Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:99

Zaaknummer

250151

Inhoudsindicatie

Gegronde klacht tegen de eigen advocaat over een ontoereikende dienstverlening en communicatie in een artikel 12 Sv procedure. Bekrachtiging met verbetering van gronden. Berisping.

Uitspraak

Beslissing van 3 april 2026 in de zaak 250151

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

 

 

1    INLEIDING

1.1    Verweerder heeft klager bijgestaan in een procedure op grond van artikel 12 Sv (Wetboek van Strafvordering). Klager verwijt verweerder een ontoereikende dienstverlening en communicatie. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft de klacht gegrond verklaard en verweerder de maatregel van een berisping opgelegd. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad met verbetering van de gronden. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline 2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-007/AL/OV) een beslissing gegeven op 31 maart 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:83 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline 2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 29 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2,4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van klager.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 februari 2026. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, verweerder aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

 

3    FEITEN

3.1     Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Klager is gescheiden. Klager en zijn ex-echtgenote zijn de ouders van drie kinderen.

3.3    Op 25 september 2019 heeft de zorgcoördinator op de middelbare school van de kinderen (hierna: de zorgcoördinator), namens de school een melding gedaan bij Veilig Thuis over de kinderen. Tijdens een hoorzitting op 23 november 2020 bij de klachtencommissie van de school is klager gebleken dat er twee versies zijn van de melding van de zorgcoördinator.

3.4    Klager heeft op 20 december 2021 aangifte gedaan tegen de zorgcoördinator wegens fraude en valsheid in geschrift bij de melding aan Veilig Thuis. Op 5 januari 2022 heeft de politie klager meegedeeld dat geen onderzoek naar zijn zaak zou worden gedaan. Daarop heeft klager de officier van justitie verzocht de politie opdracht te geven om alsnog onderzoek te doen. Op 9 februari 2022 heeft de officier van justitie klager meegedeeld dat hij niet aan dat verzoek zou voldoen omdat het een aangelegenheid betrof die vooral civielrechtelijk van aard is, dat klager civielrechtelijke middelen ter beschikking staan en een niet-strafrechtelijke oplossing beter zal passen.

3.5    Op 11 februari 2022 hebben klager en verweerder een overeenkomst van opdracht ondertekend. Volgens de “globale omschrijving van het probleem” zou verweerder klager bijstand verlenen bij “tuchtklachten tegen meerdere hulpverleners”. De wederpartijen zijn: Veilig Thuis en Jeugdbescherming.

3.6    Op 15 februari 2022 heeft klager aan verweerder geschreven:  

“(…) Zoals vanmiddag besproken zal ik je de stukken sturen van de aangifte tegen de voormalige school van mijn kinderen (…) en Veilig Thuis (…). Deze zaak is voor de officier heel makkelijk te onderzoeken, het enige wat zij moet doen is bij [de zorgcoördinator] de e-mail van de aanmelding van mijn drie kinderen bij Veilig Thuis (…) op te vragen uit haar verzonden items box op 25 september 2019. Met de originele aanmelding van 25 september 2019 hebben zij gelijk het bewijs in handen dat [school] en Veilig Thuis (…) de originele aanmelding van mijn drie kinderen bij Veilig Thuis (…) achteraf op diverse punten hebben aangepast, zodat de aanmelding wel rechtsgeldig zou zijn.  

Ik weet dat er weinig kans van slagen is dat beide instanties worden veroordeeld, maar nooit geschoten is altijd mis en ik vindt het niet kunnen dat dit soort instanties door het rechtsysteem het hoofd boven water wordt gehouden. Ik hoop dat jij er een sterke artikel 12 procedure van kan maken waarmee het Hof mogelijk overtuigd raakt van het belang dat het slopen van gezinnen door dit soort instanties gestopt moeten worden.”

3.7     Op 3 mei 2022 heeft klager aan verweerder geschreven:“Ik ben benieuwd hoe het met onderstaand verzoek op dit moment staat. De einddatum om een artikel 12 procedure te mogen starten is aankomende maandag. Ik verneem van u op korte termijn gaarne een reactie.”

