Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:78

Zaaknummer

260063

Inhoudsindicatie

Klacht tegen de deken niet verwezen. Het hof stelt vast dat er sprake is van een patroon dat zodra een door klager gevoerde tuchtprocedure niet de door hem gewenste uitkomst heeft, hij een klacht indient over de deken die het onderzoek naar de betreffende klacht heeft gedaan. Zoals klager zeer goed weet omdat hem dat al een en andermaal is duidelijk gemaakt, is de geëigende weg om onvrede over de uitkomst van een dekenonderzoek aan de orde te stellen, het voorleggen van de onderzochte klacht aan de Raad van Discipline. Klager kiest er, door het verschuldigde griffierecht niet te betalen, echter voor om die weg niet te bewandelen. Hierdoor maakt klager misbruik van zijn klachtrecht in de zin van de Advocatenwet. Aan dit handelen van klager moet paal en perk worden gesteld.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

van  19 maart 2026

in de zaken 260063

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

tegen:

 

advocaat en deken te Zeeland-West-Brabant

verweerder

 

1 HET VERZOEK

1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 25 februari 2026 van de stafjurist van het bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Hierin brengt de stafjurist namens verweerder een klacht van 13 februari 2026 van klager over verweerder bij het hof onder de aandacht. Tevens wijst de stafjurist erop dat het hof reeds meerdere keren heeft geoordeeld dat klager misbruik maakt van zijn klachtrecht. Verweerder is van mening dat de klacht van 13 februari 2026 ook onder het misbruik van het klachtrecht valt. Verweerder heeft het hof verzocht om expliciet aan te geven hoe moet worden omgegaan met nieuwe klachten van klager. Volgens verweerder kan het niet de bedoeling zijn dat klager eindeloos klachten kan blijven indienen tegen dekens.

1.2 Uit de toelichting van verweerder maakt de voorzitter op dat klager op 20 januari 2026 een klacht ingediend over mr. T, advocaat van zijn buurvrouw. Na een kort onderzoek heeft verweerder op 26 januari 2026 zijn standpunt aan zowel klager aan mr. T toegezonden. De klacht werd door verweerder (kennelijk) ongegrond geacht. Nadien heeft klager circa twintig e‑mails gestuurd waarin hij zijn onvrede uit over het ingenomen standpunt en waarin hij om herziening verzoekt. Klager is driemaal gewezen op de mogelijkheid het griffierecht te voldoen indien hij de klacht aan de tuchtrechter wenste voor te leggen. Deze termijn is inmiddels verstreken en het griffierecht is niet ontvangen. Het klachtdossier is daarom afgesloten.

1.3 In het klachtformulier van 13 februari 2026 geeft klager aan waarom hij het niet eens is met het standpunt van verweerder. Zijn klacht luidt – samengevat – als volgt: “Deken Oort [bedoeld wordt mr. [naam deken]] geeft telkens niet te volgen standpunten en weigert deze toe te lichten. Hij belemmert mijn rechten, is niet transparant, maakt veel fouten, ziet niet toe op de geldende regels en probeert misstanden te verhullen. Hij negeert wet, regels en feiten bewust. Ik eis dat alle door hem gemaakte fouten worden hersteld.”

1.4 In  reactie op de klacht is klager wederom gewezen op de mogelijkheid om door betaling van het griffierecht de zaak aan de tuchtrechter voor te leggen. Ook daarna is geen griffierechtbetaling ontvangen. Wel heeft klager e‑mails verzonden die betrekking hebben op een klacht bij de Haagse deken over mr. Van H en eerdere klachten over mr. Van Z en mr. S.

1.5 Voor verweerder blijft onduidelijk welk verwijt hem in het onderzoek naar de klacht over mr. T  wordt gemaakt. De klacht is in behandeling genomen, onderzocht en er is een dekenstandpunt ingenomen. De keuze om het griffierecht niet te betalen ligt volledig bij klager.

 

2 DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 De voorzitter van het hof is er ambtshalve mee bekend dat klager reeds vele klachten heeft ingediend, die nagenoeg allemaal (kennelijk-) ongegrond zijn verklaard. De klachten zien allemaal op advocaten die hebben opgetreden, zij het voor klager zelf, zij het voor zijn wederpartij, in procedures rondom en na de beëindiging van klagers dienstverband. Gewezen wordt in dit verband naar het overzicht dat is opgenomen in de uitspraak van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 18 november 2024, met nummer 24-692/DB/ZWB. Deze zaak is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TADRSHE:2024:164.

2.3 Misbruik van klachtrecht kan slechts in (hoogst) uitzonderlijke gevallen worden aangenomen (vgl. artikel 3:13 BW). Dat kan onder meer het geval zijn als de tuchtrechtelijke procedure wordt gebruikt op een wijze of voor een doel waarvoor deze niet is bedoeld. Daarvan kan sprake zijn bij het herhaaldelijk indienen van kennelijk ongegronde of kennelijk niet-ontvankelijke klachten tegen dezelfde persoon. Terughoudendheid bij het aannemen van misbruik van klachtrecht bij de beoordeling van een verwijzingsverzoek is temeer geboden, omdat een onderzoek naar de klacht ten tijde van de beoordeling van het verzoek tot verwijzing nog niet heeft plaatsgevonden (zie HvD 6 mei 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:136).

2.4 Hoewel de onderliggende klacht in de onderhavige zaak is gericht tegen een advocaat in een andere zaak dan het hiervoor bedoelde arbeidsgeschil, is de voorzitter van het hof is van oordeel dat klager opnieuw op een oneigenlijke manier het klachtrecht inzet. Het patroon is dat zodra een door klager gevoerde tuchtprocedures niet de door hem gewenste uitkomst heeft, hij een klacht indient over de deken die het onderzoek naar de betreffende klacht heeft gedaan. Zoals klager zeer goed weet omdat hem dat al een en andermaal is duidelijk gemaakt, is de geëigende weg om onvrede over de uitkomst van een dekenonderzoek aan de orde te stellen, het voorleggen van de onderzochte klacht aan de Raad van Discipline. Klager kiest er, door het verschuldigde griffierecht niet te betalen, echter voor om die weg niet te bewandelen. Hierdoor maakt klager misbruik van zijn klachtrecht in de zin van de Advocatenwet. Aan dit handelen van klager moet paal en perk worden gesteld. De klacht van 13 februari 2026 die verweerder aan het hof heeft voorgelegd, zal niet worden verwezen. Ook volgende klachten van klager die zien op hetzelfde feitencomplex zal het hof niet verwijzen.

 

3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

 

- wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 19 maart 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 19 maart 2026.