Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

30-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:91

Zaaknummer

250030D

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar. Verhouding tuchtrechter, burgerlijke rechter en bestuursrechter. De (bevoegde) deken (Limburg) heeft de Unit Financieel Toezicht Advocatuur (hierna: Unit FTA) van de Nederlandse Orde van Advocaten verzocht bij verweerder een onderzoek te verrichten naar de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft), het beheer van derdengelden alsmede ontvangst van contante gelden. Door de Unit FTA is aan de deken en verweerder een definitief rapport verstrekt. Omdat de deken zich geconflicteerd achtte, heeft hij voor de beoordeling en de opvolging van dit rapport deze beoordeling en opvolging overgedragen aan de deken Oost-Brabant. De deken Oost-Brabant heeft na beoordeling een dekenbezwaar tegen verweerder ingediend. Uit HvD 15 november 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:214 is af te leiden dat de deken bij aanvang van enig in het kader van het toezicht te verrichten onderzoek niet hoeft te kiezen tussen een bestuursrechtelijk traject en een tuchtrechtelijk traject. De deken is ingevolge de Advocatenwet en de Wwft toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)  en als zodanig maakt hij gebruik van de in titel 5.2 Awb bedoelde (publiekrechtelijke) bevoegdheden. Hieruit volgt dat (ook) bij een tuchtrechtelijk onderzoek de deken gebruik maakt van de in titel 5.2 Awb bedoelde bevoegdheden. De tuchtrechter moet oordelen over de al dan niet juiste toepassing door de deken van deze bestuursrechtelijke bevoegdheden als de deken een dekenbezwaar indient. Het is voor een betrokkene onevenredig bezwarend zijn als betrokkene het geschil over de uitoefening van de in titel 5.2 Awb bedoelde bevoegdheden in en voor een tuchtrechtelijk onderzoek via een beroepsprocedure bij de burgerlijke rechter aan de orde zou moeten stellen naast de procedure bij de tuchtrechter. 

Inhoudsindicatie

Het hof komt tot het oordeel dat de aard van de toezichthoudende taken en bevoegdheden van de deken in de weg staan aan het overdragen van deze taken en bevoegdheden aan iemand die niet ondergeschikt is aan de deken en waarbij niet is gewaarborgd dat de taken en bevoegdheden die de deken als wettelijk aangewezen toezichthouder moet uitoefenen binnen zijn invloedssfeer blijven, zoals in dit geval is gebeurd. Daarbij komt dat in ieder geval de grondslag voor de overdracht van de zaak in dit geval ook zodanig onduidelijk en gebrekkig is geweest, dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. Het dekenbezwaar moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

Uitspraak

Beslissing van 30 maart 2026 in de zaak 250030D

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

gemachtigde: mr. R. Sanders, advocaat te Leiden

tegen:

mr. E.J.M. Rosier Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg

de deken 

bijgestaan door: mr. J.F.C. Schnitzler, Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant

1    INLEIDING

1.1    De (bevoegde) deken (Limburg) heeft de Unit Financieel Toezicht Advocatuur (hierna: Unit FTA) van de Nederlandse Orde van Advocaten verzocht bij verweerder een onderzoek te verrichten naar de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft), het beheer van derdengelden alsmede ontvangst van contante gelden. Op 11 december 2023 is door de Unit FTA aan de deken en verweerder een definitief rapport verstrekt. Omdat de deken zich geconflicteerd achtte, heeft hij voor de beoordeling en de opvolging van dit rapport deze beoordeling en opvolging overgedragen aan de deken Oost-Brabant. De deken Oost-Brabant heeft na beoordeling een dekenbezwaar tegen verweerder ingediend. Verweerder heeft in beroep gesteld dat het dekenbezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Raad van Discipline in het ressort s’-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft het ontvankelijkheidsverweer verworpen en het dekenbezwaar gegrond verklaard. Tegen de gegrondverklaring van het dekenbezwaar komt verweerder niet in hoger beroep. Wel blijft hij van mening dat het dekenbezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, en voorts dat de door de raad opgelegde maatregel van schorsing voor de duur van 18 weken, waarvan 12 weken voorwaardelijk, te zwaar is. Het hof oordeelt dat het dekenbezwaar niet-ontvankelijk is, omdat de overdracht van de bevoegdheden van de deken aan de deken Oost-Brabant in strijd is met de aard van de toezichthoudende taak en de bevoegdheden van de deken en dat de grondslag van de overdracht van de zaak in dit geval zodanig onduidelijk en gebrekkig is geweest, dat de overdracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, het dekenbezwaar en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt. 

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-236/DB/OB/D) een beslissing genomen op 23 december 2024. In deze beslissing is het dekenbezwaar van de deken deels gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schorsing voor de duur van achttien weken, waarvan twaalf weken voorwaardelijk, opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:174 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 25 januari 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van de deken.       2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 14 november 2025. Daar zijn verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de deken, bijgestaan door de deken Oost-Brabant, mr. J.Th.M. Diks, verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft het standpunt van verweerder toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Verweerder en mr. Van B zijn samen aandeelhouder en bestuurders van een advocatenkantoor. Ook zijn verweerder en mr. Van B de enig bestuurders van de stichting beheer derdengelden van dat advocatenkantoor.

Nalatenschap [K-C]

3.3    Op 6 mei 2022 is tussen het advocatenkantoor en de erfgenamen van [K-C] een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Daarin is de opdracht omschreven als:

“De opdrachtgever verstrekt Opdracht tot juridische dienstverlening aan [het advocatenkantoor]”

3.4    In de woning van de erflaatster is door de erfgenamen een bedrag van € 572.179,- in contanten aangetroffen. De erfgenamen hebben, al dan niet via een derde, contact gezocht met de Belastingdienst over het fiscaliseren van het contante geldbedrag. De erfgenamen wensten dit bedrag daarnaast giraal te maken teneinde het toe te voegen aan de boedelrekening. Wegens veiligheidsrisico’s wensten zij dit bedrag door een professioneel bedrijf te laten collecteren. De erfgenamen zijn daarvoor uitgekomen bij een geldtransportbedrijf (hierna: [het geldtransportbedrijf]). Omdat [het geldtransportbedrijf] uitsluitend voor ondernemingen werkt, en dus geen particulieren bedient, hebben de erfgenamen het advocatenkantoor verzocht om hen daarbij van dienst te zijn.

3.5    Op 27 juni 2022 is tussen het advocatenkantoor en de erfgenamen een aanvullende overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. Daarin is de (aanvullende) opdracht omschreven als:

“Het ontvangen van het contante gedeelte van de nalatenschap van [K-C] op de Stichting Derdengeldenrekening van [het advocatenkantoor] teneinde dit onverwijld door te storten op de ervenrekening van de nalatenschap zijnde de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Erven [K-C]. Teneinde het ontvangen van het contante gedeelte van de nalatenschap te bewerkstelligen zal [het advocatenkantoor] aan [het geldtransportbedrijf] een opdracht verstrekken om het contante gedeelte van de nalatenschap op te halen en af te storten op de Stichting Derdengeldrekening van [het advocatenkantoor]”

3.6    Op 18 juli 2022 heeft het advocatenkantoor een overeenkomst gesloten met [het geldtransportbedrijf]. Op 28 september 2022 is het bedrag van € 572.179,- gecollecteerd in de woning van erflaatster en vervolgens gestort op een Duitse bankrekening die door [het geldtransportbedrijf] wordt gebruikt. [Het geldtransportbedrijf] heeft het bedrag van € 572.179,- vervolgens overgemaakt naar de derdengeldenrekening van het advocatenkantoor.

3.7    Op 18 oktober 2022 is het bedrag van € 572.179,- overgemaakt van de stichting beheer derdengelden naar de ervenrekening van de nalatenschap.

3.8    Op 23 november 2022 heeft verweerder namens de erven bij de sector kanton van de rechtbank Limburg een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontheffing terinzagelegging beschrijving. Het contante geldbedrag van € 572.179,- is in de daarin bijgevoegde boedelbeschrijving opgenomen.