Bij het bericht zijn de stukken gevoegd die klager eerder ook al naar verweerder had gestuurd.

3.8     Op 4 mei 2022 heeft verweerder aan klager een conceptbeklagschrift ex artikel 12 Sv gestuurd, met de vraag of er nog aanvullingen en correcties zijn. Op 5 mei 2022 heeft klager als volgt gereageerd:

“(…) Hier heb ik de volgende aanvullingen en correcties over: (…)

[De zorgcoördinator] van [school] heeft op 25 september 2019 een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis (…). Deze aanmelding is achteraf door [de zorgcoördinator], de heer G(...) directeur beide van [school] en de manager de heer A(…), mevrouw K(…) en mevrouw S(…) van Veilig Thuis (…) achteraf aangepast om de aanmelding in hun voordeel juridisch sluitend te maken.

Door bovenstaande personen zijn uit persoonlijke titel strafbare feiten gepleegd, ik weet niet in hoeverre de directie die hiervan vooraf door mij op de hoogte waren gesteld ook verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor eerder genoemde strafbare feiten? Graag hoor ik van jou wanneer aanvullende informatie gewenst is.”

3.9     Op 8 mei 2022 heeft verweerder het beklag ongewijzigd ingediend bij het gerechtshof. Het beklag is mondeling behandeld door het gerechtshof. Klager en verweerder waren daarbij aanwezig.

3.10     Op 31 januari 2023, na de mondelinge behandeling bij het gerechtshof, heeft verweerder zijn slotdeclaratie van € 1.786,54 aan klager gestuurd. Op 14 februari 2023 heeft verweerder klager een betalingsherinnering gestuurd.

3.11     Het gerechtshof heeft het beklag op 23 februari 2023 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het gerechtshof zijn door klager in zijn aangifte en in de beklagzaak geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aanknopingspunten bieden voor een verdenking van een door de zorgcoördinator gepleegd strafbaar feit. Voor zover sprake is van klachtwaardig handelen door de zorgcoördinator, doordat zij mogelijk niet de gebruikelijke meldcode heeft gevolgd dan betekent dat volgens het gerechtshof niet dat zij ook strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het gerechtshof heeft erop gewezen dat klager zijn klacht kan voorleggen via de daartoe geëigende weg van het tuchtrecht.

3.12     Op 7 maart 2023 heeft verweerder een eerste aanmaning naar klager gestuurd. Op 18 april 2023 heeft hij een laatste aanmaning gestuurd.

3.13     In de algemene voorwaarden die waren gepubliceerd op de website van verweerder stond dat op de dienstverlening de Klachten- en Geschillenregeling Advocatuur van toepassing was en dat dus een klacht kon worden ingediend bij de Geschillencommissie.

3.14     Op 22 april 2023 heeft klager per WhatsApp zijn ongenoegen geuit over de wijze waarop verweerder hem heeft bijgestaan. Klager schreef:

“Ik ben niet tevreden over uw optreden om mijn belangen te behartigen tijdens de zitting artikel 12 procedure bij het Hof in Leeuwarden. U heeft niet aangegeven dat in de aanmeldingen was gefraudeerd of moeder wel of niet op de hoogte was gebracht van de aanmelding bij Veilig Thuis. Dit was een cruciaal punt en is door justitie bewust in haar verweer niet benoemd, zodat het Hof dit niet heeft meegenomen in hun beslissing om een onderzoek te starten naar het handelen van [de zorgcoördinator] en Veilig Thuis. Hoe gaan we dit oplossen?”

3.15     Op de vraag van verweerder aan klager wat zijn voorstel was, heeft klager voorgesteld dat verweerder namens hem aangifte zou doen van fraude. Op 28 april 2023 heeft verweerder als volgt geantwoord:

Aangifte kan ik niet doen omdat de aangifte altijd persoonlijk moet worden gedaan.

