Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-04-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:92

Zaaknummer

260068

Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. De klacht van klaagster heeft betrekking op het dekenaal onderzoek dat verweerster heeft uitgevoerd in een nieuwe (derde) klacht die klaagster over mr. V heeft ingediend. Een klacht over een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie op een klacht over een andere advocaat ter discussie te stellen. Klaagster kan de klacht over mr. V, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klaagster naar voren brengen op welke punten de visie van verweerster (in haar hoedanigheid van deken) volgens klaagster niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerster. Daarom zal de voorzitter de klacht over verweerster niet verwijzen.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

van 2 april 2026

in de zaak 260068

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

over:

 

verweerster

 

1 HET VERZOEK

1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van verweerster van 3 maart 2026 waarin verweerster verzoekt om een klacht die klaagster over haar heeft ingediend op 27 februari 2026 voor verdere behandeling te verwijzen naar een deken van een andere orde op grond van artikel 12 Procesreglement hof van discipline. Daarbij wijst verweerster erop dat klaagster een eerdere klacht over haar – na verwijzing door het hof en onderzoek door een andere deken – heeft ingetrokken.

1.2 Uit de door verweerster meegestuurde bijlagen leidt de voorzitter af dat de klacht van klaagster samenhangt met het onderzoek door verweerster van een klacht die klaagster in 2025 over mr. V heeft ingediend. Samengevat voert klaagster aan dat verweerster het feitencomplex waarover de raad van discipline een besluit moet nemen zodanig manipuleert dat er wederom een besluit wordt genomen over een ander feitencomplex dan waarover is geklaagd.

 

DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient de klacht van klaagster over verweerster in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 De klacht van klaagster heeft betrekking op het dekenaal onderzoek dat verweerster heeft uitgevoerd in een nieuwe (derde) klacht die klaagster over mr. V heeft ingediend. Een klacht over een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie op een klacht over een andere advocaat ter discussie te stellen. Klaagster kan de klacht over mr. V, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klaagster naar voren brengen op welke punten de visie van verweerster (in haar hoedanigheid van deken) volgens klaagster niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerster. Daarom zal de voorzitter de klacht over verweerster niet verwijzen.

 

3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

 

- wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 2 april 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter.

 

Plaatsvervangend voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 2 april 2026.