Rechtspraak
Uitspraakdatum
02-04-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:93
Zaaknummer
260072
Inhoudsindicatie
Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Een klacht tegen een deken is geen middel om de wijze waarop die deken - een nog lopend - onderzoek verricht naar een klacht over een advocaat ter discussie te stellen.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 2 april 2026
in de zaak 260072
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 9 maart 2026 van klager. Hierin verzoekt klager aan de voorzitter van het hof een klacht over verweerster te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling, althans de behandeling door verweerster van een klacht van klager buiten werking te stellen.
1.2 Op 9 maart 2026 heeft klager ook de op diezelfde datum per e-mail bij verweerster ingediende klacht aan het hof gezonden.
1.3 Op 10 maart 2026 heeft het hof van klager nog een e-mail ontvangen. Daarbij heeft klager beroep bij het hof ingesteld tegen een beslissing van verweerster van 13 februari 2026.
1.4 Uit de van klager ontvangen stukken begrijpt het hof dat de klacht betrekking heeft op het onderzoek dat verweerster verricht naar de klacht die klager heeft ingediend over de advocaat die verweerster op grond van artikel 13 Advocatenwet voor klager heeft aangewezen
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Een klacht tegen een deken is geen middel om de wijze waarop die deken - een nog lopend - onderzoek verricht naar een klacht over een advocaat ter discussie te stellen. Naar het oordeel van het hof moet verweerster eerst in staat worden gesteld het onderzoek naar de onderliggende klacht af te ronden met een zogenoemde dekenvisie. Indien de klacht over de hem aangewezen advocaat in het traject bij verweerster uiteindelijk niet naar tevredenheid van klager wordt opgelost, kan klager die klacht, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de Raad van Discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klager desgewenst ook naar voren brengen waarom het onderzoek door verweerster naar de mening van klager niet deugt. Daarom zal de voorzitter de klachten over verweerster niet verwijzen.
2.3 Tegen de beslissing van 13 februari 2026 van verweerster inzake de weigering om de aanwijzing van de aangewezen advocaat ongedaan te maken staat geen beroep bij het hof open. Het op 10 maart 2026 ingestelde beroep is niet-ontvankelijk.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af; verklaart het op 10 maart 2026 ingestelde beroep (zie 1.3) niet-ontvankelijk.Deze beslissing is genomen op 2 april 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 2 april 2026.