Daarnaast ben ik het niet eens dat ik iets niet gedaan zou hebben waardoor je in je belangen zou zijn geschaad.

3.16     Op 29 april 2023 heeft verweerder aan klager geschreven:

“Zoals ik u al heb laten weten kan ik me niet vinden in uw visie dat ik een verweer niet gevoerd zou hebben. Los van de vraag of ik een kwalificatie mag gebruiken en of deze bijdraagt aan het winnen van de vraag, stel ik vast dat ik alles gedaan heb wat er mogelijk is. U bent een andere mening toegedaan. Dat realiseer ik me. Daarom stel ik voor om het dossier zo af te sluiten.  

De declaratie is inmiddels opgelopen tot 2.054,53 euro. Door een klacht in te dienen schort u de betalingsverplichting niet op. Daarom blijft dit bedrag oplopen. Ik vind dat niet wenselijk. Over en weer kunnen wij het volgende afspreken. Wij sluiten de zaak door een deel van de declaratie kwijt te schelden. Ik stel voor dat u 1.700,00 euro betaalt in plaats van 2.054,53 euro. Zodra u dit betaald hebt, zal ik u een creditfactuur van 354,53 euro mailen. Dit voorstel geldt tot en met 5 mei 2023 om 17.00 uur. Zodra ik het bedrag ontvangen heb, leid ik daaruit af dat u akkoord gaat met dit voorstel. Als ik binnen de gestelde termijn niets van u ontvang, dan vervalt dit voorstel en u kunt hier geen beroep meer op doen.  

Ik wil u erop wijzen dat de financiële kwesties niet aan de klachtencommissie (de Deken) kunnen worden voorgelegd. De Deken zal dus geen uitspraak doen over de hoogte van de declaratie. De Deken kan dus nooit een beslissing nemen over een financiële kwestie. Daarvoor dient u uiteindelijk een procedure bij de rechtbank op te starten. Dat is een kostbare procedure en ik weet niet of dat wenselijk voor u is.”

3.17     Op 1 mei 2023 heeft klager gereageerd op het voorstel van verweerder. In zijn reactie heeft klager onder meer geschreven dat verweerder in de artikel 12 Sv zaak de tegenstrijdigheid in de twee meldingen bij Veilig Thuis niet heeft benoemd, terwijl dat een absoluut wezenlijk punt was.

3.18     Op 2 mei 2023 heeft verweerder aan klager geschreven:

“Dat lijkt mij niet voldoende. Het is dan misschien goed dat ik de weg bewandel van de rechtbank en dat u een klacht indient. Ik geef namelijk niet een korting omdat ik fouten heb gemaakt, maar omdat ik tot een overeenstemming wil komen. Het voorstel van 1500 euro blijft nog tot en met morgen in stand. Als u betaalt, dan ontvangt u een creditnota en dan ga ik ervan uit dat wij over en weer de zaak afsluiten. Anders ga ik de volle declaratie moeten innen.”

3.19     Op 4 mei 2023 heeft klager voorgesteld om zijn klacht voor te leggen aan de Geschillencommissie. Verweerder heeft gereageerd met de mededeling dat hij niet is aangesloten bij de Geschillencommissie, dat geschillen over declaraties door de rechtbank worden beslecht en dat de klacht bij de deken kan worden ingediend.

3.20     Op 15 augustus 2023 heeft verweerder klager een “laatste kans” gestuurd tot het betalen van de einddeclaratie.

3.21     Op 21 augustus 2023 heeft klager onder meer aan verweerder verzocht om via de klachtfunctionaris tot een minnelijke oplossing te komen in de impasse die is ontstaan over de bijstand van verweerder en de declaratie.

