Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

30-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:83

Zaaknummer

25-745/AL/OV

Inhoudsindicatie

Raadbeslissing. Klacht van een toegevoegd notaris, de notaris onder wiens verantwoordelijkheid zij viel en het notariskantoor waarvoor zij werkte. Een advocaat mag de geheimhoudingsplicht van een notaris niet doorbreken in een civiele procedure door een stuk in te brengen waarin is vermeld wat ten overstaan van een notaris is besproken. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. Dit betekent niet dat deze regel een advocaat de absolute vrijheid geeft om alle informatie waarover zijn cliënt kan beschikking in een procedure over te leggen. Het algemene maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk tot een professioneel verschoningsgerechtigde, zoals de notaris, moet kunnen wenden zonder de vrees dat de informatie die in deze bijzondere vertrouwensrelatie wordt uitgewisseld, bij anderen terechtkomt dient te prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding in het civiele recht en de kernwaarde partijdigheid. Klacht gegrond. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 30 maart 2026 in de zaak 25-745/AL/OV naar aanleiding van de klacht van:

 

1.    klaagster

2.    klager

3.    

vertegenwoordigd door klager 2klager

tezamen ook: klagers

gemachtigde klagers: mr. R. Sanders

over

verweerder gemachtigde: mr. M. Boender-Radder

 

 

1    INLEIDING

1.1    Klagers verwijten verweerder dat hij in een civielrechtelijke procedure een transcript van een gesprek tussen de toegevoegd notaris en haar cliënt in het geding heeft gebracht terwijl hij wist dat dit gesprek heimelijk was opgenomen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van al dan niet onrechtmatig verkregen bewijs in een civiele procedure geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert.  

1.2    De raad zal eerst het verloop van de procedure, de feiten waarop deze beslissing is gebaseerd, en de klacht op een rij zetten. Daarna zal de raad een oordeel geven over de klacht.

 

2    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

2.1    Op 25 november 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

2.2    Op 30 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2390746 van de deken ontvangen. 

2.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Daarbij waren klagers 2 en 3, vergezeld door hun gemachtigde, en verweerder, vergezeld door zijn gemachtigde, aanwezig. Klaagster 1 is met kennisgeving niet verschenen. Van de behandeling is proces verbaal opgemaakt.

2.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de brief met bijlagen van verweerder van 27 november 2025.

 

3    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

3.1    Verweerder staat een zoon, H. en een dochter, R. van de heer Van H. (verder: vader) bij in een geschil met hun zus A. 

3.2    Op 6 september 2022 heeft vader een gesprek gevoerd met klaagster 1., destijds werkzaam als toegevoegd notaris in het protocol van klager 2.

3.3    Namens zoon H. en dochter R. heeft verweerder op 14 september 2022 bij de rechtbank Gelderland een verzoek tot ondercuratelestelling van vader ingediend. In het verzoekschrift tot ondercuratelestelling is onder meer het volgende vermeld:

“Tijdens een bezoek van vader met [adviseur A.] aan een notaris op 6 september jl., heeft vader per ongeluk met [dochter R.] gebeld middels een broekzakgesprek. Dit gesprek heeft uiteindelijk twee uur en 21 minuten geduurd. Tijdens de opname wordt gesproken over het wijzigen van het testament van vader, het opstellen van een levenstestament en er blijkt dat [adviseur A.], [partner A.] en [dochter A.] op vader inpraten. [dochter R.] heeft dit gesprek opgenomen en getranscribeerd. Dit letterlijke gesprek wordt hierbij als productie 6 overgelegd.”  

3.4    De kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft de zaak behandeld op de zitting van 22 november 2022. Tijdens deze zitting heeft verweerder een transcript van onder meer het gesprek tussen vader en klaagster ingebracht.

3.5    Op 3 maart 2023 heeft de kantonrechter het verzoek tot ondercuratelestelling afgewezen. In het vonnis is niet verwezen naar (het gebruik van) het transcript. De cliënten van verweerder zijn tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan. Tijdens de behandeling van het hoger beroep is vader overleden.

