Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:89
Zaaknummer
250458
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 ongegrond. De deken hoefde geen advocaat aan te wijzen voor een procedure in een huurzaak bij de kantonrechter, omdat die procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent.
Uitspraak
Beslissing van 27 maart 2026
in de zaak 250458
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de (voormalig) deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De (voormalig) deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 28 november 2025. Hij heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het gaat om een procedure bij de kantonrechter, waarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat geldt. De deken is niet bevoegd voor deze procedure een advocaat aan te wijzen.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 27 december 2025 een beklag tegen de beslissing van de (voormalig) deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager had tot 9 februari 2025 een arbeidsovereenkomst met een uitzendorganisatie, waarbij hem tevens woonruimte ter beschikking was gesteld. Klager heeft zich na de beëindiging van de overeenkomst door de uitzendorganisatie tot een advocaat gewend. Die advocaat heeft voor klager een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank, sector kanton, waarin hij betaling van achterstallig loon (€ 3.115,16 bruto) en vergoeding van te veel ingehouden gebruiksvergoeding voor de woonruimte (€ 800,00) vorderde.
2.2 De kantonrechter heeft de vorderingen van klager bij verstekvonnis van 5 juni 2025 toegewezen.
2.3 De uitzendorganisatie heeft verzet aangetekend tegen het verstekvonnis. De advocaat die klager eerder bijstond, was niet bereid klager verder bij te staan. Klager heeft getracht een andere advocaat te vinden die bereid was om hem in de verzetprocedure bij te staan, maar dat is hem niet gelukt.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen, omdat deze beslissing is gebaseerd op een oppervlakkige beoordeling van de situatie, die niet overeenkomt met de complexiteit van de zaak en de kwetsbaarheid van klager.
3.2 Klager heeft aangevoerd dat het geen eenvoudige kantonrechtszaak betreft, maar een zaak met zes overlappende rechtsgebieden (arbeidsrecht, CAO-recht, huurrecht, strafrecht, EU-recht en socialezekerheidsrecht). De uitzendorganisatie wordt door een advocaat bijgestaan en het belang van de zaak is groot: de vordering bedraagt meer dan € 50.000,00. De deken heeft ten onrechte geen rekening gehouden met klagers medische en sociale factoren, terwijl deze volgens jurisprudentie van het hof als “bijzondere omstandigheden” meegewogen hadden moeten worden. Klager wijst er onder meer op dat hij PTSS heeft, dakloos is, slechts een minimale Ziektewetuitkering ontvangt en slecht Nederlands spreekt. Als EU-immigrant heeft hij recht op dezelfde voorzieningen als Nederlandse burgers, waaronder effectieve toegang tot rechtsbijstand. De afwijzing door de deken om een advocaat aan te wijzen die klager kan bijstaan, negeert de essentie van artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU betreffende effectieve toegang tot de rechter.
Verweer
De deken heeft aangevoerd dat het aanwijzingsverzoek van klager is afgewezen omdat de verzetprocedure een kantonzaak is. Zonder iets af te willen doen aan de ernst van de situatie waarin klager zegt te verkeren, is er sprake van formeel beletsel voor de aanwijzing van een advocaat door een deken. Voor een procedure bij de kantonrechter is de bijstand van een advocaat niet wettelijk voorgeschreven en het is evenmin een zaak waarbij de bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden. Op grond van artikel 13 Advocatenwet is de deken niet bevoegd om in deze zaak een advocaat aan te wijzen.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Het hof heeft begrip voor de situatie van klager en zijn wens om in de verzetprocedure door een advocaat te worden bijgestaan. De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is echter in beginsel beperkt tot zaken, waarin de bijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat klager bij de kantonrechter zonder advocaat mag procederen. De deken is, anders dan de deken verdedigt, wel bevoegd een advocaat aan te wijzen, maar hij kan in een dergelijk geval een aanwijzing van advocaat achterwege laten. De deken heeft het verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat redelijkerwijs terecht afgewezen. Het beklag is ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 2 8 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P Fortuin, voorzitter, mrs. J. Steenbrink en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 27 maart 2026.