3.22     Op 22 augustus 2023 heeft verweerder als volgt geantwoord:

“Ik heb u eerder laten weten dat ik bereid ben om akkoord te gaan met een deel van de declaratie maar niet voor 500 euro. U weet zelf dat niemand voor 500 naar Leeuwarden rijdt. Bovendien accepteer ik niet dat ik tekortgekomen zou zijn. Dat is uw stelling en moet nog wel worden aangetoond. Ik doe een laatste handreiking om dit dossier te sluiten: 1.250 euro betalen binnen drie dagen en dan sluiten wij over en weer het dossier. Ik stuur u een creditdeclaratie voor het resterende deel zodra de betaling binnen is.”

3.23     Op 23 augustus 2023 om 10.03 uur heeft klager verweerder laten weten dat hij van mening is dat verweerder nog altijd niet reageert op zijn bezwaren. Om 10.16 uur heeft verweerder het volgende aan klager geschreven:

“De klachtenfunctionaris gaat niet over de declaratieproblemen. Ik stel inderdaad vast dat wij niet uitkomen. Dan is het aan de rechter om hier een oplossing voor te vinden. Het heeft weinig zin om te blijven discussiëren. U kunt uiteraard een klacht indienen. De declaratie is geen grond voor een klacht bij de klachtfunctionaris of de Deken.”

3.24     Klager heeft dezelfde dag om 11.21 uur geantwoord dat het declaratiegeschil voortvloeit uit een tekortkoming in de dienstverlening van verweerder, maar dat verweerder dat niet schijnt te begrijpen.

3.25     Op 23 augustus 2023 heeft klager gesproken en gecorrespondeerd met de klachtfunctionaris van verweerder. Om 20.56 uur heeft klager geschreven:  

“Na aanleiding van ons telefonisch gesprek van vanmiddag wil ik u vragen om hetgeen wat u voorgesteld en besproken heeft mij per e-mail te doen toekomen, zodat ik het eerst even rustig kan nalezen. Tevens zal ik graag van u willen vernemen waar na uw oordeel een volledige klacht aan zou moeten voldoen en op welk punt(en) ik hierin tekortgeschoten lijkt te zijn.”

3.26     Op 31 augustus 2023 heeft de klachtfunctionaris aan klager geschreven:  

“Het is voor mij nog steeds onduidelijk waar uw klacht uit bestaat. U heeft het voorstel van [verweerder] via mij gehoord en ook begrepen. U heeft vandaag telefonisch aangegeven niet met het voorstel akkoord te gaan en heb van [verweerder] begrepen dat het voorstel daarmee niet meer van toepassing is. Mocht u willen dat ik u uw klacht behandel, dan verzoek ik u om uw klacht per mail te formuleren en uitgebreid te beschrijven waaruit uw ongenoegen bestaan.(...).”

3.27     Klager heeft daarop per e-mail van 5 september 2023 geantwoord en laten weten dat hij niet instemt met het voorstel en dat het zijn wens is dat zijn klacht tegen verweerder wordt beoordeeld.

3.28     Op 5 januari 2024 heeft verweerder bij de klachtfunctionaris en klager geïnformeerd naar de status van de klacht van klager tegen verweerder.

 

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

a)    Onvoldoende kwaliteit en onvoldoende voorbereiding van de artikel 12 Sv procedure Volgens klager heeft verweerder het gerechtshof in de artikel 12 Sv procedure niet laten weten dat de verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd. Door deze informatie, zonder overleg met klager, achterwege te laten had de procedure geen kans van slagen.

b)     Gebrekkige communicatie Verweerder heeft de aanvullingen van klager op het beklagschrift genegeerd en is niet ingegaan op de herhaaldelijke vragen van klager om inhoudelijk te reageren. Ondanks verzoek van klager is geen aparte opdrachtbevestiging voor de artikel 12 Sv procedure ontvangen.

c)     Onjuist informeren Op de website van verweerder staat dat hij is aangesloten bij de Geschillencommissie, maar verweerder heeft verzuimd om de kwestie naar de Geschillencommissie te verwijzen. Uiteindelijk is voor de behandeling van de klacht tegen verweerder de klachtfunctionaris ingeschakeld. Deze klacht is vervolgens, nadat het standpunt van klager door de klachtfunctionaris naar verweerder is gestuurd, blijven liggen. Verweerder heeft verzuimd om adequaat te reageren op de bezwaren van klager.

