Rechtspraak
Uitspraakdatum
30-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:84
Zaaknummer
25-798/AL/MN
Inhoudsindicatie
Raadbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Er is sprake van een optelsom van verwijten die raken aan de kernwaarde kwaliteit. Verweerder heeft zijn cliënte op meerdere momenten niet naar behoren bijgestaan door wisselende standpunten in te nemen, stelselmatig niet te reageren, geen actie te ondernemen en te proberen de schuld op anderen af te schuiven. Klacht in beide onderdelen gegrond. Voorwaardelijke schorsing van vier weken.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 30 maart 2026 in de zaak 25-798/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 30 april 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 18 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2490677/FB/SD van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Daarbij waren klaagster en haar partner aanwezig. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van 24 december 2025 met bijlage van verweerder.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een door haar ex-partner gestarte procedure tot wijziging van de kinderalimentatie.
2.2 Bij beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 1 november 2017 is de kinderalimentatie met ingang van 4 september 2017 verlaagd. In de beschikking is het volgende overwogen:
“(…) Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de bijdrage gewijzigd dient te worden met ingang van 4 september 2017. Al hetgeen tot die datum door de man is betaald, wordt geacht te zijn geconsumeerd en hoeft derhalve niet terugbetaald te worden. (…).”
2.3 Verweerder heeft op 7 november 2017 de advocaat van de wederpartij aangeschreven en de wederpartij gesommeerd over te gaan tot betaling van tot september 2017 te weinig betaalde alimentatie.
2.4 Verweerder heeft klaagster in zijn brief van 13 november 2017 meegedeeld dat volgens de wederpartij ter zitting was afgesproken dat geen achterstallige alimentatie hoefde te worden betaald, maar dat verweerder zich deze afspraak niet kan herinneren. Hij heeft hieraan toegevoegd dat de onder 2.2 vermelde passage in de beschikking alleen betrekking heeft op klaagster en dat zij daarom van de wederpartij kan verlangen dat hij de achterstallige alimentatie alsnog voldoet.
2.5 Omdat betaling uitbleef heeft verweerder per brief van 19 januari 2018 de deurwaarder ingeschakeld. Hij heeft geschreven dat klaagster uitvoering van de beschikking wenst ondanks de overweging daarin over de terugwerkende kracht. Hij heeft hierbij vermeld dat hij grote twijfels heeft over de gegrondheid van de gestelde achterstand en dat hij om die reden vraagt of er mogelijkheden zijn om zonder betalingsrisico voor klaagster te incasseren.
2.6 Klaagster heeft bij e-mail van 20 april 2018 verweerder gevraagd naar de stand van zaken over de incasso van de kinderalimentatie. Verweerder heeft hierop dezelfde dag geantwoord dat dergelijke zaken doorgaans lang duren en dat hij met het oog op de kosten niet tussentijds bij de deurwaarder zal informeren naar de stand van zaken.
2.7 Klaagster heeft in haar e-mails van 4 maart 2019, 24 mei 2019, 3 februari 2021, 19 juli 2023, 29 augustus 2023, 12 september 2023, 16 oktober 2023 en 14 december 2023 verweerder gevraagd naar de stand van zaken. Verweerder heeft alleen op 11 augustus 2023 hierop gereageerd met de vraag of het adres van de wederpartij nog klopt.
2.8 Naar aanleiding van het rappel van klaagster van 5 januari 2024, heeft verweerder bij e mail van 15 februari 2024 nadere informatie over de vordering opgevraagd, die klaagster hem op 17 februari 2024 heeft verstrekt.
2.9 Op 7 maart 2024 heeft verweerder een andere deurwaarder ingeschakeld.
2.10 Nadat klaagster bij verweerder diverse malen tevergeefs had geïnformeerd naar de stand van zaken, heeft zij contact opgenomen met de deurwaarder, die aangaf te wachten op inlichtingen van verweerder. Klaagster heeft verweerder hiervan dezelfde dag per e-mail op de hoogte gesteld.