3.9    Verweerder heeft (aanvankelijk) geen melding gedaan van een ongebruikelijke transactie bij de Financial Intelligence Unit (hierna: FIU). Op 6 september 2023, met als laatste update 10 september 2023, heeft het advocatenkantoor een risicobeleid opgesteld.

Onderzoek door de Unit FTA

3.10     Op 4 oktober 2023 heeft de Unit FTA een onderzoek uitgevoerd naar het advocatenkantoor. Daarbij waren ook verweerder en mr. Van B aanwezig. De Unit FTA heeft onderzoek gedaan naar de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft), het beheer van derdengelden en de ontvangst van contante gelden.

3.11     Op 29 november 2023 heeft de Unit FTA een conceptrapport uitgebracht. Op 7 december 2023 heeft verweerder namens het advocatenkantoor gereageerd op het rapport. Op 11 december 2023 is het definitieve rapport vastgesteld. Daaruit volgt onder meer:

“Risicobeleid/kantoorbeleid

[Het advocatenkantoor] heeft een Wwft-risicobeleid gedateerd 6 september 2023 (met een laatste update d.d. 10 september 2023). Het beleid voldoet in zekere c.q. belangrijke mate aan te stellen eisen. […] In de periode voor 6 september 2023 was er geen schriftelijk vastgelegd risicobeleid. […]

Meldingsplicht

Meldingen van ongebruikelijke transacties hebben zich niet voorgedaan in de onderzoeksperiode en deze zijn ook niet overwogen. […]

Bijzonderheden transacties

[…] Erven [K-C]/12 oktober 2022 € 572.170 inkomend

[Verweerder] heft deze zaak als volgt toegelicht:

“De kern van de Opdracht zoals omschreven in de overeenkomst van opdracht luidt als volgt:

Het verlenen van juridische assistentie bij de afwikkeling van de nalatenschap(pen) van de heer en mevrouw [K-C].

Aanstonds was duidelijk dat er een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank, sector kanton, moest worden gevoerd. Deze procedure is gevoerd.

Het betrof de nalatenschappen van een oom en tante van de gevolmachtigden, welke zonder achterlating van kinderen, zijn overleden in de leeftijd van 86 respectievelijk 84 jaar. Het saldo van de nalatenschappen bedroeg € 2.223.907,89. Tot dit saldo behoort een bedrag aan contanten dat in de woning van de erflaters is aangetroffen. Het gaat om € 572.170,00.

[De belastingadviseur] deelde mij mede dat de erfgenamen de kwestie rondom de contanten wilden afwikkelen met de Belastingdienst. Zij hebben hem ingeschakeld om dit te regelen. Dit was al gebeurd voordat men zich tot mij heeft gewend. Een bevestiging zijdens de Belastingdienst is aan mij verstrekt. Het contante geld maakte deel uit van de nalatenschap waarvoor een boedelbeschrijving moest worden gemaakt. De verplichting tot terinzagelegging was onderwerp van de genoemde verzoekschriftprocedure.

Het contante geld moest worden gestort op een bankrekening. Gezien de omvang wilden de gevolmachtigden dit laten regelen door een professionele partij. Dit werd [het geldtransportbedrijf]. Zij konden deze opdracht niet zelf verstrekken aangezien [het geldtransportbedrijf] niet werkt in opdracht van particulieren maar alleen in opdracht van bedrijven. Zij hebben mij gevraagd of ik de opdracht kon verstrekken. Ik heb dit verzoek ingewilligd. De gevolmachtigden hebben mij een aanvullende opdracht verstrekt met de omschrijving:

Het ontvangen van het contante gedeelte van de nalatenschap van [K-C] op de Stichting Derdengeldrekening van [het advocatenkantoor] teneinde dit onverwijld door te storten op de ervenrekening van de nalatenschap zijnde de bankrekening met rekeningnummer […] ten name van Ervan [K-C].

Teneinde het ontvangen van het contante gedeelte van de nalatenschap te bewerkstelligen zal [het advocatenkantoor] aan [het geldtransportbedrijf] een opdracht verstrekken om het contante gedeelte van de nalatenschap op te halen en af te storten op de Stichting Derdengeldrekening van [het advocatenkantoor]. Dit is zo uitgevoerd.

Gezien het feit dat het om een bijzondere kwestie ging, heb ik samen met een collega, afgewogen of er hier sprake is van een Wwft-dossier en of het toegestaan is om gebruik te laten maken van de derdengeldenrekening.

Het aspect Wwft

Ik heb overwogen om het dossier aan te merken als een Wwft dossier; dit vanwege het criterium: het beheren van geld, effecten, munten/muntbiljetten, edele metalen of andere waarden. Ik heb echter besloten om dit dossier niet als Wwft dossier aan te merken aangezien ik het enkel ontvangen en direct doorbetalen van de volledige geldsom aan een notaris die een nalatenschap gaat afwikkelen, niet beschouw als het beheren van geld. Bovendien acht ik de procesvrijstelling van toepassing”

Mijn analyse is dat er wel sprake is van een (zelfstandige) Wwft-plichtige dienst in de zin dat er door [het advocatenkantoor] bijstand is verleend bij het beheren van gelden. De tekst van de aanvullende opdracht wijst ook in die denkrichting. [Het advocatenkantoor] moet gezien worden als de partij die materieel de cash storting doet door het geven van het KVK nummer (en daarmee de opdracht tot ophalen contant geld en het vervolgens “giraal” maken).

De vraag die dan beantwoord moet worden is of er sprake is van een ongebruikelijke transactie. De objectieve indicator voor melden is van toepassing bij een ontvangst van € 10.000 cash of meer. Via die redenering kom je tot de conclusie dat sprake is van de objectieve factor (in de aanvullende opdracht staat ook immers dat de dienstverlening bestaat uit het ontvangen van het contante gedeelte van de nalatenschap). Overigens zou op basis van de mij verstrekte inlichtingen door [verweerder] bij de melding moeten worden aangegeven dat de Belastingdienst voor zowel erfrecht als (na) heffing box 3 in kennis is gesteld van de betreffende contanten. De transactie is als ongebruikelijk aangemerkt en gemeld, maar zou (volgens de inschatting van [het advocatenkantoor] niet als verdacht moeten worden aangemerkt door de FIU.

Tenslotte is de vraag aan de orde of de deken geraadpleegd had moeten worden conform het gestelde in de Voda artikel 6.27 lid 3. Mijns inziens had dat overleg moeten plaatsvinden c.q. ware het verstandig geweest dat overleg te voeren.

[Verweerder] heeft op 7 december 2023 als volgt gereageerd op bovenstaande analyse:

“In deze zaak diende een procedure te worden gevoerd. Ik ben van mening dat de procesvrijstelling van toepassing is.

Ik betwijfel ook of de dienstverlening valt onder het beheren van gelden. De feitelijke gang van zaken, was de volgende.

[Het advocatenkantoor] heeft aan [het geldtransportbedrijf] de opdracht verstrekt tot het ophalen van het cash geld. Bij de feitelijke uitvoering is [het advocatenkantoor] niet betrokken geweest. Niemand van ons wist waar het geld zich bevond. Het contact over het ophalen is tussen de medewerkers van [het geldtransportbedrijf] en de vier gemachtigden van de cliënten geweest. [Het geldtransportbedrijf] heeft het geld gestort op haar eigen bankrekening. Zowel [het advocatenkantoor] als [het geldtransportbedrijf] als haar bank, [naam bank], hebben documenten verzocht en ontvangen met betrekking tot het cash geld. [Het geldtransportbedrijf] heeft het op haar rekening gestorte geld doorbetaald op onze derdengeldenrekening. Wij hebben het meteen doorbetaald aan de boedelnotaris.

Omdat het louter het ontvangen en het direct doorbetalen van het totale bedrag betrof, kwalificeer ik dit niet als beheren van gelden.

Ik heb al aangegeven dat ik het storten van een in een nalatenschap aangetroffen contant geld, geen ongebruikelijke transactie vind. Wat zich in het verleden ooit bij de erflaters heeft voorgedaan, valt mijns inziens ook buiten de scope van onze beoordeling.