 

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft de klachtonderdelen gezamenlijk besproken en het volgende overwogen.

5.2    Vast staat dat verweerder klager bijstand zou verlenen in een artikel 12 Sv procedure tegen de zorgcoördinator, maar dat heeft verweerder niet schriftelijk aan klager bevestigd. Ook ontbreekt een schriftelijke analyse van de zaak, advisering over de goede en kwade kansen ervan en een inschatting van de met de procedure samenhangende kosten. Verweerder heeft gesteld dat hij klager mondeling heeft gewezen op de volgens hem zeer geringe kans van slagen van de artikel 12 Sv procedure, maar dat is onvoldoende. De stelling van verweerder dat klager wist dat de procedure een zeer geringe kans van slagen had – wat er ook zij van deze stelling – doet niet af aan de verplichting van verweerder om belangrijke informatie schriftelijk vast te leggen, ter voorkoming van onduidelijkheid. Verweerder is tekortgeschoten in de schriftelijke voorlichting van klager. De klacht is in zoverre gegrond.

5.3    Na een rappel van klager en kort voor het verstrijken van de termijn voor het instellen van een artikel 12 Sv procedure heeft verweerder een beklagschrift opgesteld en dat in concept voorgelegd aan klager. Verweerder heeft de reactie van klager met aanvullingen en opmerkingen genegeerd. Hij heeft diens opmerkingen en aanvullingen niet verwerkt in het beklagschrift en hij heeft klager ook niet uitgelegd waarom hij dat niet heeft gedaan. Ook hier is verweerder tekortgeschoten in de communicatie.

5.4    Het beklagschrift was onvoldoende van kwaliteit. Het stuk is zeer summier. Er staat slechts in dat de zorgcoördinator een zorgmelding heeft gedaan en dat deze is gebaseerd op valsheid in geschrift. Een toelichting ontbreekt en ook wordt met geen woord gerept over de twee versies van de melding van de zorgcoördinator. Deze twee versies van de melding zijn ook niet overgelegd bij het beklagschrift, terwijl deze stukken toch de kern van de kwestie vormen. In het beklagschrift wordt ook niet uitgelegd waarom klager meent dat ten onrechte geen onderzoek en geen vervolging heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft aangevoerd dat hij het gerechtshof wel heeft geïnformeerd over de twee versies en dat het bestaan daarvan door het gerechtshof en de officier van justitie ook is erkend. Daargelaten dat de raad de juistheid van deze stelling niet kan vaststellen, omdat de raad niet beschikt over het artikel 12 Sv dossier, verontschuldigt deze stelling verweerder niet. Het ligt op de weg van een advocaat om de kern van de zaak in de procesinleiding zo volledig mogelijk te presenteren, wat verweerder heeft nagelaten. Op de zitting bij de raad is verder vast komen te staan dat verweerder ter zitting gebruik heeft gemaakt van pleitaantekeningen. Klager heeft onweersproken gesteld dat de pleitaantekeningen voor de zitting bij het gerechtshof niet met hem zijn besproken. Verweerder heeft de pleitaantekeningen ook niet aan klager verstrekt tijdens of na de zitting bij het gerechtshof. De bijstand van verweerder in de artikel 12 Sv procedure was kwalitatief ondermaats.

