Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:72

Zaaknummer

26-056/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de kwaliteit van dienstverlening. Dat verweerster volgens klaagster een te lage inschatting heeft gegeven van de strafmaat of over de toepassing van TBS rechtvaardigt niet de conclusie dat verweerster verwijtbaar heeft gehandeld. Het behoort tot de professionele autonomie van verweerster om de zaak naar eigen inzicht te behandelen en een – naar haar vakinhoudelijk oordeel – realistische inschatting te geven van de zaak. Niet gebleken is dat verweerster daarmee het geweldsmisdrijf heeft gebagatelliseerd of klaagsters zaak niet serieus heeft genomen.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 23 maart 2026 in de zaak 26-056/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 21 januari 2026 met kenmerk 2496734/JS/FS, door de raad ontvangen op 21 januari 2026 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klaagster is het slachtoffer van een geweldsmisdrijf. Zij werd eerst bijgestaan door een andere advocaat, maar heeft zich op 23 april 2025 voor bijstand gewend tot verweerster. Op 28 april 2025 heeft een intakegesprek plaatsgevonden bij verweerster op kantoor. 1.2    Naar aanleiding van het gesprek heeft klaagster verweerster bij e-mail van 29 april 2025 (9:33 uur) het volgende geschreven:  “Dank voor de tijd die u voor mijn zaak heeft genomen.  Gisteren na ons gesprek, merkte ik dat ik iets als heel moeilijk heb ervaren.  Er moet mij daarom iets van het hart. Ik vond het heel moeilijk dat u gisteren sprak over erg lichte straffen zoals maximaal 10 maanden of 2 jaar, en dat dat al veel zou zijn.  Helaas werkt dit heel erg ontmoedigend, en maakt het mij echt extreem onzeker over mijn zaak. Het is een zeer ernstige zaak met strafverzwarende omstandigheden (poging tot doodslag, vrijheidsberoving, zware bedreiging, ernstig letsel, geen enkele rem bij verdachte, middelenmisbruik, e.d.)  Ontmoediging werkt voor mij echt niet goed. Ik heb als slachtoffer van een zeer ernstig geweldsmisdrijf waarbij mijn leven langdurig en ernstig in gevaar was, juist behoefte aan erkenning van de gigantische en blijvende gevolgen voor mij.  Helaas heb ik er gisteravond heel erg mee gezeten en ik was erg verdrietig.  Ik weet dat er onzekerheden zijn, maar dit voelt voor mij te ontmoedigend, en dan voel ik niet dat mijn leed voldoende erkend wordt. Ik hoop dat u mij hierin niet verder ontmoedigt.  Ik was gisteren tijdens het gesprek erg geschrokken, en niet in staat om dit meteen te benoemen.  Ik kies er daarom voor om verder te gaan met een andere advocaat. (…)” 1.3    Verweerster heeft klaagster bij e-mail van 29 april 2025 (om 9:45 uur) geantwoord, als volgt:  “Ik vind het erg vervelend om te lezen dat u ons gesprek als heel moeilijk ervaren heeft. Ik heb geprobeerd een realistische inschatting te maken maar heb u niet willen kwetsen of van streek willen maken.  Uiteraard heb ik begrip voor uw beslissing. Ik zal deze zaak dan ook sluiten en geen werkzaamheden meer voor u verrichten. Ik wens u veel sterkte toe bij het vinden van een nieuwe advocaat.” 1.4    Klaagster heeft hierop bij e-mail van 11 mei 2025 als volgt gereageerd:  “Ik heb u in mijn vorige mail expliciet gevraagd om mij niet nogmaals te ontmoedigen. Toch doet u dat in uw antwoord weer, door te spreken over een 'realistische schatting', waarmee de moed weer in mijn schoenen zakte!! Ik vind het uitermate vervelend en kwetsend dat u mijn duidelijk gestelde grens niet heeft gerespecteerd. Ik heb de richtlijnen opgezocht voor straffen bij poging tot doodslag met wurging, (en bij mij is er nog veel méér geweld gebruikt dan wurging alleen) en die richtlijn spreekt over aanzienlijk forsere straffen dan de max. 2 jaar celstraf waar u over sprak. Bovendien is dat nog zònder strafverzwarende feiten (zwaar middelenmisbruik, recidive, vrijheidsberoving) die óók in mijn zaak aan de orde waren. Inmiddels is door meerdere andere advocaten bevestigd dat de schatting van u aanzienlijk laag ligt, en niet in verhouding tot mijn zaak. U noemde de kans op TBS zeer klein. Terwijl ik inmiddels heb begrepen dat er een dubbel rapportage loopt en de kans op TBS aanwezig/ reëel is. U heeft mij hiermee erg ontmoedigd, en mijn zaak gebagatelliseerd, waardoor ik me helaas klein gemaakt voelde. Dit leidt tot secundaire victimisatie! Ik ben er sindsdien erg door van slag. Ik verzoek u nadrukkelijk geen contact meer met mij op te nemen, gezien elk contact met u mij steeds erg van slag heeft gebracht. Ik weet niet waarom u het nodig vindt om mij zo te ontmoedigen, maar ik heb het als kwetsend ervaren. Ik vertrouw erop dat u mijn grens ditmaal wèl respecteert. Als slachtoffer van een zeer ernstig geweldsmisdrijf, heb ik steun nodig, geen ontmoediging of bagatellisering.” 1.5    Op 5 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster dat zij haar zaak heeft gebagatelliseerd. Verweerster heeft een veel te lage inschatting gegeven van de straffen die aan verdachten van geweldsmisdrijven zouden kunnen worden opgelegd. Klaagster voelt zich hierdoor gekwetst, gekleineerd en niet serieus genomen.  