Het door artikel 6.27 lid 3 Voda voorgeschreven overleg met de deken was niet aan de orde aangezien wij geen contant geld hebben ontvangen. [Het geldtransportbedrijf] heeft het bedrag per bank betaald.”

[…] 7. Samenvatting feitelijke bevindingen

Ten aanzien van de opzet van Wwft-plichtige dienstverlening, de verwerking van derdengelden en contante betalingen constateren we dat:

- Er in de onderzoeksperiode geen Wwft risicobeleid was; […]

Het onderzoek naar de werking van de procesonderdelen leverde de volgende feitelijke bevindingen op: […]

- Dat de zienswijze mogelijk en aannemelijk is dat de ontvangst van een bedrag van € 572.170 op de derdengeldenrekening inzake een erfrechtzaak gezien moet worden als het ontvangen van contanten; dat het als een Wwft-plichtige dienst aangemerkt moet worden en dat deze ontvangst bij de FIU gemeld zou/had moeten worden.

[Het advocatenkantoor] heeft aangegeven dit anders te zien na herbeoordeling van de betreffende casus voorafgaand aan de reactie op 7 december 2023 ten aanzien van het concept rapport; […]”

Doorgeleiding dossier naar de deken Oost-Brabant

3.12     Op 1 februari 2024 schreef de (toenmalige) deken Limburg in een e-mail aan verweerder:

“Eind 2023 werd onder mijn dekenverantwoordelijkheid door de unit FTA in de persoon van [naam] een Wwft onderzoek verricht bij uw kantoor. Daarover werd gerapporteerd aan u en mij. Naar aanleiding van het onderzoek en de rapportage doet zich de vraag voor naar beoordeling en eventuele opvolging van het onderzoek. In dat verband acht ik mijzelf geconflicteerd. Ik vond een andere deken te weten de deken van Oost-Brabant bereid de genoemde taak in mijn plaats te verrichten, zij het onder mijn niet aflegbare wettelijke verantwoordelijkheid als deken Limburg, en onder de voorwaarde dat u met dat alternatief instemt. Gaarne verzoek ik u mij te laten weten of dat het geval is, zodat het dossier kan worden doorgeleid naar de deken Oost-Brabant, danwel of u hiertegen bezwaar heeft.”

3.13     Daarop reageerde verweerder op 1 februari 2024:

“Hierbij bevestig ik dat ik geen bezwaar heb tegen het doorleiden van het dossier naar de deken Oost-Brabant.”

3.14     Op 22 februari 2024 heeft mr. Schnitzler (de deken Oost-Brabant) verweerder verhoord en daarbij heeft mr. Schnitzler verweerder op de voet van artikel 5:10a Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de cautie gegeven. De adjunct-secretaris van de orde van advocaten Oost-Brabant heeft van dit verhoor aantekeningen gehouden, waarin onder meer is vermeld:

‘[mr. Schnitzler]: deken voorstelronde. Reden waarom dossier hier ligt.

(…)

[mr. Schnitzler]: Formele verantwoordelijkheid ligt bij HV/Limburgse deken. Materieel doe ik de zaak. Eens?

[Verweerder]: ja. [mr. Schnitzler]: wij kennen het verslag van de unit FTA. We weten niet welke kant het opgaat. Dus bij deze de cautie. U hoeft zich niet te incrimineren. (…)

[mr. Schnitzler]: ik heb een bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke keuze.- Voor de goede orde: Limburgse deken heeft geen bemoeienis, maar is wel formeel toezichthouder. Daar kan ik niets aan afdoen.’ 3.15    Diezelfde dag heeft de adjunct-secretaris namens mr. Schnitzler aan verweerder geschreven:

“In vervolg op het gesprek van hedenmiddag bij ons op het bureau bevestig ik namens de deken onderstaand de met u gemaakte afspraken.

We hebben afgesproken dat u de deken morgen laat weten of u alsnog een melding inzake een ongebruikelijke transactie doet bij de FIU. Als u besluit te melden, worden er morgen afspraken met u gemaakt over wanneer u van deze melding een bewijs kunt overleggen. Indien u niet besluit te melden, zal de deken tot melding overgaan. Zoals met u besproken, verliest u in dat laatste geval uw strafrechtelijke immuniteit. […]”

3.16     Op 23 februari 2024 heeft verweerder aan mr. Schnitzler geschreven:

“[…] Met [mr. Van B] kwam ik tot de conclusie dat er in de gegeven situatie waarin de melding in elk geval zal worden gedaan, geen argument bestaat tegen het door mij alsnog doen van de melding. Ik acht deze melding in de gegeven omstandigheden in het nu, niet strijdig met mijn standpunt dat ik de melding niet verplicht acht. Mocht het geven van een toelichting hierop van belang zijn, dan zal ik deze verstrekken.

Ik zal de melding spoedig doen en u op de hoogte brengen van ontwikkelingen.”

3.17     Op 29 februari 2024 heeft verweerder een melding van een ongebruikelijke transactie gedaan bij de FIU.

3.18     Op 6 maart 2024 heeft mr. Schnitzler op verweerders bericht als volgt gereageerd:

“Dank voor uw bericht en de snelle opvolging n.a.v. ons gesprek van vorige week. Voor de volledigheid van mijn dossier stel ik toezending van een afschrift van de inhoudelijke melding op prijs. […] Ik zal op korte termijn een beslissing nemen over de wijze waarop ik deze kwestie ga afwikkelen, bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk. Voor nu is mijn inschatting dat tuchtrechtelijke handhaving het meest in de rede ligt. In beide gevallen zal het stuk dat de procedure inleidt materieel van mijn hand zijn, maar zal het formeel op naam worden gezet van mijn ambtgenoot in Limburg. Ik heb u al uitgelegd dat de Wwft/Advocatenwet mij geen andere optie biedt. U heeft eerder aangegeven dit te begrijpen en daarmee akkoord te gaan. […].”

3.19     Op 8 maart 2024 heeft verweerder de melding aan mr. Schnitzler doorgezonden.

3.20     Op 27 maart 2024 heeft mr. Schnitzler namens de deken (Limburg) een dekenbezwaar ingediend. Op 1 mei 2024 is de toenmalige deken Limburg (mr. Vogels) opgevolgd door de huidige deken (mr. Rosier).

3.21     Op 19 juni 2024 heeft de (huidige) deken Limburg aan mr. Schnitzler geschreven:

“Mijn voorganger als deken van het arrondissement Limburg, mr. J.A.W.M. Vogels, heeft kennisgenomen van een rapportage van een financieel onderzoek uitgevoerd door [de Unit FTA] bij het [advocatenkantoor], in het bijzonder jegens [verweerder]. Mr. Vogels voelde zich niet vrij staan om deze rapportage te beoordelen en opvolging daaraan te geven. Eén van de gronden was dat de waarnemend deken/penningmeester en lid van de Raad van orde van het arrondissement Limburg, mr. [Van B], direct betrokken is bij het kantoor waarop het onderzoek ziet en tevens medecompagnon van [verweerder] is.

Om deze reden heeft mr. Vogels aan [verweerder] voorgesteld dat de beoordeling en opvolging van het onderzoek ter hand zou worden genomen door u, deken van het arrondissement Oost-Brabant in naam en in opdracht van de deken van het arrondissement Limburg. [Verweerder] heeft bij mail van 1 februari jl. ingestemd met de beoordeling en opvolging van het onderzoek door u, de deken van het arrondissement Oost-Brabant. Het verzoek van mr. Vogels als voormalig deken van het arrondissement Limburg aan u, heeft ertoe geleid dat u op 27 maart jl. een dekenklacht heeft ingediend. Deze dekenklacht is namens de deken van het arrondissement Limburg ingediend.