 

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in een gerechtelijke procedure een transcript in te brengen van een gesprek tussen klaagster 1. en vader waarvan hij wist of kon weten, dat dit gesprek heimelijk was opgenomen en zodoende door misdrijf, althans onrechtmatig, verkregen. Naar de mening van klagers is het handelen van verweerder niet alleen in strijd met de wet, maar ondermijnt het ook de integriteit van de rechtsgang en het vertrouwen in de advocatuur.

Toelichting

Klagers zijn van mening dat zij in hun klacht kunnen worden ontvangen nu verweerder zijn medewerking heeft verleend aan het schenden van een ambtsgeheim van de toegevoegd notaris waardoor zowel de toegevoegd notaris als de notaris onder wiens verantwoordelijkheid de toegevoegd notaris werkte als het notariskantoor rechtstreeks in hun belangen zijn getroffen. Daarbij geldt dat de vertrouwelijkheid waarmee een notaris een gesprek voert met zijn cliënt essentieel is voor het maatschappelijk belang. Klagers zijn gebonden aan een strikte geheimhoudingsplicht en het schenden van deze vertrouwelijkheid ondermijnt het vertrouwen in de notariële beroepsgroep.

 

5    VERWEER 

5.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

6    BEOORDELING

De beoordeling van de ontvankelijkheid

6.1    Het meest verstrekkende verweer van verweerder is dat klagers niet kunnen worden ontvangen in hun klacht, omdat zij geen eigen, rechtstreeks belang bij de klacht hebben, maar slechts een afgeleid belang. Klagers zijn immers geen procespartij in de gerechtelijke procedure die is gevoerd. Voor zover zij klagen in het algemeen belang, is dit voorbehouden aan de deken. Bovendien was het handelen van verweerder beperkt tot het indienen van het transcript van het gesprek als bewijs in een besloten verzoekschriftprocedure. Dit is een zuivere proceshandeling en raakt klagers dus niet rechtstreeks.

6.2    De raad is van oordeel dat alle klagers voldoende belang hebben bij de klacht. Klaagster 1 heeft een eigen rechtstreeks belang bij de klacht aangezien zij erover klaagt dat haar geheimhoudingsplicht is doorbroken door het handelen van verweerder. Klaagster 1 was destijds toegevoegd notaris bij het notariskantoor. Zij passeerde akten in het protocol van klager 2 en viel onder zijn verantwoordelijkheid. Daarmee heeft ook klager 2 een eigen, rechtstreeks belang bij de klacht. Klager 3 is, als toenmalig werkgever van klaagster 1, eveneens als belanghebbende aan te merken. 

6.3    De raad verwerpt het primaire verweer van verweerder dat klagers niet in hun klacht kunnen worden ontvangen. De raad zal dan ook hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de klacht, zoals omschreven in de aanbiedingsbrief van de deken.

De inhoudelijke beoordeling van de klacht

Maatstaf

6.4    Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven norm, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Het optreden van verweerder dient aan de hand van deze maatstaf beoordeeld te worden. 

6.5    Vaststaat dat verweerder van zijn cliënte een transcript heeft gekregen van een door haar heimelijk afgeluisterde en opgenomen vertrouwelijk gesprek tussen haar vader en de toegevoegd notaris en dat verweerder dit transcript als bewijsstuk in een civielrechtelijke procedure heeft ingebracht. 

6.6    Verweerder heeft zich in zijn verweer beroepen op vaste jurisprudentie van de tuchtrechter dat, ook al zou op de verkrijging van een bewijsstuk het een en ander aan te merken zijn, dit nog niet betekent dat het tuchtrechtelijk verwijtbaar is om het in een civiele procedure over te leggen. De civiele rechter beoordeelt namelijk de toelaatbaarheid van bewijs en niet de tuchtrechter, waarbij wordt gekeken naar de ernst van de inbreuk en het belang van de waarheidsvinding. Een advocaat die een bewijsstuk gebruikt dat zijn cliënt ter beschikking stelt, handelt dan ook in beginsel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, maar die zijn er volgens verweerder in het onderhavige geval niet.

6.7    Ook de raad stelt voorop dat in een civiele procedure niet als algemene regel geldt dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, en het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Advocaten zijn op grond van de kernwaarde partijdigheid gehouden om waar mogelijk dat bewijs, zoals heimelijk opgenomen gesprekken, in het voordeel van hun cliënt te gebruiken, ook door overlegging van dat bewijs in een civiele procedure.