2.11 Op 18 april 2025 heeft klaagster nogmaals geïnformeerd bij de deurwaarder. De deurwaarder heeft gezegd te wachten op het antwoord van verweerder op zijn vraag of de verjaring van de vordering tussentijds is gestuit.
2.12 Klaagster heeft op 22 april 2025 verweerder aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade wegens het niet stuiten van de verjaring.
2.13 Verweerder heeft op 28 april 2025 de aansprakelijkheid afgewezen, omdat de onder 2.2 vermelde overweging in de beschikking betekent dat de wederpartij niet meer hoefde te betalen dan hetgeen hij al betaald had. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat hij de aansprakelijkstelling terzijde legt, omdat klaagster geen vordering had op haar wederpartij.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) haar vordering tot betaling van achterstallige kinderalimentatie te laten verjaren, althans niet te stuiten.
Toelichting
Verweerder had klaagster gezegd dat de alimentatieachterstand invorderbaar is, terwijl hij in de brief van 19 januari 2018 aan de deurwaarder heeft geschreven dat hij daar twijfels over had. Klaagster weet niet wat de reactie van de deurwaarder hierop is geweest. Klaagster begrijpt niet waarom hij zijn kennelijke twijfels en het antwoord van de deurwaarder niet met haar heeft gedeeld. In reactie op de verzoeken om informatie van klaagster heeft verweerder alleen aangegeven dat hij vanwege de kosten geen tussentijdse informatie aan de deurwaarder zou vragen. Het is verder onbegrijpelijk voor klaagster dat verweerder in 2024 nogmaals de vordering uit handen heeft gegeven aan een andere deurwaarder, terwijl hij had moeten weten dat de vordering niet is gestuit en dus inmiddels was verjaard. Als klaagster had geweten dat verweerder twijfels had over het incasseren van de vordering, had zij beslist hoger beroep ingesteld tegen de beschikking. Verweerder heeft klaagster jarenlang geen dan wel misleidende informatie verstrekt, haar aan het lijntje gehouden en de verjaringstermijn laten verstrijken.
b) haar aansprakelijkstelling niet door te geleiden aan zijn verzekeraar.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht schriftelijk verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De raad stelt vast dat de klacht betrekking heeft op het optreden van de eigen advocaat. De klacht gaat over de kwaliteit van zijn dienstverlening. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Het optreden van verweerder zal aan de hand van deze maatstaf worden beoordeeld.
Klachtonderdeel a); vordering laten verjaren
5.2 Verweerder heeft het volgende verweer gevoerd. Gelet op de overweging in de beschikking van de rechtbank dat al hetgeen de ex-partner tot de wijziging van de alimentatie met ingang van 4 september 2017 heeft betaald niet terugbetaald hoeft te worden, had klaagster geen vordering boven hetgeen de ex-partner in de voorgaande periode had betaald. Van verjaring van een niet bestaande vordering is uiteraard geen sprake. Na het eindigen van de rechtsbijstand zijn geen afspraken gemaakt over eventueel verder te verlenen rechtsbijstand en die heeft verweerder ook niet verleend. Verweerder heeft niettemin over de beschikking een vraag voorgelegd aan een deurwaarder, maar klaagster weet dat hij daar geen antwoord op heeft ontvangen. Omdat verweerder door de nieuwe partner van klaagster werd opgejaagd om de vordering ter incasso aan een deurwaarder te sturen, heeft hij dit uit coulance in 2024 maar gedaan. Helaas hebben de nieuwe partner van klaagster en verweerder toen geen aandacht besteed aan de (beperkte) terugwerkende kracht van de vermindering van de alimentatie, zoals vermeld in de beschikking. De rechtbank had dit ook beter in het dictum kunnen opnemen.