Ondergetekende is met ingang van 1 mei jl. als opvolger van mr. Vogels deken van het arrondissement Limburg. Bij deze bevestig ik nogmaals uitdrukkelijk dat de dekenklacht van 27 maart jl. namens de deken van het arrondissement Limburg is ingediend. Deze dekenklacht wordt door mij als huidige deken van het arrondissement Limburg volledig onderschreven. […]”

4    HET DEKENBEZWAAR

4.1    Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende. 

a)    Verweerder heeft tot 6 september 2023 in strijd met zijn verplichtingen als verantwoordelijke binnen het kantoor niet zorggedragen voor de aanwezigheid van een Wwft-risicobeleid en kantoor-specifiek risicobeleid;

b)    Verweerder heeft een in een aanvullende opdrachtbevestiging omschreven dienstverlening ten onrechte niet als Wwft-dienst aangemerkt, heeft de transactie ten onrechte niet als ongebruikelijk aangemerkt en heeft ten onrechte geen melding gedaan bij de Financial Intelligence Unit-Nederland als bedoeld in hoofdstuk 3, meer in het bijzonder artikel 16 lid 1, van de Wwft;

c)    Verweerder heeft in strijd met artikel 6.27 lid 3 van de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda) gehandeld doordat hij een geldbedrag in contanten met een waarde van € 5.000,- of meer (te weten een bedrag van € 572.179,-) heeft aanvaard, zonder voorafgaand overleg met de deken te plegen;

d)    […].

5    BEOORDELING RAAD

Ontvankelijkheid van het dekenbezwaar

5.1    De raad diende eerst te beoordelen of de deken kan worden ontvangen in het dekenbezwaar, nu het dekenbezwaar is ingediend door de deken Oost-Brabant terwijl verweerder als advocaat kantoor houdt in het arrondissement Limburg.

5.2    De raad heeft geoordeeld dat de deken kan worden ontvangen in het dekenbezwaar. Volgens de raad kan het indienen van een dekenbezwaar niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 lid 1 Awb omdat het enkele (indienen van een) dekenbezwaar geen handeling is gericht op een rechtsgevolg, maar hooguit een voorbereidende handeling waarmee een beslissing van de tuchtrechter wordt uitgelokt. In zoverre volgt de raad verweerder niet in zijn betoog dat slechts sprake kan zijn van een mandaat-constructie, omdat mandaat pas aan de orde is bij het nemen van besluiten. 

5.3    De raad heeft overwogen dat uit artikel 45a van de Advocatenwet volgt dat, hoewel het toezicht primair is neergelegd bij de deken in persoon, de deken gebruik mag maken van hulppersonen. Daaronder valt ook een persoon die daarnaast het ambt van deken in een ander arrondissement uitoefent. De raad volgt verweerder daarmee niet in zijn betoog dat de deken Oost-Brabant enkel moet worden beschouwd als bestuursorgaan en niet als persoon. Hoewel de raad verweerder volgt in zijn betoog dat zoveel mogelijk geprobeerd moet worden hulppersonen uit het eigen arrondissement in te schakelen, geldt daarvoor geen verplichting. De deken Limburg heeft naar het oordeel van de raad voldoende toegelicht dat personen vanuit de Orde Limburg niet vrijstonden nu de kwestie raakt aan (een kantoorgenoot van) de voormalige waarnemend deken. De deken Limburg heeft van meet af aan helder gemaakt dat de deken Oost-Brabant vanwege geconflicteerdheid van de deken Limburg de taak om de uitkomst van het verrichte Wwft-onderzoek te beoordelen en eventueel op te volgen onder de wettelijke verantwoordelijkheid van de deken Limburg in zijn plaats zou verrichten. Daar heeft verweerder ook uitdrukkelijk mee ingestemd. De deken Oost-Brabant handelde dus op gezag van de (voormalig) deken Limburg. 

5.4    Het hof zal hierna eerst een oordeel geven over het primaire standpunt van verweerder met betrekking tot de ontvankelijkheid van het dekenbezwaar en in verband daarmee de weergave van de oordelen van de raad over de klachtonderdelen achterwege laten, omdat, zoals hierna wordt overwogen, het dekenbezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

Ontvankelijkheid van het dekenbezwaar 6.1    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het dekenbezwaar niet-ontvankelijk is, omdat de onderliggende rechtsgrond van de overdracht van de zaak door de deken (Limburg) aan de deken Oost-Brabant ontbreekt. Verweerder voert daartoe het volgende aan. Het wettelijk stelsel van de Wwft kent de in die wet genoemde bevoegdheden exclusief toe aan de lokale deken van de Orde in het arrondissement waar de onder toezicht gestelde als advocaat kantoor houdt. Uit de stukken blijkt dat de deken (Limburg) aan de deken Oost-Brabant de bevoegdheid heeft overgedragen om het dossier [K-C] niet alleen te onderzoeken, maar ook te beoordelen en af te handelen. Door de afhandeling van het Wwft dossier [K-C] aan de deken Oost-Brabant uit te besteden, moet de deken Oost-Brabant dus hebben beschikt over de bevoegdheden die een toezichthouder toekomen uit hoofde van de Wwft. De deken (Limburg) heeft de bevoegdheden die de deken Oost-Brabant mocht uitoefenen niet beperkt in enig besluit waarin deze bevoegdheden zijn overgedragen. In het kader van deze ruime en ingrijpende bevoegdheidsoverdracht acht verweerder het onbegrijpelijk dat de raad de positie van de deken Oost-Brabant heeft opgevat als die van een ‘hulppersoon’. Er zijn daarbij noch in de onderliggende Europese richtlijnen, noch in de Wwft aanwijzingen te vinden dat de toezichthoudende deken deze in de Wwft genoemde bevoegdheden kan overdragen aan een ander, die zich dan als hulppersoon zou mogen presenteren. Volgens verweerder laat artikel 24 Wwft niet toe dat de toezichthoudende autoriteit, de deken, bij besluit nog nadere personen met het toezicht aanwijst. Verweerder wijst er daarnaast op dat de Advocatenwet voorziet in een wettelijke delegatiegrondslag, namelijk in artikel 23 lid 1 Advocatenwet, dat bepaalt dat de deken bij ontsteltenis of verhindering wordt vervangen door een lid van de raad van orde in het arrondissement. Er was voor de deken Limburg dus een veel minder verstrekkende oplossing die wel binnen de grens van de wet zou blijven. 

6.2     Verweerder wijst erop dat de deken (Limburg) op 1 februari 2024 aan hem heeft geschreven dat hij de deken Oost-Brabant bereid heeft gevonden de genoemde taak (opvolging Wwft-onderzoek) in zijn plaats, en dus niet namens, hem te verrichten. Indien de deken (Limburg) desondanks aangeeft de bevoegde toezichthouder te blijven, dan dient volgens verweerder sprake te zijn van een mandaatbesluit. In de parlementaire geschiedenis (TK 1994/95, 23700, nr. 5, p. 112) van de Awb heeft de wetgever echter uitdrukkelijk vermeld dat mandatering van toezichthoudende bevoegdheden niet is toegelaten. De deken (Limburg) kon zijn toezichthoudende bevoegdheden dus niet mandateren. 

6.3    De raad heeft kennelijk geoordeeld dat de deken Oost-Brabant slechts een hulppersoon is geweest. Tegelijkertijd heeft de raad in de bestreden beslissing de deken Oost-Brabant als gemachtigde van de deken (Limburg) beschouwd. Daaruit volgt volgens verweerder dat de deken Oost-Brabant noch als hulppersoon, noch als gemachtigde heeft opgetreden, maar op zijn eigen gezag als deken. Hoewel de deken Oost-Brabant op grond van de Wwft en de Advocatenwet niet bevoegd was de toezichthoudende bevoegdheden jegens verweerder uit te oefenen, heeft hij deze bevoegdheden als toezichthouder wel uitgeoefend, zich daarbij consequent presenterend als “deken Oost-Brabant”. Er is volgens verweerder dus geen sprake geweest van een persoon die uit naam van de deken (Limburg) de wettelijke Wwft-bevoegdheden heeft uitgeoefend. Daarbij verhoudt het predicaat ‘gemachtigde’ zich ook niet met de inhoud van die rol omdat een gemachtigde handelt op instructie van zijn principaal terwijl het in dit geval nu juist de bedoeling was dat de deken (Limburg) geen enkele bemoeienis met de zaak zou hebben.