6.8    Verweerder erkent terecht dat de vrijheid van de rechter acht te slaan op onrechtmatig verkregen bewijs beperkt kan worden door bijkomende omstandigheden en ook stelt hij terecht dat het in beginsel niet aan de advocaat maar aan de civiele rechter is om te beoordelen of er sprake is van zulke bijkomende omstandigheden. Maar dit betekent niet dat deze regel een advocaat de absolute vrijheid geeft om alle informatie waarover zijn cliënt kan beschikken in een procedure over te leggen. De advocaat zal ook een eigen afweging moeten maken. Het gaat daarom niet zozeer over de vraag of de civiele rechter een heimelijk afgeluisterd gesprek tussen een notaris en diens cliënt mag toelaten tot bewijs, maar om de vraag of een advocaat de vertrouwelijkheid van de notaris mag schenden door een transcript van zo’n gesprek aan de rechter over te leggen.

6.9    De raad is van oordeel dat dat in dit geval niet geoorloofd is. Een notaris behoort, evenals de arts, de advocaat en de geestelijke, tot de vier klassieke professioneel verschoningsgerechtigden. Zij zijn uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht tot geheimhouding van al hetgeen deze in zijn hoedanigheid wordt toevertrouwd. In verband daarmee hebben zij het recht om zich ook ten overstaan van de rechter te verschonen van het afleggen van een getuigenis. Het verschoningsrecht beschermt het algemeen belang dat eenieder zich vrijelijk tot een professioneel verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden zonder de vrees dat de informatie die in deze bijzondere vertrouwensrelatie wordt uitgewisseld, bij anderen terechtkomt. Dit algemene maatschappelijke belang dient naar het oordeel van de raad te prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding in het civiele recht en de kernwaarde partijdigheid. Een advocaat mag daarom de geheimhoudingsplicht van een notaris niet doorbreken door een stuk in een civiele procedure in te brengen waarin is vermeld wat ten overstaan van een notaris is besproken.

6.10    Het is denkbaar dat op de hiervoor geformuleerde regel uitzonderingen mogelijk zijn. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is er een processuele weg voor advocaten die een beroep willen doen op vertrouwelijke correspondentie van een advocaat van de wederpartij en diens cliënt. Een redelijk handelend advocaat had zich er van bewust moeten zijn dat deze weg ook gevolgd had moeten worden in een geval waar het verschoningsrecht van een andere geheimhouder in het geding is. Het argument dat er onder tijdsdruk moest worden gehandeld maakt dat niet anders. Verweerder had de notaris om toestemming moeten vragen. Als dat niet tot een oplossing zou hebben geleid, had de deken geraadpleegd kunnen en moeten worden. Verweerder heeft nog aangevoerd dat zijn handelen heeft plaatsgevonden voor de uitspraak van het hof van discipline van 12 december 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:259, zodat hij niet van de daarin geformuleerde strakke regel op de hoogte kon zijn, maar dat kan hem niet baten omdat die uitspraak van het hof de bestaande regel slechts bevestigt.

 

7    MAATREGEL 

7.1    De klacht is gegrond. Verweerder heeft door zijn handelen de kernwaarde vertrouwelijkheid geschonden. Het schenden van een kernwaarde impliceert handelen met een laakbaar karakter. Daarom is in beginsel de maatregel van berisping passend. 

7.2    De raad constateert dat ten tijde van het handelen van verweerder geen jurisprudentie over soortgelijke situaties beschikbaar was. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad aangegeven dat hij meende dat hij het transcript kon inbrengen, maar dat hij zeker een andersluidend oordeel ter harte zal nemen. Gelet op deze houding ter zitting en gelet op het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerder, is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met de maatregel van waarschuwing.  

 

8    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

8.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

8.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klagers, b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c)    € 500,- kosten van de Staat.

8.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

8.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 8.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.4.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. P.Th. Mantel en E.M.G. Pouls, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.   

Griffier    Voorzitter

   

 

 

Verzonden op : 30 maart 2026