Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:87

Zaaknummer

250417

Inhoudsindicatie

Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Bij de beslissing op een verzoek om aanwijzing van een advocaat toetst de deken aan de voorwaarden op grond van artikel 13 Advw. Het geschil waarvoor klager om aanwijzing van een advocaat verzoekt, komt in de kern neer op een huurrechtgeschil. Huurgeschillen kunnen worden aangebracht bij de kantonrechter. Daarvoor is geen bijstand van een advocaat vereist. De deken heeft het verzoek om aanwijzing terecht afgewezen.

Uitspraak

Beslissing van 27 maart 2026

in de zaak 250417

         

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

 

klager

         

tegen:

         

dekens van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

de deken

 

1 DE PROCeDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft op 2 september 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet (hierna ook: Advw).

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 14 oktober 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een kwestie waarbij bijstand van een advocaat verplicht is, omdat het gaat om een kwestie die valt onder het huurrecht. Huurrechtprocedures worden aanhangig gemaakt bij de kantonrechter en daarvoor geldt geen verplichte vertegenwoordiging door een advocaat, om welke reden de deken niet bevoegd is een advocaat aan te wijzen om klager in zijn zaak bij te staan.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 24 november 2025 een beklagschrift, met bijlagen, tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna steeds: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

- een e-mail van klager van 1 december 2025;

- het verweer van de deken van 16 december 2025;

- een e-mail van klager van 23 december 2025.

1.5 In de e-mail van 23 december 2025 heeft klager geschreven dat hij, na het lezen van de beweegreden en onderbouwing van de afwijzende beslissing van de deken, heeft besloten af te zien van het verder procederen. De griffier heeft naar aanleiding daarvan telefonisch contact met klager opgenomen, met de vraag of het hof uit de e-mail kan begrijpen dat klager het beklag wenst in te trekken. Klager heeft meegedeeld dat hij de beslissing van het hof op zijn beklag eerder had verwacht, en dat hij uit het uitblijven daarvan heeft afgeleid dat er kennelijk geen (schriftelijke) beslissing meer zou volgen. Uit het verweerschrift van de deken heeft klager opgemaakt dat het door hem gedane aanwijzingsverzoek een heilloze weg is, en om die reden heeft klager bij de deken inmiddels een nieuw aanwijzingsverzoek ingediend. Klager heeft niet bevestigd dat hij het beklag wil intrekken.

1.6 Op grond van het vorenstaande heeft het hof het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

 

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klager heeft op 2 september 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat.

2.2 Naar aanleiding daarvan heeft een stafmedewerker van de deken klager er bij e-mail van 4 september 2025 over geïnformeerd dat de deken een advocaat kan aanwijzen indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

- de rechtzoekende moet er aantoonbaar niet in zijn geslaagd zelf een advocaat te vinden om hem of haar bij te staan; --  het moet gaan om een kwestie, waarbij bijstand/vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is; 

-  de zaak moet dienen in het arrondissement Amsterdam;

- de deken moet ervan overtuigd zijn dat de rechtzoekende een voldoende belang bij de zaak heeft.

Gelet op deze wettelijke voorwaarden is klager verzocht de deken over het volgende te informeren:

“Uit uw verzoek is mij niet duidelijk voor welke kwestie u precies op zoek bent naar een advocaat. Uit één van de door u opgegeven afwijzingen van advocaten, begrijp ik dat het zou gaan om onophoudelijke vertragingen en weigeringen om schade te herstellen, door de woningbouwvereniging [A]. Begrijp ik het goed dat u de deken verzoekt om een advocaat aan te wijzen omdat [de woningbouwvereniging A] weigert om schade aan uw woning te herstellen?”

2.3 Klager heeft bij e-mail van 14 september 2025 op het verzoek van de deken gereageerd. Daarin heeft klager onder meer het volgende geschreven:

“Kern van de hulpvraag:

Ik ben sinds 2012 woonachtig aan de [straatnaam] in [woonplaats]. Sindsdien is er een ingrijpend conflict ontstaan met de buren, dat mede vanwege de gehorigheid van de woningen is geëscaleerd. De situatie heeft geleid tot aantijgingen van stalking en stigmatisering in mijn richting, alsmede negatieve bejegening en beïnvloeding door onder meer GGD, politie, woningcorporatie [A] en de GGZ.”

2.4 Na bestudering van klagers verzoek en het e-mailbericht van 14 september 2025, heeft de deken het verzoek van klager met de beslissing van 14 oktober 2025 afgewezen. De deken heeft aan de afwijzing het volgende ten grondslag gelegd:

“U bent woonachtig in een huurwoning van woningbouwvereniging [A] aan de [straatnaam] in [woonplaats]. Er is sprake van onophoudelijke vertragingen en weigeringen door [de woningbouwvereniging A] om schade aan uw woning te herstellen. Daarnaast bent u verwikkeld in een conflict over geluidsoverlast met uw buren, ook huurders van [de woningbouwvereniging A]. Deze situatie heeft geleid tot diverse andere problematiek.

(…)

Zoals hierboven uitgelegd is artikel 13 Advocatenwet alleen van toepassing op zaken waarin bijstand door een advocaat verplicht is. De kwestie die u heeft aangevoerd, valt onder het huurrecht. Huurrecht procedures worden aanhangig gemaakt bij de kantonrechter. Hiervoor geldt geen verplichte vertegenwoordiging door een advocaat. U mag de procedure zelf voeren; u mag ook iemand die geen advocaat is vragen om u te helpen bij de procedure. Dit betekent dat ik niet bevoegd ben een advocaat aan te wijzen om u bij te staan in uw zaak. Eventueel kunt u de zaak ook voorleggen aan de Huurcommissie, die een bindende uitspraak kan doen. Ook hiervoor geldt geen verplichte vertegenwoordiging door een advocaat, zodat ik niet bevoegd ben een advocaat aan te wijzen om u bij te staan.

