Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:70

Zaaknummer

26-104/A/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing; klacht is kennelijk niet-ontvankelijk. De klacht heeft net als de vorige klacht betrekking op hetzelfde feitencomplex: de door klager gewenste bijstand van verweerster. Niet gebleken is dat klager zijn verwijten niet eerder al in de vorige klachtprocedure naar voren had kunnen brengen. Gelet hierop staan de beginselen van een behoorlijk tuchtprocesrecht aan een inhoudelijke beoordeling van deze klacht in de weg.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 23 maart 2026 in de zaak 26-104/A/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

Op 23 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. De deken heeft na afronding van haar onderzoek, de klacht bij brief van 21 januari 2026 met kenmerk K179 2025 ia/nm aan de raad van discipline Den Haag voorgelegd. 

Omdat verweerster als zittingsgriffier verbonden is aan de raad van discipline Den Haag, is aan het Hof van Discipline verzocht om een andere raad aan te wijzen voor de behandeling van deze klacht. Bij verwijzingsbeslissing van 5 februari 2026 is de behandeling van de klacht verwezen naar de raad van discipline Amsterdam (hierna: de raad). De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van 21 januari 2026 en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klager op 19 februari 2026 nagezonden stukken. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager heeft verweerster op 5 november 2024 benaderd met het verzoek hem bij te staan in een arbeidsrechtgeschil met zijn voormalig werkgever. Op 3 maart 2025 heeft verweerster klager een opdrachtbevestiging gestuurd. Na ontvangst van de opdrachtbevestiging heeft klager ook nog andere zaken naar voren gebracht waarvoor hij de bijstand van verweerster wenste. Hierover volgde e-mailcorrespondentie tussen klager en verweerster, waarna verweerster klager bij e-mail van 4 maart 2025 om 15:37 uur heeft laten weten dat zij haar werkzaamheden voor klager niet zou voortzetten en haar bijstand aan klager beëindigde.   1.2    Klager heeft eerder al op 1 april 2025 bij de deken een klacht over verweerster ingediend. Hierin verweet klager verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet omdat zij enkel zijn belangen wilde behartigen met betrekking tot het werkcertificaat en aan hem liet weten dat zij de andere juridische zaken over het arbeidsrecht niet kon behandelen of niet geïnteresseerd was om deze zaken te behandelen.  1.3    Bij beslissing van de voorzitter van de raad van 22 september 2025 (25-579/A/DH) is de klacht van klager kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft geen verzet aangetekend tegen deze beslissing, zodat de beslissing rechtens onaantastbaar is geworden.   1.4    Op 23 juli 2025 heeft klager opnieuw bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT 2.1    De klacht van 23 juli 2025 houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster in onderhavige klacht dat zij klager heeft weerhouden een rechtsvordering wegens onrechtmatige daad in te stellen (in combinatie met het niet overleggen van een werkvergunning) en dat verweerster klager niet heeft geadviseerd over de gevolgen van het opgeven of anderszins nastreven van een dergelijke rechtzaak. Ook heeft verweerster volgens klager onvoldoende uitleg en duidelijkheid gegeven over de procedure.  

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. 4.2    Klachten over het optreden van een advocaat dienen verder zoveel mogelijk te worden gebundeld. Voorkomen moet immers worden dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures moeten worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde (zie Hof van Discipline 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111). 4.3    De voorzitter stelt vast dat onderhavige klacht net als de vorige klacht betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex, te weten de door klager gewenste bijstand van verweerster in het arbeidsgeschil van klager met zijn voormalig werkgever. Het is de voorzitter niet gebleken dat klager zijn verwijten niet eerder al in de vorige klachtprocedure naar voren had kunnen brengen. De voorzitter komt op grond hiervan tot de slotsom dat de beginselen van een behoorlijk tuchtprocesrecht aan een inhoudelijke beoordeling van deze klacht in de weg staan. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  -    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026. 

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 23 maart 2026