Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:79

Zaaknummer

260064

Inhoudsindicatie

Klacht tegen deken niet wordt verwezen. De voorzitter van het hof is van oordeel dat klager met de onderhavige zaak opnieuw op een oneigenlijke manier het klachtrecht inzet. Het patroon is dat zodra een door klager gevoerde tuchtprocedure niet de door hem gewenste uitkomst heeft, hij een klacht indient over de deken die het onderzoek naar de betreffende klacht heeft gedaan. Zoals klager zeer goed weet omdat hem dat al een en andermaal is duidelijk gemaakt, is de geëigende weg om onvrede over de uitkomst van een dekenonderzoek aan de orde te stellen, het voorleggen van de onderzochte klacht aan de Raad van Discipline. Klager kiest er, door het verschuldigde griffierecht niet te betalen, echter voor om die weg niet te bewandelen. Hierdoor maakt klager misbruik van zijn klachtrecht in de zin van de Advocatenwet. Aan dit handelen van klager moet paal en perk worden gesteld. Klager moet zich realiseren dat aan elke procedure eens een einde komt.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

van  19 maart 2026

in de zaak 260064

 

naar aanleiding van de klacht van:

klager

 

tegen:

 

advocaat en deken te Zeeland-West-Brabant

verweerder

 

1 HET VERZOEK

1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 25 februari 2026 van de stafjurist van het bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Hierin brengt de stafjurist namens verweerder een klacht van 13 februari 2026 van klager over verweerder bij het hof onder de aandacht.

1.2 Uit de toelichting van verweerder maakt de voorzitter op dat de klacht van klager van 13 februari 2026 betrekking heeft op de behandeling door verweerder van een op 11 april 2025 door klager over mr. S ingediende klacht. Deze klacht was exact gelijkluidend aan een klacht die klager op 6 augustus 2021 indiende, welke klacht tot in hoogste instantie is onderzocht. Verweerder heeft op 9 mei 2025 zijn standpunt kenbaar gemaakt, waarna achtereenvolgens de voorzitter van de Raad van Discipline en vervolgens in verzet een volle kamer van de Raad van Discipline zich over de kwestie hebben uitgelaten.

1.3 Verweerder heeft erop gewezen dat de teleurstellende uitkomst van de procedure voor klager niet alleen reden was om verweerder te blijven bestoken met e-mails (meer dan 30 in een korte periode), maar ook om de klacht nog een keer in te dienen. Dat deed hij op 25 november 2025, met gevolg een dekenbrief op 10 december 2025. Daarnaast heeft klager appel ingesteld tegen de beslissing in verzet, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van het Hof van Discipline op 16 februari 2026, met nummer 250461.

1.5 Het is voor verweerder onbegrijpelijk waar of op welk moment hij onzorgvuldig zou hebben gehandeld. De klachten van klager zijn onderzocht en afgedaan. De klachten van 6 augustus 2021 en 11 april 2025 hebben de geëigende tuchtrechtelijke procedures doorlopen. Voor de klacht die op 25 november 2025 is ingediend is geen griffierecht voldaan. Dat is een keuze van klager zelf.

1.6 De stafjurist heeft erop gewezen dat het hof reeds meerdere keren heeft geoordeeld dat klager misbruik maakt van zijn klachtrecht. Verweerder is van mening dat de klacht van 13 februari 2026 ook onder het misbruik van het klachtrecht valt. Verweerder heeft het hof verzocht om expliciet aan te geven hoe moet worden omgegaan met nieuwe klachten van klager. Volgens verweerder kan het niet de bedoeling zijn dat klager eindeloos klachten kan blijven indienen tegen dekens.

 

2 DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 De voorzitter van het hof is er ambtshalve mee bekend dat klager reeds vele klachten heeft ingediend, die nagenoeg allemaal (kennelijk-) ongegrond zijn verklaard. De klachten zien allemaal op advocaten die hebben opgetreden, zij het voor klager zelf, zij het voor zijn wederpartij, in procedures rondom en na de beëindiging van klagers dienstverband. Gewezen wordt in dit verband naar het overzicht dat is opgenomen in de uitspraak van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 18 november 2024, met nummer 24-692/DB/ZWB. Deze zaak is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TADRSHE:2024:164.

2.3 Misbruik van klachtrecht kan slechts in (hoogst) uitzonderlijke gevallen worden aangenomen (vgl. artikel 3:13 BW). Dat kan onder meer het geval zijn als de tuchtrechtelijke procedure wordt gebruikt op een wijze of voor een doel waarvoor deze niet is bedoeld. Daarvan kan sprake zijn bij het herhaaldelijk indienen van kennelijk ongegronde of kennelijk niet-ontvankelijke klachten tegen dezelfde persoon. Terughoudendheid bij het aannemen van misbruik van klachtrecht bij de beoordeling van een verwijzingsverzoek is temeer geboden, omdat een onderzoek naar de klacht ten tijde van de beoordeling van het verzoek tot verwijzing nog niet heeft plaatsgevonden (zie HvD 6 mei 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:136).

2.4 De voorzitter van het hof is van oordeel dat klager met de onderhavige zaak opnieuw op een oneigenlijke manier het klachtrecht inzet. Het patroon is dat zodra een door klager gevoerde tuchtprocedure niet de door hem gewenste uitkomst heeft, hij een klacht indient over de deken die het onderzoek naar de betreffende klacht heeft gedaan. Zoals klager zeer goed weet omdat hem dat al een en andermaal is duidelijk gemaakt, is de geëigende weg om onvrede over de uitkomst van een dekenonderzoek aan de orde te stellen, het voorleggen van de onderzochte klacht aan de Raad van Discipline. Klager kiest er, door het verschuldigde griffierecht niet te betalen, echter voor om die weg niet te bewandelen. Hierdoor maakt klager misbruik van zijn klachtrecht in de zin van de Advocatenwet. Aan dit handelen van klager moet paal en perk worden gesteld. Klager moet zich realiseren dat aan elke procedure eens een einde komt. De klacht van 13 februari 2026 die verweerder aan het hof heeft voorgelegd, zal niet worden verwezen. Ook volgende klachten van klager die zien op hetzelfde feitencomplex zal het hof niet verwijzen.

 

3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

 

- wijst het verzoek tot verwijzing af.

 

Deze beslissing is genomen op 19 maart 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.

 

Plaatsvervangend voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 19 maart 2026.