Ten overvloede merk ik nog op dat voor zover uw verzoek om aanwijzing van een advocaat tevens ziet op andere kwesties u per kwestie een afzonderlijk verzoek via de website van de Amsterdamse orde van advocaten dient in te dienen. Ik wijs erop dat voor elk ingediend verzoek geldt dat u dient aan te tonen dat u zich voldoende heeft ingespannen om een advocaat te vinden.”

2.5 Op 24 november 2025 heeft klager een beklagschrift ingediend. Daarin staat - onder meer - het volgende:

“De onderhavige disciplinaire procedure richt zich tegen de GGD‑medewerkers [naam medewerker A] en [naam medewerker B], de psychiater [naam psychiater], [namen medewerkers] van [GGZ-instelling] en leden van de wooncorporatie A[] ([namen medewerkers woningbouwvereniging A]).

De zaak omvat een onrechtmatige, gedwongen GGZ‑interventie, onrechtmatige uitwisseling van persoonsgegevens en ernstige immateriële schade door stalking, laster, smaad en belediging van mijn buren ([namen buren]). Deze complexiteit maakt een deskundige advocaat onmisbaar.”

 

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Daartoe voert klager aan dat de afwijzing in strijd is met de Wet op de rechtsbijstand, gelet op het zwaarwegende belang dat klager bij de op te starten procedure(s) heeft en de complexiteit van de zaak. De afwijzing ondermijnt volgens klager daarnaast zijn recht op een eerlijk proces. Verder voert klager aan dat de deken bij het nemen van de beslissing de onjuiste veronderstelling had dat de zaak geen strafrechtelijke aspecten heeft, terwijl dat wel het geval is. Dit ondermijnt de grondslag van het besluit, aldus klager. Klager benadrukt dat het ontbreken van een advocaat een eerlijk verweer onmogelijk maakt.

3.2 Klager verzoekt het hof daarom:

de beslissing van de deken te herroepen en klager recht te geven op een (gesubsidieerde) advocaat; een nadere motivering van de deken te eisen, waarin wordt aangetoond dat zij de criteria van de Wet op de Rechtsbijstand en artikel 6 EVRM correct heeft toegepast; de disciplinaire procedure (tegen GGD ‑ medewerkers, [de psychiater] en [de woningbouwvereniging A]) op te schorten totdat klager wordt bijgestaan door een advocaat, zodat een eerlijk en evenwichtig proces kan plaatsvinden.

Verweer

3.3 De deken is van mening dat het beklagschrift geen gronden bevat op grond waarvan de deken tot een andere beslissing had moeten komen. De deken verzoekt het hof het beklag dan ook ongegrond te verklaren. Verder heeft de deken meegedeeld dat zij uit het beklagschrift begrijpt dat klager een advocaat aangewezen wil krijgen om hem bij te staan in zijn disciplinaire procedure tegen GGD-medewerkers, [de psychiater] en [de woningbouwvereniging A]. De deken wijst erop dat dit een nieuw verzoek is, dat klager nog niet (eerder) bij de deken heeft ingediend en waarover de deken dus nog niet heeft beslist. De deken heeft aangegeven dat voor zover klager er niet in is geslaagd om voor deze kwesties een advocaat te vinden die hem kan bijstaan, hij daarvoor een nieuw verzoek op grond van artikel 13 Advw kan indienen.

 

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advw kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Het verzoek van klager

4.2 Naar het oordeel van het hof heeft de deken uit het webformulier van 2 september 2025 en de e-mail van 14 september 2025 van klager, terecht afgeleid dat het geschil waarvoor klager om aanwijzing van een advocaat verzoekt, in de kern neerkomt op een huurrechtgeschil. Het betreft kort gezegd een conflict met zijn buren en schade aan zijn woning die niet (tijdig) werd hersteld. Zoals ook de deken heeft aangegeven, kunnen huurgeschillen worden aangebracht bij de kantonrechter. Daarvoor is geen bijstand van een advocaat vereist.De deken heeft het verzoek om aanwijzing dan ook terecht afgewezen.

4.3 In reactie op de beroepsgronden van klager overweegt het hof verder het volgende. Het verzoek om aanwijzing van een advocaat is gebaseerd op artikel 13 Advw. Bij de beslissing op een dergelijk verzoek toetst de deken aan de voorwaarden op grond van dit artikel, en niet aan de artikelen waar klager in het beklagschrift naar verwijst. Ook gelet hierop is het beklag ongegrond.

4.4 Ten aanzien van de verzoeken 2 en 3 overweegt het hot ten slotte dat het voor het hof binnen de kaders van artikel 13 Advw niet mogelijk is een nadere motivering van de deken te eisen. Het hof ziet daartoe ook geen aanleiding, nu de deken de beslissing naar het oordeel van het hof op goede gronden heeft genomen. Verder heeft het hof niet de mogelijkheid andere disciplinaire procedures op te schorten. Het hof komt aan deze verzoeken daarom verder niet toe.

Slotsom

4.5 Het beklag tegen de beslissing van de deken zal op grond van het vorenstaande ongegrond worden verklaard.

 

5 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 14 oktober 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

                                       

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 27 maart 2026 .