5.3 Naar het oordeel van de raad kan in het midden blijven of de alimentatieachterstand al dan niet invorderbaar was, omdat vaststaat dat verweerder klaagster in zijn brief van 13 november 2017 heeft laten weten dat de achterstallige alimentatie invorderbaar was en hij ook daadwerkelijk de wederpartij heeft aangeschreven en vervolgens in januari 2018 de executie in gang heeft gezet door een deurwaarder te benaderen. Verweerder heeft weliswaar aan de deurwaarder geschreven dat hij zijn twijfels had over de opeisbaarheid, maar niet is gebleken dat hij een afschrift daarvan aan klaagster heeft gezonden of op een andere wijze met haar heeft gecommuniceerd. Integendeel, in antwoord op de vraag van klaagster naar de stand van zaken heeft hij haar in zijn e-mail van 20 april 2018 bericht dat dergelijke incassozaken nu eenmaal lang duren en dat hij met de deurwaarder in verband met de kosten had afgesproken niet tussentijds te zullen informeren. Klaagster mocht er dus op vertrouwen dat zij een vordering op haar ex-partner had en dat deze geïncasseerd zou worden. Verweerder heeft vervolgens jarenlang de e-mails van (de partner van) klaagster niet beantwoord en ook geen actie ondernomen richting de deurwaarder, waardoor de eventuele vordering op de ex-partner is verjaard. De tweede deurwaarder die verweerder in 2024 heeft ingeschakeld over de vordering heeft hem op deze verjaring moeten wijzen. Ook hierover heeft hij klaagster niet geïnformeerd. Nadat klaagster hem aansprakelijk had gesteld, heeft verweerder pas tegenover haar het standpunt ingenomen dat er nooit sprake is geweest van een vordering op haar ex-partner.
5.4 Concluderend is de raad van oordeel dat verweerder niet te werk is gegaan zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat betaamt. De kwaliteit van zijn dienstverlening is ver onder de maat geweest. Bovendien heeft de raad uit het schriftelijke verweer van verweerder de indruk gekregen dat hij zijn fouten probeert te verdoezelen en de partner van klaagster en de rechtbank (mede) verantwoordelijk houdt voor wat er mis is gegaan. Deze indruk heeft verweerder niet kunnen wegnemen, ook doordat hij niet ter zitting van de raad is verschenen en zich ook niet heeft laten vertegenwoordigen. Klachtonderdeel a) zal gegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel b); aansprakelijkstelling niet doorsturen naar zijn verzekeraar
5.5 Verweerder heeft aangevoerd dat hij een aansprakelijkstelling niet hoeft door te geven aan zijn verzekeraar als die naar zijn mening op niets is gebaseerd. De raad deelt dit standpunt niet. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline is het tuchtrechtelijk verwijtbaar als een advocaat een aansprakelijkstelling niet meldt bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, ongeacht of de aansprakelijkstelling al dan niet (naar zijn mening) kansloos is. Omdat verweerder, zelfs nadat de deken hem op deze verplichting heeft gewezen, is blijven weigeren de aansprakelijkstelling door te geven aan zijn verzekeraar, zal klachtonderdeel b) gegrond worden verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 Beide klachtonderdelen zijn gegrond. Naar het oordeel van de raad is sprake van een optelsom van verwijten die raken aan de kernwaarde kwaliteit. Verweerder heeft zijn cliënte op meerdere momenten niet naar behoren bijgestaan door wisselende standpunten in te nemen, stelselmatig niet te reageren, geen actie te ondernemen en te proberen de schuld op anderen af te schuiven. De raad acht dit ernstig verwijtbaar. Verder is uit de proceshouding van verweerder tijdens de klachtbehandeling door zowel de deken als de raad niet gebleken dat verweerder voldoende doordrongen is van de klachtwaardigheid van zijn handelen. Om deze redenen kan niet worden volstaan met de oplegging van een berisping. De raad acht de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden.
6.2 De raad ziet aanleiding om de inzagetermijn in het tableau, als bedoeld in artikel 8a lid 3 Advocatenwet, te verkorten tot twee jaar.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht geheel gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in beide onderdelen gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van vier weken op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.
- bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. P.Th. Mantel en E.M.G. Pouls, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 30 maart 2026
