Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:90

Zaaknummer

250460

Inhoudsindicatie

Ongegrond verzet

Uitspraak

Beslissing van 27 maart 2026

in de zaak 250460

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

gemachtigde: 

 

tegen:

 

 

verweerder

 

1 DE PROCEDURE 

Bij de raad

1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 8 september 2025 van de voorzitter van de Raad van Discipline (hierna: de raad) in het ressort Amsterdam. De voorzitter heeft met die beslissing (zaaknummer: 25-447/A/A) van de klacht van klager de klachtonderdelen a), b), c), d) en e) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en de klachtonderdelen f), g) en h) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:153 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2 Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. De raad heeft in een beslissing van 22 december 2025 het verzet van klager ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet). De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:234 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof

1.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing op verzet is op 24 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Klager heeft daar op 26 december 2025 een aanvullende toelichting op gegeven. Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.

1.4 De zaak is in raadkamer behandeld.

 

2 BEROEPSGRONDEN

2.1 Het beroep van klager is gericht tegen de beslissing op verzet.

2.2 Klager stelt dat sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen bij de behandeling van de zaak door de raad. Ook stelt klager dat de beslissing van de raad ondeugdelijk is en niet/onvoldoende is gemotiveerd.

2.3 Ter onderbouwing heeft klager het volgende aangevoerd.

1. De raad heeft verzuimd de door klager overgelegde administratieve en schriftelijke bewijzen inhoudelijk te wegen en heeft zijn oordeel gebaseerd op louter aannames, zodat de beslissing feitelijk onjuist is. Kern van de klacht is de vraag wie de cliënt van verweerder was en de raad is ten onrechte uitgegaan van de aanname dat de heer N de cliënt was. Dat is in strijd met vaste rechtspraak van het hof, waaronder HvD 21 december 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:218.

2. De feiten zijn niet correct vastgesteld, want het kernfeit - wie de cliënt was - is niet vastgesteld, zodat er ook geen sprake kan zijn van een zorgvuldige tuchtrechtelijke beoordeling.

3. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat klager tuchtrechtelijk geen belang heeft. Klager heeft immers jarenlang moeten procederen tegen een partij die geen belang had. Dat was een onzuivere procesconstructie.

4. Er is een cirkelredenering gehanteerd: dat N de cliënt zou zijn, wordt door verweerder gesteld, door de voorzitter aangenomen, door de raad niet onderzocht en vervolgens gebruikt om inhoudelijke toetsing te vermijden. Omdat het feit niet wordt vastgesteld, kan de klacht niet slagen en omdat de klacht niet slaagt, wordt het feit niet vastgesteld.

5. De beslissing heeft als onaanvaardbaar precedent dat een advocaat zonder opdracht, volmacht of juiste cliënt kan procederen, de tuchtrechter dit accepteert en wederpartijen geen bescherming genieten tegen dergelijke schijnconstructies. Dit ondermijnt het vertrouwen in het tuchtrecht en raakt de kern van het toezicht op de advocatuur.

 

3 BEOORDELING

maatstaf

3.1 Artikel 46h lid 7 van de Advocatenwet bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet tegen een voorzittersbeslissing niet-ontvankelijk of ongegrond is verklaard. Er kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Dan kan het appelverbod worden doorbroken. Het hof zal onderzoeken of daarvan sprake is.

beoordeling

3.2 De door klager aangevoerde gronden zien uitsluitend op de inhoudelijke beoordeling van de zaak en raken niet aan fundamentele rechtsbeginselen bij de behandeling van het verzet door de raad, zoals schending van hoor en wederhoor. Dergelijke klachten leveren naar vaste jurisprudentie geen grond op voor doorbreking van het appelverbod (vergelijk: HvD 28 augustus 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:168, ECLI:NL:TAHVD:2017:169 en HR 23 juni 1995, NJ 1995/661).

3.3 Het hof voegt daar nog aan het volgende aan toe. Een advocaat hoeft tegenover de wederpartij of derden niet te bewijzen dat hij voor een bepaalde cliënt optreedt. Of een advocaat al dan niet bevoegd is een bepaalde partij te vertegenwoordigen, is uitsluitend een kwestie tussen de advocaat en die partij. Dat de werkgever van de heer N een cliënt was van verweerder en ook dat verweerder oorspronkelijk aan die werkgever heeft gedeclareerd, sluit allerminst uit dat ook de heer N zelf cliënt van verweerder was. Verweerder heeft gesteld dat de heer N zijn cliënt was (en de heer N staat ook als zodanig op de processtukken vermeld), maar dat er als gevolg van een administratieve fout aan de werkgever van N is gefactureerd. De raad hoefde dat niet te onderzoeken. Uit de uitspraak van het hof, waar klager naar verwijst, volgt dat ook niet. Die uitspraak gaat over de onderzoeksplicht van een advocaat in een specifieke situatie, namelijk naar de vraag of zijn cliënt in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand.

slotsom

3.4 De slotsom is dat de gronden voor doorbreking van het appelverbod falen. Klager kan dan ook niet in hoger beroep worden ontvangen.

 

4 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

verklaart het beroep van klager niet-ontvankelijk.

 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P Fortuin, voorzitter, mrs. J. Steenbrink en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

 

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 27 maart 2026 .