6.4    Het hof laat een weergave van de overige beroepsgronden van verweerder achterwege omdat, zoals hierna wordt overwogen, het dekenbezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Verweer deken

Ontvankelijkheid van het hoger beroep 6.5    De deken stelt voorop dat verweerder in hoger beroep een andere dan de oorspronkelijke procespartij aanmerkt als procespartij. De raad heeft in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak van de deken Limburg tegen verweerder, maar niet in een zaak van de deken Oost-Brabant tegen verweerder. Dit volgt ontegenzeggelijk uit de beslissing van de raad, waarin mr. E.J.M. Rosier, in zijn hoedanigheid van deken Limburg, samen met verweerder als procespartij wordt aangeduid. De deken Oost-Brabant heeft als gemachtigde namens de deken een dekenbezwaar ingediend, maar die handeling maakt hem nog geen procespartij in de kwestie met verweerder. De deken voert aan dat hij van meet af aan duidelijk heeft gemaakt dat de deken Oost-Brabant materieel het onderzoek zou doen in naam en onder de wettelijke verantwoordelijkheid van de deken. Deze gang van zaken is voorafgaand aan het onderzoek met verweerder gecommuniceerd en verweerder heeft daar ook mee ingestemd. Er bestaat geen uitspraak van de raad die tussen de deken Oost-Brabant en verweerder is gewezen, zodat verweerder in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 

Ontvankelijkheid van het dekenbezwaar

6.6    Zowel de toenmalige deken Limburg als de toenmalige waarnemend deken Limburg, mr. Van B, was in dit geval geconflicteerd om op te treden aangezien verweerder een kantoorgenoot is van mr. Van B. Verder was mr. Van B zowel bestuurder van de Stichting Derdengelden KVB als bij het door de Unit FTA uitgevoerde onderzoek betrokken. Gelet hierop stonden personen vanuit de Orde Limburg niet vrij om opvolging te geven aan dit onderzoek.. Een oplossing kon daarom niet worden gevonden in de vervangingsregeling van artikel 23 lid 1 Advocatenwet. Omdat de bestaande wet- en regelgeving voor een geval als het onderhavige, waarin de onafhankelijkheid van de aangewezen toezichthouder mogelijk in het geding is, niet in een concrete oplossing voorziet, was het uitbesteden van het onderzoek aan een andere deken de beste oplossing. Verweerder heeft hier uitdrukkelijk schriftelijk mee ingestemd. Dit geldt ook voor de toenmalige deken Limburg en de huidige deken Limburg, die bij de mondelinge behandeling bij de raad het dekenbezwaar heeft bekrachtigd. De deken wijst er verder op dat ook het College van Toezicht ervan uitgaat dat een deken zich door een andere deken kan laten vervangen bij de uitoefening van het toezicht op advocaten. 

6.7    Om ervoor te zorgen dat de door de deken ingeschakelde medewerkers, personeel en andere personen handelingen kunnen verrichten ter uitvoering van de taken van de deken, dienen door de deken bevoegdheden bij die anderen te worden neergelegd. Van welke rechtsfiguur daarbij sprake is, is afhankelijk van de aard van de bevoegdheid die wordt overgedragen. In dit geval zijn handelingen ter uitoefening van het toezicht overgedragen en dat betreffen feitelijke handelingen. De overdracht van die bevoegdheden vindt dus plaats door middel van machtiging en niet door middel van mandaat. Bij tuchtrechtelijke handhaving, waaronder het indienen van een dekenbezwaar, is geen sprake van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Ook in die zin is er dus sprake van machtiging en niet van mandaat, aldus de deken. Alleen wanneer een machtiging wordt verleend aan een persoon die werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de deken, een ondergeschikte, zijn op grond van artikel 10:12 Awb de bepalingen over mandaat van overeenkomstige toepassing. Aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van het machtigen van een ondergeschikte, zijn de bepalingen van de Awb over mandaat niet van toepassing. Dat betekent volgens de deken dat titel 3.3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onverkort van toepassing is. De wet stelt aan het verlenen van een volmacht of machtiging in zijn algemeenheid geen vormvereisten. Uit het verzoek van de voormalig deken Limburg aan de deken Oost-Brabant, de expliciete instemming van de toenmalige deken Limburg én de huidige deken Limburg met het door de deken Oost-Brabant verrichte onderzoek en het ingediende dekenbezwaar, alsmede de aanwezigheid van de huidige deken Limburg bij de mondelinge behandeling bij de raad blijkt klip en klaar dat de deken Limburg de deken Oost-Brabant heeft willen machtigen tot het verrichten van deze handelingen. 

6.8    Het hof laat een weergave van de overige gronden van verweer van de deken achterwege omdat, zoals hierna wordt overwogen, het dekenbezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

7    BEOORDELING HOF

Overwegingen hof

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

7.1    De deken heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat verweerder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat dit is gericht tegen de deken Oost-Brabant, terwijl uit de beslissing van de raad van 23 december 2024 volgt dat de deken Limburg procespartij is.

7.2    Het hof volgt de deken hierin niet. Het is naar het oordeel van het hof evident dat het hoger beroep van verweerder is gericht tegen de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 23 december 2024 met zaaknummer 24-236/DB/OB/D. Het ontvankelijkheidsverweer van de deken faalt. 

Inleiding

7.3    Het hof stelt voorop dat verweerder tijdens het onderzoek ter zitting van het hof heeft bevestigd dat zijn hoger beroep zich alleen richt tegen de ontvankelijkheid van het dekenbezwaar en tegen de door de raad opgelegde maatregel. Verweerder voert geen beroepsgronden aan tegen de gegrondheid van de klachtonderdelen. 

De ontvankelijkheid van het dekenbezwaar

Juridisch kader 7.4     De deken houdt toezicht op advocaten overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3a Advocatenwet (artikel 35, lid 4 Advocatenwet). De deken van de orde in het arrondissement is belast met het toezicht op de naleving door advocaten die kantoor houden in dat arrondissement van het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet, met inbegrip van toezicht op de zorg die zij als advocaten behoren te betrachten ten opzichte van degenen wiens belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, inbreuken op verordeningen van de Nederlandse Orde van Advocaten en enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt (artikel 45a Advocatenwet). Advocaten zijn verplicht kantoor te houden. Zij mogen slechts in één arrondissement op één locatie kantoor houden. Het kantoor van de advocaat geldt voor al zijn handelingen als zodanig als gekozen woonplaats (artikel 12 Advocatenwet). 

7.5    Indien de deken – buiten het geval van een klacht – op de hoogte is van bezwaren tegen een advocaat kan hij een zogenoemd dekenbezwaar indienen bij de raad van discipline (artikel 46f Advocatenwet).    

7.6    De deken is een persoon met enig openbaar gezag bekleed en hij is daarmee ingevolge artikel 1:1, lid 1, onder b Awb een bestuursorgaan. De deken is op grond van artikel 35, lid 4 Advocatenwet in samenhang met 45a Advocatenwet belast met het houden van toezicht op de naleving door advocaten van het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet en hij is daarmee toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 Awb. De deken is tevens belast met het toezicht op de naleving door advocaten van de bij of krachtens de Wwft gestelde regels (artikel 24, lid 2 Wwft) en ook uit dien hoofde toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 Awb.

7.7    Onder mandaat wordt verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen (artikel 10:1 Awb), 

7.8    Een bestuursorgaan kan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet (artikel 10:3, lid 1 Awb).

7.9    Indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, behoeft de mandaatverlening de instemming van de gemandateerde en in het voorkomende geval van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt (artikel 10:4, lid 1 Awb).

7.10    Een mandaat voor een bepaald geval wordt in ieder geval schriftelijk verleend indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever (artikel 10:5, lid 2 Awb).

7.11    De mandaatgever kan de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid (artikel 10:6, lid 1 Awb).

7.12    Afdeling 10.1.1 ‘Mandaat’ Awb is van overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan aan een ander, werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid, volmacht verleent tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, of machtiging verleent tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn (artikel 10:12 Awb).

7.13    Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten (artikel 3:60, lid 1 BW).

Beoordeling

7.14    Vooropgesteld wordt dat de deken, dit is de deken Limburg, voor verweerder de bevoegde deken is, omdat verweerder kantoor houdt in het arrondissement Limburg.

