Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:88

Zaaknummer

250457

Inhoudsindicatie

Beklag artikel 13 ongegrond. De deken kan geen advocaat aanwijzen voor een procedure in een huurzaak bij de kantonrechter, omdat die procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent.

Uitspraak

Beslissing van 27 maart 2026

in de zaak 250457

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

 

klager

 

tegen:

 

de deken

 

1 DE PROCEDURE 

Bij de deken

1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 18 november 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek een huurzaak betreft, waarvoor geprocedeerd moet worden bij de kantonrechter. Voor een procedure bij de kantonrechter is een advocaat niet verplicht.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 24 december 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4  Verder bevat het dossier:

- het verweer van de deken

- de repliek

- de dupliek.

Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

 

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klager was huurder van een restaurant in Den Haag. Tussen klager en de verhuurder is een geschil ontstaan, dat onder meer betrekking had op gebreken aan het gehuurde.  

2.2 Op 16 november 2022 heeft de kantonrechter in kort geding de vordering van de verhuurder tot ontruiming van het door klager gehuurde en betaling van de huurachterstand met (boete-)rente afgewezen. De kantonrechter overwoog dat er weliswaar een hoge huurachterstand was, maar dat aannemelijk was dat klager in de bodemprocedure een beroep kon doen op huurkorting vanwege corona en op huurvermindering vanwege de gebreken.

2.3 Op 8 juni 2023 heeft de kantonrechter vonnis gewezen in de bodemprocedure tussen klager en de verhuurder. Uit het vonnis blijkt onder meer het volgende:

- Klager kon in beginsel aanspraak maken op een coronakorting, maar zijn vordering is afgewezen, omdat een deugdelijke financiële onderbouwing ontbrak.

- Klager had recht op een huurkorting van 40% vanwege de gebreken (lekkages en schimmelvorming), die pas na 20 maanden waren verholpen. De totale huurkorting is vastgesteld op € 12.172,61.

- De vordering van klager ter zake schadevergoeding is afgewezen, omdat klager niet heeft kunnen aantonen dat het (volledig) sluiten van het restaurant noodzakelijk was als gevolg van (het verzuim van de verhuurder tot herstel van) de gebreken.

- Klager had recht op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 896,73.

- De vordering van de verhuurder in reconventie is toegewezen. Na verrekening met het toegewezen bedrag van de huurkorting van € 12.172,61 resteerde een bedrag van € 14.445,77. Klager is veroordeeld dit laatste bedrag aan de verhuurder te betalen.

- Ook is klager veroordeeld om alle opeisbaar geworden huurpenningen voor de maanden na januari 2023 te voldoen, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand met een minimum van € 300,00 per maand.

- De verhuurder had recht op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 919,46.

- De vorderingen van de verhuurder tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van zijn afgewezen.

2.4 Van het vonnis van 8 juni 2023 is geen hoger beroep ingesteld.

2.5 Op 25 juli 2023 heeft de advocaat van de verhuurder klager aangeschreven tot betaling van een bedrag van € 27.174,17, berekend tot en met de maand juni 2023. De advocaat heeft erop gewezen dat klager de huur van de maand juli 2023 ook niet betaald had en dat klager aantoonbaar geen gebruik meer maakte van het gehuurde en daardoor een boete van € 250,00 per dag verschuldigd was.

2.6 Klager stelt dat een deurwaarder inmiddels een bedrag van € 79.106,08 vordert op basis van het vonnis van 8 juni 2023.

 

3. BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek om een advocaat aan te wijzen ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert aan dat hij zijn onderneming is kwijtgeraakt, diep in de schulden zit en nu wordt geconfronteerd met een executiebedrag van € 79.106,08, terwijl dit bedrag niet klopt met het vonnis en niet klopt met zijn werkelijk situatie.

3.2 Klager stelt dat zijn advocaat hem destijds niet goed heeft bijgestaan en dat door diens fouten en tekortkomingen een vonnis is gewezen dat geen recht doet aan de feiten. In kort geding heeft klager gelijk gekregen, wat voor hem bevestigt dat zijn klachten reëel waren. Klager vindt het onbegrijpelijk dat in het vonnis in de bodemprocedure dit volledig is omgedraaid zonder alle bewijzen mee te nemen. Dit maakt het vonnis innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk. Geen enkele advocaat wil klagers zaak overnemen, maar zonder advocaat kan klager zich juridisch niet verdedigen. De stelling dat een advocaat niet verplicht is bij de kantonrechter miskent volledig de complexiteit en de ernst van het dossier en ontneemt klager feitelijk de toegang tot recht.

3.3 Het executiebedrag van € 79.106,08 staat in geen verhouding tot wat uit het vonnis volgt. Dit bedrag bestaat uit huurachterstanden, kosten, rente en executiekosten die zijn opgelopen terwijl klager geen inkomen had, zijn restaurant gesloten was en hij geen coronasteun heeft ontvangen terwijl hij daar wel recht op had. Zonder gespecialiseerde rechtsbijstand is klager niet in staat een executiegeschil of kort geding te starten om deze executie te laten toetsen en zo nodig te laten schorsen.

