Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-03-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:86
Zaaknummer
250411
Zaaknummer
250412
Inhoudsindicatie
Hoger beroep na beslissing op verzet. Het hof constateert op basis van de beroepsgronden dat het klager in feite gaat om een inhoudelijke herbeoordeling van de tuchtklachten. Dat is echter niet mogelijk vanwege het appelverbod. Dat volgens klager sprake is van een onjuiste beoordeling van tuchtklachten levert geen schending op van fundamentele rechtsbeginselen en ook los daarvan heeft het hof geen schending daarvan vastgesteld. Het hof concludeert dan ook dat het appelverbod niet kan worden doorbroken.
Uitspraak
Beslissing van 27 maart 2026
in de zaken 250411 en 250412
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerster
1 DE PROCEDURE
Bij de Raad van Discipline
1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 16 april 2025 van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) in de zaken met de nummers 25-092/DH/RO en 25-093/DH/RO. In deze beslissing zijn de klachten van klager, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaard.
1.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:73 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.3 Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. Bij beslissing van 20 oktober 2025 heeft de raad het verzet van klager in beide klachtzaken ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet).
1.4 De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:206 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het Hof van Discipline
1.5 Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing op verzet. Het beroepschrift van klager is op 19 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
1.6 Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.
1.7 Het hof heeft de zaken in raadkamer behandeld.
2 BEROEPSGRONDEN
2.1 Het hoger beroep van klager is gericht tegen de beslissing op verzet. Klager meent dat het appelverbod moet worden doorbroken. Wat klager daartoe aanvoert komt erop neer dat de beslissing op verzet niet juist is, omdat de raad bij het nemen van die beslissing buiten zijn bevoegdheid is getreden en van een onjuist beoordelingskader is uitgegaan. Klager wijst er allereerst op dat de raad in de beslissing op verzet ten onrechte heeft vooropgesteld dat voordat de raad de klachten van klager inhoudelijk kan beoordelen, er sprake moet zijn van een gegrond verzet. Volgens klager heeft de raad op grond van de Advocatenwet niet de ruimte om dat te overwegen en staat in de verzetsprocedure uitsluitend ter beoordeling of er twijfel kan zijn aan de voorzittersbeslissing. Daarnaast voert klager aan dat de raad in de beslissing op verzet ten onrechte bij de beoordeling van de juistheid van de voorzittersbeslissing heeft betrokken of klager schade heeft geleden door het handelen van verweerster. Daarmee stelt de raad zich volgens klager in feite op het standpunt dat handelen van een advocaat in strijd met de criteria waaraan dat gedrag moet voldoen, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is wanneer door dat gedrag geen schade voor de cliënt van de betreffende advocaat is ontstaan. Klager wijst erop dat voor die opvatting op grond van de geldende wet- en regelgeving geen aanknopingspunten bestaan.
2.2 Verder voert klager nog aan dat verweerster ten onrechte niet heeft onderkend dat zij zich er ondubbelzinnig van had behoren te vergewissen of klager ermee instemde dat verweerster voor hem als advocaat in de strafrechtelijke procedure zou optreden, gelet op de vrije advocaatkeuze.
3 BEOORDELING
Wettelijk kader
3.1 Artikel 46h Advocatenwet maakt verzet mogelijk tegen een voorzittersbeslissing zoals in deze zaak. Op grond van lid 7 van dit artikel staat tegen de beslissing op verzet geen rechtsmiddel open. Dat betekent dat geen hoger beroep mogelijk is tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet ongegrond is verklaard. Er geldt een zogenoemd appelverbod. Er kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel (zoals bijvoorbeeld het recht op hoor en wederhoor) is geschonden. Het appelverbod kan dan worden doorbroken. Het hof zal onderzoeken of daarvan in deze zaak sprake kan zijn.
Het oordeel van het hof
3.2 Het hof constateert dat de door klager aangevoerde gronden voor doorbreking van het appelverbod zijn gericht op een inhoudelijke beoordeling van de tuchtklachten door de raad, en dat het klager in feite gaat om een herbeoordeling van die tuchtklachten. Dat is echter niet mogelijk vanwege het onder 3.1 genoemde appelverbod. Uit de door klager aangevoerde beroepsgronden blijkt niet dat bij de behandeling van het verzet door de raad fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Dat volgens klager sprake is van een onjuiste beoordeling van tuchtklachten levert geen schending op van fundamentele rechtsbeginselen en ook los daarvan heeft het hof geen schending daarvan vastgesteld. Het hof concludeert dan ook dat het appelverbod niet kan worden doorbroken.
3.3 De conclusie is dan ook dat het appelverbod niet kan worden doorbroken. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 27 maart 2026 .