7.15    Partijen zijn het erover eens dat de deken bestuursorgaan en toezichthouder in één is. Het hof sluit zich bij dit standpunt aan, omdat het juridisch juist is.

Er is geen (bestuursrechtelijk) besluit genomen, maar een dekenbezwaar ingediend

7.16     De deken stelt dat voor de beoordeling van de bevoegdheid van de deken om een dekenbezwaar in te dienen niet relevant is dat gekozen had kunnen worden voor een bestuursrechtelijk traject, middels het opleggen van een bestuurlijke sanctie, omdat nu eenmaal niet is gekozen voor bestuursrechtelijke handhaving, maar voor tuchtrechtelijke handhaving, door middel van een dekenbezwaar. De deken Oost-Brabant is niet ondergeschikt aan de deken en de door hem uitgeoefende handelingen zijn feitelijke handelingen, zodat titel 3.3 BW onverkort van toepassing is, aldus de deken.

7.17     Het hof begrijpt het standpunt van de deken aldus dat voor het indienen van een dekenbezwaar een volmacht als bedoeld in titel 3.3 BW volstaat. Dit standpunt is juist. Het indienen van een dekenbezwaar is, zoals de raad terecht heeft overwogen, niet een besluit als bedoeld artikel 1:3 Awb, maar (bestuursrechtelijk) een feitelijke handeling (zie ook hierna onder 7.23). Voor zover verweerder met zijn stelling dat de conclusie van de raad te kort door de bocht is heeft willen stellen dat een volmacht tot het indienen van een dekenbezwaar ontbreekt, is uit de onder 3.21 vermelde e-mail van 19 juni 2024 geen andere conclusie te trekken dan dat de deken het indienen van het dekenbezwaar in ieder geval heeft bekrachtigd als bedoeld in artikel 3:69 BW. In zoverre is er geen grond het dekenbezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

7.18     Verweerder heeft evenwel de niet-ontvankelijkheid van het dekenbezwaar bepleit op grond van het ontbreken van een onderliggende rechtsgrond van hetgeen aan het dekenbezwaar ten grondslag is gelegd en hij heeft gesteld, kort samengevat, dat de deken in strijd met de wet de beoordeling van de uitkomst en de opvolging van het Wwft-onderzoek heeft overgedragen aan de deken Oost-Brabant.

7.19    De deken heeft dit in hoger beroep in zoverre beaamd, dat hij zelf constateert dat de bestaande wet- en regelgeving niet voorzien in een concrete oplossing voor een geval als het onderhavige, waarin de onafhankelijkheid van de aangewezen toezichthouder mogelijk in het geding is. De deken stelt dat het de beste oplossing was om de beoordeling van de uitkomst en de opvolging van het Wwft-onderzoek over te dragen aan de deken Oost-Brabant nu de deken zich geconflicteerd achtte. 

7.20     Het bestuursrechtelijke traject en het tuchtrechtelijke traject zijn voor advocaten niet gescheiden. Uit HvD 15 november 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:214 is af te leiden dat de deken bij aanvang van enig in het kader van het toezicht te verrichten onderzoek niet hoeft te kiezen tussen een bestuursrechtelijk traject en een tuchtrechtelijk traject en dat een deken in en voor een tuchtrechtelijk onderzoek ook de in titel 5.2 Awb bedoelde bevoegdheden aanwendt. Met deze beslissing is de door landelijk deken verdedigde zogenoemde tweewegenleer (weergegeven onder 5.15 van deze beslissing) afgewezen. De deken is ingevolge de Advocatenwet en de Wwft toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 Awb en als zodanig maakt hij gebruik van de in titel 5.2 Awb bedoelde (publiekrechtelijke) bevoegdheden (zie r.o. 5.19 HvD 15 november 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:214). Het is dus niet zo dat de deken bij een dergelijk onderzoek alleen optreedt als toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 Awb als hij (uiteindelijk na voltooiing van het onderzoek) bestuursrechtelijk handhaaft en niet als zodanig als hij (uiteindelijk na voltooiing van het onderzoek) tuchtrechtelijk handhaaft door een dekenbezwaar in te dienen. Hieruit volgt dat (ook) bij een tuchtrechtelijk onderzoek de deken gebruik maakt van de in titel 5.2 Awb bedoelde bevoegdheden. Dit brengt met zich dat (ook) de tuchtrechter moet oordelen over de al dan niet juiste toepassing door de deken van deze bestuursrechtelijke bevoegdheden als de deken een dekenbezwaar indient. Daarmee is gegeven dat de tuchtrechter niet voorbij kan gaan aan beroepsgronden die gericht zijn op de niet-naleving van de waarborgen in de Awb en dat de tuchtrechter de al dan niet juiste uitoefening van de in titel 5.2 Awb bedoelde bevoegdheden moet toetsen aan de Awb. 

7.21    Verweerder heeft gesteld dat het dekenbezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat, kort samengevat, de waarborgen in de Awb en in de Wwft niet zijn nageleefd, in het bijzonder gelet op het feit dat een toezichthouder zijn bevoegdheden niet zou kunnen mandateren en, als dat wel kan, dat dat in dit geval niet (juist) is gebeurd.

7.22    De deken heeft in hoger beroep, in afwijking van zijn standpunt bij de raad (proces-verbaal van de zitting, p. 11), zich op het standpunt gesteld dat: a)    hij alleen de bevoegdheid tot het verrichten van feitelijke handelingen heeft overgedragen, maar niet de bevoegdheid tot het nemen van een besluit (als bedoeld in artikel 1:3 Awb); en b)    hij de bevoegdheid tot het verrichten van feitelijke handelingen heeft overgedragen aan een niet aan de deken ondergeschikte persoon, namelijk de deken Oost-Brabant. Hieraan verbindt de deken in hoger beroep de conclusie dat (1) de regeling van mandaat niet van toepassing is, ook niet overeenkomstig artikel 10:12 Awb, en (2) titel 3 van Boek 3 BW (Volmacht) onverkort van toepassing is.

7.23    Het verhoren en het geven van een cautie (als bedoeld in artikel 5:10a Awb) en het uitoefenen van de bevoegdheden als bedoeld in titel 5.2 Awb, zoals het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16 Awb) en het vorderen van inzage (artikel 5:17 Awb), zijn feitelijke handelingen. Daarop is, zoals de deken ook betoogt, afdeling 10.1.1 Awb ‘Mandaat’ niet van toepassing. In dit geval ook niet overeenkomstig, omdat de deken Oost-Brabant niet werkt onder de verantwoordelijkheid van de deken (artikel 10:12 Awb). Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) staat tegen de uitoefening van de bevoegdheden van titel 5.2 Awb als zodanig geen bezwaar en beroep op grond van de Awb open, omdat die uitoefening een feitelijke handeling is en niet een besluit. Er kan slechts bij de bestuursrechter worden opgekomen tegen die uitoefening als die uitoefening uitmondt in een besluit (als bedoeld in artikel 1:3 Awb). Als er geen besluit wordt genomen dient een belanghebbende zich voor de beoordeling van de al dan niet terechte uitoefening van die bevoegdheden in beginsel te wenden tot de burgerlijke rechter. (Vgl. ABRvS 28 januari 2026,ECLI:NL:RVS:2026:460.)

7.24    Als de deken in het kader van het toezicht op advocaten een dekenbezwaar indient volgt uit dat wat is overwogen onder 7.20 dat de tuchtrechter dient te toetsen aan de waarborgen die de Awb biedt.

7.25    Het zou voor een betrokkene ook onevenredig bezwarend zijn als betrokkene het geschil over de interpretatie van de rechtsregels inzake de uitoefening van de in titel 5.2 Awb bedoelde bevoegdheden in en voor een tuchtrechtelijk onderzoek en inzake de waarborgen van de Awb via een beroepsprocedure bij de burgerlijke rechter aan de orde zou moeten stellen naast de procedure bij de tuchtrechter. 

Is voldaan aan de waarborgen van de Awb?

Wat beoogde de deken?

