Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:85

Zaaknummer

230129H3

Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek  van (tweede) herzieningsbeslissing naar aanleiding van een beslissing van het hof op grond van artikel 13 Advw niet-ontvankelijk. Het herzieningsverzoek is feitelijk een verkapt hoger beroep, en daarvoor is het middel van herziening niet bedoeld. Misbruik van recht.

Uitspraak

Beslissing van 27 maart 2026

in de zaak 230129H3

 

naar aanleiding van het verzoek tot herziening van:

                                     

verzoekster

gemachtigde: mr. R.J. Skála

                                     

1 HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 De herzieningskamer van het hof (hierna: de herzieningskamer) verwijst naar de beslissing van 31 mei 2023 van het Hof van Discipline (hierna: het hof) met zaaknummer 230129. Daarin is het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet (Advw) van verzoekster tegen de beslissing van 16 mei 2023 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) ongegrond verklaard. De beslissing is onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2023:74 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.

1.2 Op 1 juni 2023 heeft verzoekster voor de eerste keer verzocht om herziening van de beslissing van het hof van 31 mei 2023. Dit heeft geleid tot de beslissing van 11 september 2023 (met zaaknummer 230129H), waarbij de herzieningskamer verzoekster niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar herzieningsverzoek. Deze beslissing is onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2023:153 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.

1.3 Op 3 maart 2025 heeft verzoekster voor de tweede keer verzocht om herziening van de beslissing van het hof van 31 mei 2023. Dit heeft geleid tot de beslissing van 27 oktober 2025 (met zaaknummer 230129H2), waarbij de herzieningskamer verzoekster wederom niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar herzieningsverzoek. Deze beslissing is onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2025:221 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.

 

2 HET VERZOEK TOT HERZIENING

2.1 Op 6 november 2025 heeft verzoekster verzocht om herziening van de beslissing van het hof van 27 oktober 2025 op het tweede herzieningsverzoek.

2.2 Verder bevat het herzieningsdossier:

- de stukken van de raad;

- een brief van de deken van 27 november 2025, waarin de deken in reactie op het verzoek heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof hierover.

2.3 De herzieningskamer heeft het verzoek op grond van artikel 4.2 van het herzieningsprotocol van het hof (oud) in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

 

3 BEOORDELING

De mogelijkheid tot herziening

3.1 De herzieningskamer stelt voorop dat de Advocatenwet niet voorziet in de mogelijkheid om tegen een beslissing van het hof een rechtsmiddel, zoals een verzoek tot herziening, in te stellen. Daarom is een verzoek tot herziening van een uitspraak van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof zo’n verzoek niet in behandeling.

3.2 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1 van het herzieningsprotocol van het hof, een verzoek om herziening wel ontvankelijk verklaren en in behandeling nemen. Er moet dan sprake zijn van de uitzonderingen die in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol zijn opgenomen, en op die uitzonderingen kan op grond van artikel 1.3 van het herzieningsprotocol alleen een beroep worden gedaan door een advocaat aan wie bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd een maatregel is opgelegd.

Het herzieningsverzoek

3.3 Verzoekster vraagt om herziening van de beslissing van 27 oktober 2025 wegens schending van fundamentele rechtsbeginselen. Verzoekster stelt in het herzieningsverzoek dat sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces, schending van het beginsel van hoor en wederhoor en miskenning door het hof van de betekenis van het begrip ‘novum’. Daarnaast voert verzoekster aan dat het hof in de beslissing de twee overige verzoeken op onjuiste gronden heeft afgewezen. Ten slotte heeft verzoekster erop gewezen dat zij verplicht is opnieuw een herzieningsverzoek te doen om de Staat aansprakelijk te kunnen stellen. Volgens verzoekster is er sprake van een fundamentele miskenning van essentiële procedurele rechten, als gevolg waarvan zij ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard in haar herzieningsverzoek.

Ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek  

3.4 Verzoekster voldoet niet aan de eis die in artikel 1.3 van het herzieningsprotocol is neergelegd. Zij is immers geen advocaat aan wie een maatregel is opgelegd. Verzoekster is reeds daarom niet-ontvankelijk in haar herzieningsverzoek.

3.5 Ook is geen sprake van een uitzonderingssituatie als bedoeld in de uitspraak van de herzieningskamer van het hof van 26 september 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:141, waarin het herzieningsverzoek werd toegewezen omdat het hof ten onrechte twee processtukken van verzoekster buiten beschouwing had gelaten (schending van het beginsel van hoor en wederhoor). Uit de onderbouwing door verzoekster van het onderhavige herzieningsverzoek, blijkt dat verzoekster het niet eens is met de motivering door het hof van de beslissing van 27 oktober 2025, en in het bijzonder niet met de uitleg door het hof van het woord ‘novum’. De herzieningskamer wijst er allereerst op dat het bij de overweging van het hof over het begrip ‘novum’ gaat om een zogenoemde ‘ten overvloede overweging’, die niet dragend is voor de niet-ontvankelijkverklaring. Verzoekster is in haar herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard op grond van genoemd artikel 1.3 van het herzieningsprotocol, omdat zij geen advocaat is aan wie een maatregel is opgelegd. Motiveringsklachten leveren naar vaste jurisprudentie van het hof geen schending op van een fundamenteel rechtsbeginsel, en zijn daarmee geen grond voor herziening (zie Hoge Raad, bijvoorbeeld HR 23 juni 1995, NJ 1995/661 en HvD 27 januari 2019, ECLI:NL:TAHVD:2020:5 en HvD 16 december 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:173).

3.6 De herzieningskamer constateert dat het herzieningsverzoek feitelijk een verkapt hoger beroep is, en daarvoor is het middel van herziening niet bedoeld. Het herzieningsverzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Misbruik van recht

3.7 Zoals blijkt uit r.o. 3.6, heeft verzoekster de bevoegdheid om een (nieuw) herzieningsverzoek in te dienen ingezet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoekster daarmee misbruik gemaakt van haar bevoegdheid om een herzieningsverzoek in te dienen. Gelet hierop moet verzoekster er rekening mee houden dat een eventueel volgend herzieningsverzoek buiten behandeling wordt gesteld. 

 

4 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk.

 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin , voorzitter,  mrs. A.R. Creutzberg en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

                    

griffier                                                                                      voorzitter    

 

De beslissing is verzonden op 27 maart 2026 .