoge Raad erachter kwam dat verweerder een verkeerde lijst had overgelegd. De raad heeft echter niet kunnen vaststellen wanneer dat zou zijn geweest. Daarom gaat de raad ervan uit dat klager in ieder geval bekend is geworden met het feit dat verweerder voorafgaand aan de zitting in februari 2020 een verkeerde lijst had ingediend op het moment dat verweerder dit zelf tijdens de mondelinge behandeling op 16 december 2024 naar voren heeft gebracht. Nu klager vervolgens op 2 maart 2025 zijn klacht hierover heeft ingediend, is dat binnen de driejaarstermijn van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet gebeurd en is klachtonderdeel a) derhalve ontvankelijk. 5.7    Ten aanzien van de inhoud van dit klachtonderdeel overweegt de raad dat klager verweerder verwijt dat hij de rechters in de verschillende procedures niet volledig en onjuist heeft geïnformeerd. Dit verwijt treft naar het oordeel van de raad geen doel. Verweerder heeft onderbouwd aangevoerd dat hij in de depotprocedure enkel een beter leesbaar exemplaar van de reeds door de advocaat van klager overgelegde productie in het geding wilde brengen. Toen verweerder hier voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 16 december 2024 achter kwam, heeft hij dit in zijn spreekaantekeningen rechtgezet. Anders dan klager stelt, heeft de raad niet kunnen vaststellen dat verweerder deze fout destijds bewust heeft gemaakt om de rechters op het verkeerde been te zetten. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat het om een vergissing ging die te verklaren viel uit het feit dat de bijlagen vrijwel identiek zijn (het enige verschil is dat in de bijlage bij de cessieakte ook de namen van de debiteuren vermeld staan). Van het bewust verstrekken van onjuiste informatie - dat strijd met gedragsregel 8 oplevert - is naar het oordeel van de raad geen sprake.  5.8    Verder heeft verweerder gemotiveerd betwist dat hij de betreffende fout in alle procedures heeft gemaakt. Dat dit anders zou zijn, heeft de raad op grond van het klachtdossier niet kunnen vaststellen. Ook voor de stelling dat verweerder in de renvooiprocedures bewust bepaalde stukken over de splitsingen niet heeft overgelegd, biedt het klachtdossier onvoldoende grondslag. Verweerder heeft afdoende toegelicht dat hij niet alle bijlagen had overgelegd, maar slechts de volgens hem voor de beslechting van de rechtsvraag relevante bijlagen. De jaarrekeningen en jaarverslagen waren namelijk zeer omvangrijk en bovendien waren/zijn deze stukken volgens verweerder niet relevant voor de vraag of de rechtsverhouding met in dit geval de management- en pensioenvennootschap en H was overgegaan op SN respectievelijk LN. Naar het oordeel van de raad stond het verweerder vrij om ervoor te kiezen niet alle stukken integraal over te leggen en uit de door verweerder gemaakte keuze kan niet worden afgeleid dat verweerder bewust bepaalde stukken niet heeft overgelegd. Van klachtwaardig handelen is niet gebleken. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond.     Klachtonderdeel b)  5.9    Klager heeft toegelicht dat de overgang van de rechtsverhouding van een deel van de relaties van ABN naar SN en LN in 2017, en de daaropvolgende cessies van vorderingen van SN en LN aan CIDAC in 2019, volgens hem schijnhandelingen zijn geweest. Klager verwijst naar een door hem opgesteld rapport waarin dit is toegelicht. Volgens klager heeft verweerder daarbij als advocaat van SN, LN en CIDAC een leidende positie gehad en is hij daardoor deelgenoot van de schijnconstructie. De transacties in 2017 en 2019 zijn ongebruikelijke transacties die door verweerder gemeld hadden moeten worden op grond van de Wwft. Hij had de zaken voor SN, LN en CIDAC niet mogen aannemen. 5.10    De raad overweegt als volgt. Nog daargelaten de vraag of klager zijn klacht, gelet op het bepaalde in artikel 46g, lid 1, onder a, van de Advocatenwet tijdig - dat wil zeggen binnen drie jaar - heeft ingediend, geldt het volgende. Op grond van de Advocatenwet komt het recht om een klacht in te dienen uitsluitend toe aan de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen. Voor zover het in het algemeen belang is dat enig handelen of nalaten van een advocaat tuchtrechtelijk wordt beoordeeld, heeft de deken het recht om te klagen. Het toezicht op de naleving van de Wwft berust bij de deken. Aan klager komt in deze situatie geen klachtrecht toe ter zake van de gestelde schending van die wet- en regelgeving. Evenmin heeft klager een rechtstreeks belang bij de vraag welke zaken verweerder besluit al dan niet aan te nemen Klachtonderdeel b) is dan ook niet-ontvankelijk.

BESLISSING De raad van discipline verklaart: -    klachtonderdeel a) ongegrond; -    klachtonderdeel b) niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 23 maart 2026