7.26    De bewoordingen in de onder 3.12 vermelde e-mail van de deken aan verweerder zijn te onduidelijk om daaruit te kunnen concluderen welke werkzaamheden casu quo bevoegdheden de deken heeft willen overdragen aan de deken Oost-Brabant en op welke grondslag (volmacht of mandaat). Bovendien is die e-mail niet gericht aan de deken Oost-Brabant, maar aan verweerder. 

7.27    Voor de beoordeling van de door verweerder opgeworpen vraag of mandaat is verleend overweegt het hof als volgt. Dekens zijn ieder voor hun arrondissement bestuursorgaan en toezichthouder en zij zijn onafhankelijk van elkaar. De ene deken is niet ondergeschikt aan de andere. Dan is voor een overdracht van een bevoegdheid om een besluit (als bedoeld in artikel 1:3 Awb) te nemen een mandaat vereist, en bij mandaat voor een bepaald (individueel) geval is vereist dat het mandaat schriftelijk wordt verleend (artikel 10:5 Awb). Bij mandaatverlening in het geval van niet aan elkaar ondergeschikten, is het noodzakelijk dat de gemandateerde instemt met het aan hem verleende mandaat (artikel 10:4 Awb). Daarmee wordt bereikt dat tussen hen wordt overeengekomen dat de gemandateerde overeenkomstig de aanwijzingen van de mandaatgever zal handelen, zoals ook is bepaald in artikel 10:6 Awb, en dientengevolge hij ook niet zal kunnen weigeren het mandaat uit te oefenen indien dat in de gegeven omstandigheden verlangd kan worden. (Zie wetsgeschiedenis in de bijlage bij deze beslissing.)

Het standpunt van de deken in hoger beroep: geen mandaat  7.28    In hoger beroep heeft de deken uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat geen mandaat voor de beoordeling en de opvolging van het Wwft-onderzoek is verleend. 

7.29    Dat dit standpunt juist zou kunnen zijn is af te leiden uit het feit dat de onder 3.12 vermelde e-mail van 1 februari 2024 van de deken is gericht aan verweerder, terwijl niet blijkt dat deze is bekend gemaakt aan de deken Oost-Brabant, die in geval van mandatering als belanghebbende met dit besluit bekend zou moeten worden gemaakt (vgl. artikel 3:41 Awb). Daarnaast bevat die e-mail geen verwijzing naar de mogelijkheid van bezwaar zoals in geval van een mandaatbesluit wel is vereist ingevolge artikel 3:45 Awb. Dit is niet doorslaggevend, maar vormt wel een indicatie dat de deken met die e-mail geen besluit heeft genomen om mandaat te verlenen. Overigens blijkt uit hetgeen onder 3.12 en 3.14 is vermeld, dat verweerder evenmin, ook mondeling niet, is gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken, daargelaten of dat zou kunnen worden aangemerkt als het op adequate wijze bekend maken van de mogelijkheid gebruik te maken van het rechtsmiddel bezwaar.

7.30    Als het standpunt van de deken in hoger beroep juist is dat hij geen mandaat heeft verleend aan de deken Oost-Brabant dan was nog vóór de beoordeling van de uitkomsten van het Wwft-onderzoek naar verweerder door de deken Oost-Brabant uitgesloten dat bestuursrechtelijk zou worden gehandhaafd. De deken Oost-Brabant was daartoe immers niet gemandateerd en de deken wilde zich geheel afzijdig houden van die beoordeling en zou dus evenmin alsnog bestuursrechtelijk gaan handhaven, ongeacht de uitkomst van die beoordeling. Met het reeds bij voorbaat uitsluiten van enige bestuursrechtelijke handhaving heeft in dat geval de deken zijn wettelijke plicht als toezichthouder, in het bijzonder uit hoofde van de Wwft, verzaakt. Hieraan doet niet af dat de deken een keuze heeft om bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk te handhaven (HvD 15 november 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:214). Deze keuzemogelijkheid houdt niet in dat de deken reeds bij voorbaat de bestuursrechtelijke handhaving na een Wwft-onderzoek uitsluit zonder de feiten van het geval zelf (of door een ander) te (laten) onderzoeken en te (laten) beoordelen, gelet op zijn uit artikel 45a Advocatenwet en artikel 24, lid 2 Wwft aan hem als toezichthouder opgelegde verplichting.

Toch wel mandaat? 7.31    De onder 3.14 en 3.18 vermelde feiten laten, zoals verweerder ook betoogt, geen andere conclusie toe dan dat de deken Oost-Brabant meende van de deken een mandaat te hebben gekregen om bestuursrechtelijk te mogen handhaven. Dit wordt bevestigd door de uitlating van de deken Oost-Brabant bij de zitting van de raad, waarin hij heeft verklaard te denken dat er wel een mandaatbesluit was (proces-verbaal van de zitting, p. 11). 

7.32    Mede gelet op dat wat onder 7.29 is overwogen, is van een schriftelijk mandaat, zoals is vereist ingevolge artikel 10:5 Awb, evenwel geen sprake; in ieder geval is onduidelijk wat een eventueel mandaat zou omvatten. Bij gebreke van een aan de deken Oost-Brabant verleend schriftelijk mandaat kan niet worden aangenomen dat zeker was gesteld dat de deken Oost-Brabant aanwijzingen en instructies van de deken zou opvolgen en/of het mandaat zou uitoefenen, zoals wel is vereist ingevolge artikel 10:6 Awb. (Zie wetsgeschiedenis in de bijlage bij deze beslissing.) Als de deken Oost-Brabant al een mandaat heeft verkregen dan heeft hij dit in ieder geval niet uitgeoefend, want hij heeft uiteindelijk niet bestuursrechtelijk gehandhaafd.

7.33    De keuze van de deken Oost-Brabant om niet bestuursrechtelijk te handhaven is gemaakt buiten de deken om. Uit het feit dat de deken de beoordeling van de uitkomst en de opvolging van het Wwft-onderzoek naar verweerder geheel wilde overdragen aan de deken Oost-Brabant omdat hij zich geconflicteerd achtte en de deken wilde dat de deken Oost-Brabant die taak in zijn plaats zou verrichten, volgt dat de deken beoogd heeft zich geheel afzijdig te houden van de beoordeling van de uitkomst en de opvolging van het Wwft-onderzoek naar verweerder. Uit de vermelding in de onder 3.18 vermelde e-mail van 6 maart 2024 van de deken Oost-Brabant aan verweerder dat hij een beslissing zal nemen over de wijze waarop hij (‘ik’) deze kwestie zou gaan afwikkelen (‘bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk’), volgt verder dat de deken bij de uiteindelijke beslissing om al dan niet bestuursrechtelijk te handhaven in het geheel niet zou worden betrokken. De deken is hierbij ook daadwerkelijk geheel afzijdig gebleven, althans niets wijst op het tegendeel. Dit is ook begrijpelijk, omdat de deken zich geconflicteerd achtte. Als de deken al een mandaat heeft willen verlenen dan is dat gebeurd op een manier die in strijd is met dat wat met de mandaatregeling is beoogd. Het op deze wijze buiten de invloedsfeer van het toezichtsorgaan, in dit geval de deken, plaatsen van zijn (publiekrechtelijke) toezicht verplichtingen en -bevoegdheden is in strijd met de mandaatregeling. (Vgl. Pro Facto rapport ‘Evaluatie Wet positie en toezicht advocatuur’ uit 2020, bijlage bij TK 2020/21, 29 279, 615, p. 38, 120, 141 en 142.)

7.34    Uit het vorenstaande volgt dat als de deken al begin 2024 zou hebben beoogd een mandaat te verstrekken aan de deken Oost-Brabant, dit mandaat niet (deugdelijk) is verleend.

Hulppersoon? 7.35    De aard van de toezichthoudende taken en bevoegdheden van de deken en het gebrek aan ondergeschiktheid van de deken Oost-Brabant ten opzichte van de deken sluiten, anders dan de raad heeft geoordeeld, ook uit dat de deken Oost-Brabant als zogenoemde hulppersoon als bedoeld in artikel 45a, lid 2 Advocatenwet zou kunnen aangemerkt. Een dergelijke constructie zou de regeling (van mandaat) omtrent de toezichthoudende taken en bevoegdheden van de deken ondermijnen, nu de deken bij wet, artikel 35, lid 4 Advocatenwet in samenhang met 45a Advocatenwet en artikel 24, lid 2 Wwft, is aangewezen als toezichthouder en hij daarmee ingevolge artikel 5:11 Awb is onderworpen aan de toepasselijke bepalingen in de Awb.