Verweer

3.4 De deken heeft aangevoerd dat zij het verzoek van klager om aanwijzing van een advocaat heeft afgewezen omdat het betrekking heeft op vertegenwoordiging/bijstand in het kader van een huurrechtzaak. Dit betreft een procedure voor de kantonrechter. Voor een procedure bij de kantonrechter is vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht. Dat betekent dat de deken niet bevoegd is een advocaat aan te wijzen om klager bij te staan. Bovendien ligt er een vonnis van 8 juni 2023, dat in kracht van gewijsde is gegaan, omdat er geen hoger beroep is ingesteld. De deken is van mening dat een nieuwe procedure over dezelfde kwestie om een andere, voor klager gunstige uitspraak, te verkrijgen geen kans van slagen zal hebben.

3.5 Uit het beklag begrijpt de deken dat er beslag is gelegd op de uitkering van klager. De stafjurist heeft klager, naar aanleiding van het beklag, geadviseerd om zich nogmaals tot het juridisch loket te wenden om te laten onderzoeken of het beslag terecht en tot het juiste bedrag is gelegd. Op dit moment kan de deken niet beoordelen of zij een advocaat zou moeten aanwijzen om een executiegeschil te entameren. Uit niets blijkt dat klager zich heeft ingespannen om juridisch advies in te winnen over deze executiemaatregelen. Klager heeft alleen advocaten benaderd met het verzoek hem bij te staan in een procedure tegen de verhuurder van het pand waarin zijn restaurant was gevestigd. Voor zover klager, voor het eerst in deze beklagprocedure, ook om aanwijzing verzoekt van een advocaat in verband met de executiemaatregelen, meent de deken dat dit verzoek ook afgewezen moet worden, omdat er onvoldoende informatie voorhanden is om dit verzoek te kunnen beoordelen.

 

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling

4.2 Het hof begrijpt het verzoek dat klager bij de deken heeft ingediend aldus, dat klager een procedure wil voeren over de huurkwestie. Klager heeft aangevoerd dat hij om meerdere redenen meent dat het vonnis van de kantonrechter van 8 juni 2023 niet juist is. Hij zou nu over de bewijzen beschikken om dat aan te tonen.

4.3 In het algemeen geldt dat in huurzaken geprocedeerd wordt bij de kantonrechter. De deken heeft terecht aangevoerd dat zij geen advocaat kan aanwijzen voor een procedure bij de kantonrechter, omdat klager daar zonder advocaat mag procederen. Artikel 13 Advocatenwet betreft uitsluitend situaties waarin vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is. De deken heeft het verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat in zoverre terecht afgewezen.

4.4 In deze zaak is verder van belang dat er al een procedure is gevoerd, die is geëindigd met het vonnis van 8 juni 2023. Tegen dat vonnis is geen beroep aangetekend. Dat betekent dat het vonnis na afloop van de beroepstermijn definitief is geworden (kracht van gewijsde heeft gekregen). Daarna is het in principe niet meer mogelijk over zaken, die al in het vonnis zijn beslist, nogmaals te procederen. Het enkele feit dat klager nu mogelijk wél over bewijzen beschikt die hij destijds niet had, is voor een nieuwe procedure niet voldoende. Het hof volgt klager ook niet in zijn stelling dat het kort geding vonnis van 16 november 2022 tegenstrijdig is aan de beslissing van 8 juni 2023. In beide procedures is vastgesteld dat geen reden bestond voor ontbinding of ontruiming, omdat op de bestaande huurachterstand wel wat was af te dingen. In de bodemprocedure moest klager echter aantonen hoeveel er op die huurachterstand was af te dingen en daarin is hij maar beperkt geslaagd. Het hof is daarom met de deken van oordeel dat een mogelijke nieuwe procedure bij de kantonrechter over de zaken die al eerder aan de orde zijn geweest, geen redelijke kans van slagen heeft. Ook om die reden heeft de deken het verzoek van klager terecht afgewezen.

4.5 Een andere vraag is of klager in aanmerking zou kunnen komen voor toewijzing van een advocaat voor een executiegeschil over het inmiddels door de voormalig verhuurder gevorderde bedrag op basis van het vonnis van 8 juni 2023. Die vraag heeft klager (nog) niet aan de deken voorgelegd. De deken heeft ook aangevoerd dat zij die vraag niet heeft beoordeeld, omdat zij daarover onvoldoende informatie heeft. Een mogelijk verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat voor een executiegeschil valt daarom buiten de reikwijdte van deze beklagprocedure. Het hof merkt daarbij op dat een dergelijk executiegeschil in dit geval op grond van artikel 438 lid 2 Rv in beginsel ook bij de kantonrechter kan worden gevoerd, met als gevolg dat bijstand door een advocaat in dat geval eveneens niet verplicht is.

4.6 Omdat deze beklagprocedure gaat over de beslissing van de deken om geen advocaat aan te wijzen voor een procedure bij de kantonrechter in de huurzaak, zal het hof het beklag ongegrond verklaren, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4.

 

5 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 18 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.

 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P Fortuin, voorzitter, mrs. J. Steenbrink en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

 

griffier                                                                                                       voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 27 maart 2026.