5.5    Verweerder is ook tekortgeschoten toen klager uiting gaf aan zijn terechte en begrijpelijke onvrede over de door verweerder verleende bijstand. Verweerder heeft klager, via zijn website, onjuist geïnformeerd over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Geschillencommissie. Deze fout is op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, maar vormt wel onderdeel van de onzorgvuldige wijze waarop verweerder is omgesprongen met de bezwaren van klager. Verweerder heeft op 29 april 2023 weliswaar gereageerd op het ongenoegen van klager en hij heeft klager ook een betalingsvoorstel gedaan, maar het voorstel van klager van 4 mei 2023 om de kwestie voor te leggen aan de geschillencommissie heeft verweerder genegeerd. Het was klager die maanden later, op 21 augustus 2023, voorstelde om de kwestie voor te leggen aan de klachtfunctionaris. Pas daarna is contact tot stand gekomen tussen klager en de klachtfunctionaris van verweerder. De klacht is vervolgens niet voortvarend behandeld door de klachtfunctionaris, wat in eerste instantie onder diens verantwoordelijkheid valt. Dit neemt niet weg dat het ook op de weg van verweerder lag om de klachtfunctionaris tot voortvarendheid te manen. Het was immers nog altijd de verantwoordelijkheid van verweerder om te zoeken naar een oplossing die voor zowel klager als voor hemzelf acceptabel was. Ook daarmee is verweerder in relatie tot klager tekortgeschoten. 

 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1    Verweerder heeft de navolgende beroepsgronden aangevoerd:

1.    Verweerder doet een beroep op niet-ontvankelijkheid van klager, omdat de klacht pas op 30 april 2024 bij de deken is ingediend, terwijl klagers ongenoegen over de verleende diensten al in april 2023 kenbaar was gemaakt. Ook is de klacht gebruikt als drukmiddel in een declaratiegeschil, wat misbruik van klachtrecht oplevert.

2.    Ten onrechte heeft de raad overwogen dat de bijstand van verweerder in de artikel 12 Sv procedure zaak ondermaats is geweest.  -    Verweerder heeft de kansen en risico’s van de procedure expliciet besproken met klager. Dat de opdracht en de risico’s door verweerder niet schriftelijk zijn vastgelegd, doet er niet aan af dat klager volledig en transparant is geïnformeerd, zoals blijkt uit de van klager afkomstige correspondentie. De mondeling gegeven informatie is in dit geval voldoende. -    Het beklag is tijdig in concept voorgelegd aan klager en tijdig ingediend. De aanvullingen van klager waren niet juridisch relevant en verweerder heeft bewust gekozen om de term ‘fraude’ niet te gebruiken. Het is aan verweerders aandacht ontsnapt om klager te informeren over het niet overnemen van zijn opmerkingen. Dat had beter gekund. -    Het beklagschrift voldeed aan de minimale eisen en bevatte de kern van de zaak. Het was bondig, maar to the point. Er is ondubbelzinnig gesteld dat de zorgcoördinator een valse melding heeft gedaan. De raad heeft niet aangegeven wat er in zijn ogen aan ontbrak. De twee versies van de melding zijn bij de mondelinge behandeling aan de orde gesteld. Dat gegeven is door het gerechtshof meegewogen in de beschikking. De raad had niet mogen oordelen zonder de beschikking te hebben gelezen. Er waren geen aanvullende stukken om in te dienen. Het dossier van het Openbaar Ministerie (OM) bevatte al alle stukken. De uitkomst van de artikel 12 Sv procedure is niet de uitkomst van enig verzuim van verweerder. Verweerder heeft geen informatie achtergehouden.  -    Verweerder heeft de pleitnota met klager besproken. Klager heeft alleen geen fysiek exemplaar ontvangen, omdat de pleitnota digitaal in verweerders computer was opgeslagen. Verweerder is niet tekortgeschoten in de procesvoering. 

3.    Ten onrechte heeft de raad overwogen dat de communicatie van verweerder met klager tijdens en na de behandeling van de opdracht onvoldoende is geweest. -    Verweerder heeft klager steeds te woord gestaan en van advies gediend, ook al is niet alles schriftelijk vastgelegd.  -    Toen klager niet tevreden was, is verweerder met hem in gesprek gegaan over een oplossing. Verweerder heeft naar beste vermogen getracht klager tegemoet te komen.  -    De klachtfunctionaris heeft klager gevraagd zijn klacht schriftelijk te formuleren, maar klager heeft dat niet gedaan. Onbegrijpelijk is dat de raad oordeelt dat verweerder hier verwijtbaar heeft gehandeld door niet voortvarender op te treden.  -    De algemene voorwaarden van verweerder waren niet geactualiseerd nadat verweerder niet langer bij de Geschillencommissie was aangesloten. Verweerder heeft klager direct geïnformeerd dat hij voor de declaratie naar de civiele rechter moest. Klager is niet in enig belang geschaad doordat de verwijzing nog in de algemene voorwaarden stond. 