Slotsom 7.36    De deken heeft in deze zaak het juiste willen doen. Hij achtte zich geconflicteerd om de beoordeling van de uitkomst en de opvolging van het Wwft-onderzoek naar verweerder op zich te nemen. Om elke schijn van belangenverstrengeling te vermijden heeft de deken de zaak overgedragen en deze beoordeling en deze opvolging in handen gegeven van een van hem onafhankelijke ander bestuursorgaan/toezichthouder. 

7.37    De wijze waarop dit is gebeurd in dit geval is echter ogenschijnlijk ondoordacht: de aard van de toezichthoudende taken en bevoegdheden van de deken staan in de weg aan het overdragen van deze taken en bevoegdheden aan iemand die niet ondergeschikt is aan de deken en waarbij niet is gewaarborgd dat de taken en bevoegdheden die de deken als wettelijk aangewezen toezichthouder moet uitoefenen binnen zijn invloedssfeer blijven. Daarbij komt dat in ieder geval de grondslag voor de overdracht van de zaak in dit geval ook zodanig onduidelijk en gebrekkig is geweest, dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. Aan het vorenstaande kan geen andere conclusie worden verbonden dan dat het dekenbezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7.38    Aan deze conclusie doet niet af, dat verweerder met de overdracht van de zaak aan de deken Oost-Brabant heeft ingestemd (zie 3.13 en 3.14). Verweerder kan echter met zijn instemming, zoals verweerder ook stelt, geen op de deken rustende (publiekrechtelijke) verplichtingen overdragen, of aan de deken toegekende bevoegdheden verschaffen, aan de deken Oost-Brabant als uit de wet volgt dat deze niet kunnen worden, of niet zijn, overgedragen of verschaft.

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1    vernietigt de beslissing van 23 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, genomen onder nummer 24-236/DB/OB/D;

en doet opnieuw recht:

8.2    verklaart het dekenbezwaar niet-ontvankelijk. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima, K. Teuben, I.P.A. van Heijst en J.M. Louwrier, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.  

griffier    voorzitter       

De beslissing is verzonden op 30 maart 2026.   

Bijlage bij 250030D

In de wetsgeschiedenis (TK 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 165-173) is het volgende vermeld:

‘Bij mandaat gaat het om een bevoegdheidsuitoefening waarvoor het mandaterende bestuursorgaan verantwoordelijk blijft, en waarover het dan ook de zeggenschap blijft behouden. (…) Mandaat is te beschouwen als de publiekrechtelijke tegenhanger van de volmacht uit het privaatrecht. (…) Teneinde verwarring te voorkomen verdient het in het algemeen aanbeveling dat het bestuursorgaan dat de bevoegdheid mandateert of delegeert met zoveel woorden aangeeft dat het om mandaat respectievelijk delegatie gaat. Dit is vooral van belang voor degene aan wie de bevoegdheid gemandateerd of gedelegeerd wordt; de burger die met een concreet besluit geconfronteerd wordt, verkrijgt via de eis van artikel [hof: 10:5 Awb] duidelijkheid.  (…)

Tussen mandaat en volmacht bestaan naast overeenkomsten ook verschillen. (…) Deze vloeien voort uit de verschillende materie die door deze rechtsfiguren worden bestreken: de volmacht is van belang voor zeer uiteenlopende rechtshandelingen, waaronder in de eerste plaats die welke het vermogen van de volmachtgever raken, terwijl het mandaat op de uitoefening van een bestuursbevoegdheid ziet. Het is eigen aan het bestuursrecht dat het zorgt voor waarborgen voor een zo goed mogelijk uitoefenen van de publieke taak, waarborgen waarop het privaatrecht niet is toegesneden. (…) Anders dan in het privaatrecht is het in het bestuursrecht veel minder gebruikelijk mandaat te verlenen aan anderen dan ondergeschikten. Daarvoor bestaan ook goede redenen. In het bestuursrecht wordt een bevoegdheid aan een bepaald bestuursorgaan toegedeeld omdat dit bestuursorgaan het meest geschikt wordt geacht om die taak in overeen stemming met het algemeen belang uit te oefenen. Daarbij spelen niet alleen de positie en de deskundigheid van het betrokken bestuursorgaan een rol, maar ook de mogelijkheid van goede controle op de taakuitvoering. (…) Mandaat aan anderen dan ondergeschikten past minder goed in dit beeld. Hoewel uit de mandaatfiguur voortvloeit dat de mandaatgever steeds aanwijzingen kan geven over de wijze van uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid, is dit voor een niet-ondergeschikte een afwijking van het normale patroon van zijn werkzaamheden. Voor een ondergeschikte sluit het daarop juist goed aan. Voor hem geldt dat ook langs andere weg verzekerd is dat hij optreedt overeenkomstig de instructies van de mandaatgever; uit het hiërarchisch verband kunnen sancties voortvloeien indien daarmee in strijd wordt gehandeld. Jegens de niet-ondergeschikte bestaan deze sancties niet. (…) Daartoe wordt in artikel [hof: 10:4 Awb] voorgeschreven dat de niet-ondergeschikte slechts als gemandateerde kan optreden indien hij met het mandaat heeft ingestemd. Daarmee verplicht hij zich overeenkomstig de aanwijzingen van de mandaatgever te handelen, en staat ook tegenover derden vast dat hij over de gemandateerde bevoegdheid beschikt. Dientengevolge zal hij ook niet kunnen weigeren haar uit te oefenen indien dat in de gegeven omstandigheden verlangd kan worden. (…) Daarbij komt dan nog, dat mandaatverlening op zich zelf niet geoorloofd is indien de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Een onbegrensde mogelijkheid van mandaatverlening zou de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor de goede gang van zaken te veel uithollen.

(…)

[Hof: artikel 10:4 Awb] ziet op de bevoegdheid tot mandaatverlening aan anderen dan ondergeschikten. (…) De bepaling is van toepassing indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, dat wil zeggen niet aan hem ondergeschikt is. (…) De eis van instemming die in dit artikel is opgenomen behelst geen vormvereiste. (…) Overigens zij opgemerkt dat het in verband met (…) duidelijkheid, en ter voorkoming van mogelijke bewijsproblemen voor de rechter, in het algemeen aanbeveling verdient dat ook een bijzonder mandaat schriftelijk wordt verleend.’

In de wetsgeschiedenis (TK 1993/94, 23 700, nr. 5, p. 14) is verder het volgende vermeld:

‘Mandaat aan ondergeschikten is steeds een eenzijdige (publiekrechtelijke) rechtshandeling. Mandaat aan niet-ondergeschikten is - met uitzondering van de situatie waarin bij wettelijk voorschrift in mandaat is voorzien - alleen mogelijk indien de ander het mandaat ook aanvaardt: wilsovereenstemming is vereist en dat impliceert een afspraak of in de terminologie van het BW een overeenkomst. De regeling in de Awb heeft tot doel duidelijk vast te leggen dat indien mandaat aan een niet-ondergeschikte wordt verleend, door de aanvaarding van het mandaat enerzijds een rechtsverhouding ontstaat zonder welke de mandaatgever de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid niet zou kunnen dragen en anderzijds de gemandateerde zich onderwerpt aan de verplichtingen voor de gemandateerde in de Awb.

(…)

Zoals in het antwoord bij artikel [hof: 10:4 Awb] is aan gegeven is de eis van instemming nodig om de rechtsverhouding tussen de mandaatgever en de niet-ondergeschikte gemandateerde te doen ontstaan. In veel gevallen zal voorafgaand overleg zijn gepleegd, veelal uitmondend in een schriftelijke instemming. Van die instemming kan echter ook blijken uit de uitoefening van het mandaat. De eis van schriftelijke instemming lijkt ons niet alleen te zwaar vanwege de administratieve belasting, maar is ook niet nodig voor een goed zicht op verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid: deze berust steeds bij de mandaatgever.’