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes - zoals over het procesrisico en kostenrisico - waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  4.2    Klaagster heeft ter toelichting op haar klacht het volgende naar voren gebracht. Zij is het slachtoffer geworden van een zeer ernstig geweldsmisdrijf (poging tot doodslag, zware mishandeling, zware bedreiging, poging tot verkrachting en vrijheidsberoving). Tijdens het intakegesprek heeft verweerster een inschatting gegeven over de straf die waarschijnlijk zou worden opgelegd. Volgens verweerster zou twee jaar celstraf al veel zijn als de verdachte veroordeeld zou worden voor poging tot doodslag. Als zware mishandeling zou worden aangenomen zou de strafmaat waarschijnlijk maximaal 10 maanden worden. Klaagster heeft echter de richtlijnen voor poging tot doodslag opgezocht en twee jaar celstraf valt ver onder die richtlijnen. In de zaak van klaagster spelen bovendien strafverzwarende factoren, zoals recidive, zwaar middelenmisbruik en urenlang geweld zonder rem. Ook zei verweerster dat TBS heel onwaarschijnlijk zou zijn, terwijl er momenteel wel een onderzoek loopt naar TBS. De inschattingen van verweerster waren zeer ontmoedigend en zeer kwetsend voor klaagster en gaven haar het gevoel dat haar zaak werd gebagatelliseerd. Klaagster voelde zich hierdoor gekleineerd en niet serieus genomen.  4.3    De voorzitter is op grond van het klachtdossier van oordeel dat verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van haar bijstand aan klaagster in de intakefase. Het behoort tot de taak van een advocaat om de risico’s in een zaak duidelijk onder de aandacht van de cliënt te brengen en om aan verwachtingsmanagement te doen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster een inschatting heeft gegeven op grond van de informatie die zij op dat moment van klaagster had verkregen. Verweerster heeft toegelicht dat zij geen valse verwachtingen heeft willen wekken over hoge straffen en hoge schadevergoedingen, maar heeft geprobeerd een realistisch beeld te schetsen gebaseerd op datgene wat klaagster haar had verteld en haar ervaring als slachtoffer- en strafrechtadvocaat. Het feit dat verweerster volgens klaagster een te lage inschatting heeft gegeven van de strafmaat of over de toepassing van TBS rechtvaardigt niet de conclusie dat verweerster verwijtbaar heeft gehandeld. Het behoort tot de professionele autonomie van verweerster om de zaak naar eigen inzicht te behandelen en een – naar haar vakinhoudelijk oordeel – realistische inschatting te geven van de zaak. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster daarmee het geweldsmisdrijf heeft gebagatelliseerd of klaagsters zaak niet serieus heeft genomen. Die conclusie kan evenmin volgen uit verweersters e-mail van na het intakegesprek. De klacht is dan ook kennelijk ongegrond. 

BESLISSING De voorzitter verklaart:  -    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026. 

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 23 maart 2026