4.    Verweerder heeft met klager een goed gesprek gevoerd op 19 maart 2025, waarin beide partijen hun visie op het geschil hebben uiteengezet. Verweerder meent niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld. De kleine onvolkomenheden bij de behandeling van de zaak rechtvaardigen geen disciplinaire maatregel, althans een minder zware maatregel dan een berisping. 

Verweer klager 6.2    Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf 7.1    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Overwegingen hof 7.2    Het beroep van verweerder slaagt, voor zover het betrekking heeft op de beoordeling door de raad van het door verweerder ingediende beklagschrift in de artikel 12 Sv procedure. Het beklagschrift was inderdaad bijzonder summier, zoals de raad heeft overwogen, maar het bevatte wel de kern van de zaak. Een verwijzing naar de twee versies van de melding van de zorgcoördinator (en een toelichting daarop) had zeker niet misstaan, maar was strikt genomen ook niet noodzakelijk. De aangifte van klager was immers juist gebaseerd op die twee versies en zowel de aangifte van klager als beide versies van de melding bevonden zich in het dossier van het OM. Het gerechtshof is in de beschikking van 23 februari 2023 ook inhoudelijk ingegaan op de aangifte van klager en het feit dat er twee versies van de melding bleken te bestaan. In die zin voldoet het beklagschrift, anders dan de raad heeft overwogen, (net) aan de minimale vereisten. Het voorgaande brengt evenwel niet mee dat de beslissing van de raad moet worden vernietigd, zoals het hof hierna overweegt. 

7.3    De overige beroepsgronden van verweerder falen namelijk. De klacht is ingediend binnen de in artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet genoemde termijn van drie jaar en daarom ontvankelijk. Dat verweerder klager mogelijk mondeling wel iets heeft gemeld over een geringe kans van slagen van de procedure (wat zou moeten blijken uit de e-mail van klager, die in 3.6 is geciteerd), doet er niet aan af dat de beroepsregels nu eenmaal met zich meebrengen dat een advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt moet bevestigen (zie ook gedragsregel 16 lid 1). Het ontbreken van een concrete opdrachtbevestiging met een inschatting van de kosten en (bevestiging van) de risico’s van de procedure valt verweerder tuchtrechtelijk aan te rekenen. Ook met betrekking tot hetgeen verweerder verder nog heeft aangevoerd, ziet het hof op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de raad. 

7.4    Het feit dat het beklagschrift van verweerder (net) de toets der kritiek kan doorstaan, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de overige door de raad vastgestelde tekortkomingen in de bijstand van verweerder. Vooral in de communicatie met en informatievoorziening aan klager is verweerster ernstig tekortgeschoten, onder meer door geheel niet te reageren op de aanvullingen van klager op het beklagschrift en klager geen afschrift van zijn pleitnota te verstrekken. Het hof ziet daarom geen ook reden om de door de raad opgelegde maatregel te matigen. 

Slotsom 7.5    Het voorgaande betekent dat het hof de beslissing van de raad, zij het met verbetering van de gronden, zal bekrachtigen. 

 

8    PROCESKOSTEN

8.1    Omdat het hof een maatregel bekrachtigt zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                    a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);  b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; c) € 1.000,- kosten van de Staat.

8.2    Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

8.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

 

9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1    bekrachtigt - met verbetering van de gronden - de beslissing van 31 maart 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-007/AL/OV;

9.2     veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald; 9.3     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. K. van Dijk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 3 april 2026.