Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:76

Zaaknummer

26-187/AL/OB/W

Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Beslissing van de wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden als plaatsvervanger van de wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 23 maart 2026

in de zaak 26-187/AL/OB/W

naar aanleiding van het verzoek om wraking van de hierna te noemen tuchtrechter van de raad van discipline, ingediend door

 

verzoeker

 

over

 

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch is een klacht van verzoeker tegen de advocaat mr. G. (25-740/DB/OB) in behandeling.

1.2 In deze klachtzaak is een voorzittersbeslissing gegeven. Vervolgens zijn verzoeker en mr. G. door de raad van discipline opgeroepen voor de (verzet)zitting van 13 april 2026.

1.3 Verzoeker heeft in een e-mail aan de griffier van de raad van discipline van 19 januari 2026 het volgende geschreven:

Ik wil u wijzen op de volgende tekst aan het einde van de uitspraak d.d. 9 december 2025: "Tijdens de verzetzitting van de raad zal de gegrondheid van het verzet worden besproken. Vanwege proceseconomische redenen kan echter op de verzetzitting óók de onderliggende klacht besproken worden. Partijen moeten daar rekening mee houden bij hun voorbereiding. Als de raad meer tijd nodig heeft voor de inhoudelijke behandeling van de zaak dan binnen de geplande zittingstijd past, dan kan de raad een tussenbeslissing nemen en een nieuwe zittingsdatum bepalen. Uit de beslissing van de raad zal vervolgens blijken of het verzet (on)gegrond is en bij een gegrond verzet, of de klacht (on)gegrond is." (vet toegevoegd) Graag zsm de reactie van de heer [naam verweerder]. Afhankelijk van zijn reactie zal ik hem al dan niet wraken. Ten overvloede merk ik op dat de HR reeds heeft beslist over het recht op een hybride zitting (ECLI:NL:HR:2025:902). Dat uw procesreglement, wat daar verder ook van zij en om onduidelijke moverende redenen, hieraan niet voldoet is evident. Niettemin is Breda voor mij (dit keer) bereisbaar.

1.4 De griffier heeft in een e-mail aan verzoeker van 27 januari 2026 het volgende geschreven:

De raad van discipline ontving d.d. 19 januari jl. uw e-mailbericht. Namens de voorzitter, mr. [naam verweerder], bericht ik u dat op dit moment aan u niet meer kan worden medegedeeld dan dat u er bij de voorbereiding voor de zitting rekening mee moet houden dat naast het verzet ook de klacht inhoudelijk kan worden behandeld.

1.5 Verzoeker heeft in een e-mail van 27 januari 2026 als volgt op deze e-mail van de griffier gereageerd:

Danku, dat is goed natuurlijk.

1.6 Verzoeker heeft in een e-mail aan de griffier van 6 maart 2026 het volgende geschreven:

Ruim 6 weken verder. Nul reactie. Hierbij wraak ik de heer [naam verweerder].

1.7 De griffier heeft in een e-mail van 6 maart 2026 als volgt op deze e-mail van verzoeker gereageerd:

Namens de voorzitter, mr. [naam verweerder], is op 27 januari 2026 gereageerd op uw verzoek van 19 januari 2026. Daarop hebt u diezelfde dag nog gereageerd (zie de bijlagen). Nu er dus weldegelijk op uw e-mail is gereageerd, verneem ik graag of u uw wrakingsverzoek wenst te handhaven. Indien dat zo is, dan wordt uw wrakingsverzoek doorgezonden aan de wrakingskamer van de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.

1.8 Verzoeker heeft vervolgens in een e-mail van 6 maart 2026 als volgt op deze e-mail van de griffier gereageerd:

Hierbij handhaaf ik mijn wrakingsverzoek. Ik verzocht om een inhoudelijke reactie: "Graag zsm de reactie van de heer [naam verweerder] . "Die heb ik niet ontvangen en derhalve niet gezien. Als de heer [naam verweerder]  niet kan lezen, moet hij wat anders gaan doen. Functie elders, wellicht een raamstaarministerie of gemeentebaliemewerker. Lekker stempelen. Zeker nu van mij verwacht wordt, dat ik afreis, vind ik duidelijkheid over de omvang van de zitting essentieel. Van mij wordt immers verwacht dat ik mijn zaak netjes voorbereid. Dat geldt immers voor iedere procesdeelnemer.

1.9 Het wrakingsverzoek is in behandeling genomen door de wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, verder te noemen de wrakingskamer, als plaatsvervanger van de wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort ’s‑Hertogenbosch.

1.10 De griffier van de wrakingskamer heeft verweerder verzocht op het wrakingsverzoek te reageren. Verweerder heeft in een e-mail van 13 maart 2026 laten weten dat hij niet in de wraking berust en hij heeft een inhoudelijke reactie op het wrakingsverzoek gegeven. Die e-mail van verweerder is door de griffie van de wrakingskamer aan verzoeker gestuurd. 

 

2 GRONDEN VAN HET WRAKINGSVERZOEK

Verzoeker heeft - zo begrijpt de wrakingskamer - als grond voor zijn wrakingsverzoek aangevoerd dat verweerder geen aanvullende informatie heeft willen geven over de aard en omvang van de geplande (verzet)zitting.

 

3 BEOORDELING VAN HET WRAKINGSVERZOEK

3.1 Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering is wraking van een tuchtrechter mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Artikel 513 lid 1 Wetboek van Strafvordering en artikel 1 lid 5 van het Wrakingsprotocol raden van discipline bepalen dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd aan de verzoeker bekend zijn geworden.

3.2 De wrakingskamer stelt vast dat de feiten en omstandigheden die verzoeker aanleiding hebben gegeven om verweerder te wraken, in de (onder 1.4 geciteerde) namens verweerder aan verzoeker gestuurde e-mail van 27 januari 2026 staan. Uit de inhoud van die e-mail volgt immers dat de door klager gewenste informatie van proceseconomische aard niet aan hem wordt verschaft. Uit het antwoord op de brief van verzoeker van 27 januari 2026 blijkt dat verzoeker diezelfde dag bekend is geworden met deze feiten en omstandigheden.

3.3 Dat betekent dat verzoeker zo spoedig mogelijk na deze datum zijn wrakingsverzoek had moeten doen. Dat het op schrift stellen en onderbouwen van de wrakingsgronden enkele dagen kan vergen, valt te billijken. De door verzoeker in dit geval genomen tijd voor het indienen van zijn wrakingsverzoek - ruim vijf weken - is echter (aanzienlijk) te lang geweest. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een dergelijk lange termijn zouden kunnen rechtvaardigen. Het wrakingsverzoek is dan ook te laat ingediend.

3.4 Verzoeker is gelet op het voorgaande kennelijk niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. Op grond van artikel 4 van het Wrakingsprotocol raden van discipline wordt op het wrakingsverzoek beslist zonder behandeling ter zitting. Verder is de wrakingskamer van oordeel dat de manier waarop verzoeker gebruik maakt van het wrakingsmiddel is aan te merken als misbruik van recht. De wrakingskamer zal daarom op grond van artikel 515 lid 4 Wetboek van Strafvordering en artikel 47 lid 2 Advocatenwet bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. 

 

BESLISSING

De wrakingskamer:

- verklaart het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.

 

Deze beslissing is gegeven door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. E.M.G. Pouls en N.A. Heidanus, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.

 

griffier                                 voorzitter

 

Verzonden op: 23 maart 2026